Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4300

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
13/251950-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs opzet- en schuldverkrachting

De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van opzet- en schuldverkrachting van de benadeelde partij in mei 2025. De officier van justitie vorderde bewezenverklaring op basis van verklaringen van het slachtoffer, getuigen, chatberichten en DNA-sporen. De verdediging voerde aan dat er geen objectief bewijs was voor binnendringen, dwang of geweld en dat de verklaringen van het slachtoffer inconsistent en onbetrouwbaar waren.

De rechtbank constateerde dat de verklaringen van verdachte, medeverdachte en het slachtoffer wezenlijk van elkaar verschilden. Het letsel van het slachtoffer was beperkt tot huidverkleuringen en pijnklachten zonder medisch bewijs van dwang of geweld passend bij het scenario. Getuigenverklaringen betroffen alleen horen zeggen zonder zelfstandige waarnemingen. De chatberichten toonden spijtbetuigingen maar geen concreet bewijs.

De rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut toonden geen DNA-sporen van verdachte of medeverdachte op plaatsen die bij verkrachting verwacht zouden worden. De rechtbank concludeerde dat niet buiten redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de gehele tenlastelegging en verklaarde de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk omdat geen straf of maatregel was opgelegd. Beide partijen dragen hun eigen kosten. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd eerder opgeheven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor opzet- en schuldverkrachting.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/251950-25
Datum uitspraak: 8 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. el Mhamdi, naar voren hebben gebracht.
Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], en van wat mr. F.M.M. Buijs namens de benadeelde partij naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 15 mei 2025 tot en met 16 mei 2025 te
Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer
anderen, althans alleen met een persoon, te weten [benadeelde partij] een of meer seksuele
handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen
van het lichaam heeft verricht, te weten
- het meermalen, althans eenmaal, brengen en/of heen en weer bewegen van zijn,
verdachtes, penis en/of vingers en/of tong in de vagina van die [benadeelde partij] en/of
- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond
van die [benadeelde partij]
- het aanraken en/of likken van de borsten en/of vagina van die [benadeelde partij] en/of
- die [benadeelde partij] te zoenen
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders, wisten dat bij die [benadeelde partij] daartoe de wil
ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of
gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- ( hardhandig) aan de haren van die [benadeelde partij] te trekken en/of
- ( hardhandig) de kleren van die [benadeelde partij] uit te trekken en/of
- die [benadeelde partij] vast te pakken en naar de slaapkamer te sleuren en/of
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of gezicht, althans het lichaam, van die [benadeelde partij] te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 15 mei 2025 tot en met 16 mei 2025 te
Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer
anderen, althans alleen met een persoon, te weten [benadeelde partij]
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het meermalen, althans eenmaal, brengen en/of heen en weer bewegen van zijn,
verdachtes, penis en/of vingers en/of tong in de vagina van die [benadeelde partij] en/of
- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond
van die [benadeelde partij]
- het aanraken en/of likken van de borsten en/of vagina van die [benadeelde partij] en/of
- die [benadeelde partij] te zoenen
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders, wist(en), althans ernstige reden
had(den) om te vermoeden dat bij die [benadeelde partij] daartoe de wil ontbrak.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Vrijspraak

3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit, te weten gekwalificeerde opzetverkrachting, en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De verklaringen van aangeefster zijn betrouwbaar. Hoewel er enige inconsistenties zijn tussen haar verschillende verklaringen, heeft zij vanaf het begin steeds consequent verklaard dat zij door twee mannen met geweld en tegen haar wil is verkracht.
Het dossier bevat voldoende steunbewijs voor de aangifte. Dit steunbewijs zit ten eerste in de verklaringen van verdachte en van medeverdachte [medeverdachte]. Verder bevinden zich in het dossier chatberichten die aangeefster na het tenlastegelegde feit heeft ontvangen van verdachte en van [medeverdachte]. Verdachte heeft haar onder meer het bericht ‘Wollah schatje, sorry van gisteren’ gestuurd. [medeverdachte] heeft haar onder meer de berichten ‘Wat er met [naam] is gebeurd spijt me zeer’, ‘Ik wilde je helpen’ en ‘Ik ben niet zoals [naam]’ gestuurd. Al deze berichten bij elkaar dragen bij aan het bewijs dat zowel verdachte als medeverdachte wisten dat zij een grens over waren gegaan. Bovendien heeft getuige [getuige 1] verklaard dat zij in de ochtend van 16 mei 2025 door aangeefster werd gebeld en dat zij haar vertelde dat ze verkracht was. Ook getuige [getuige 2] heeft verklaard dat aangeefster haar heeft verteld verkracht te zijn geweest. Uit de letselfoto’s blijkt dat er geweld op aangeefster is toegepast. Op 22 mei 2025 had zij nog last van haar ribben, zo blijkt uit een verslag van het [ziekenhuis] waar zij die dag is geweest voor onderzoek. Ten slotte blijkt uit de resultaten van het DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) dat zowel verdachte als medeverdachte DNA-sporen hebben achtergelaten op de rechterborst van aangeefster, aldus de officier van justitie.
Gelet op het bovenstaande, is de officier van justitie van mening dat bewezen kan worden dat verdachte en medeverdachte in vereniging met dwang en met geweld aangeefster hebben verkracht.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij de volgende verweren gevoerd.
Het dossier bevat geen objectief bewijs waaruit blijkt dat verdachte met zijn penis de vagina van aangeefster heeft binnengedrongen. Uit de resultaten van het onderzoek van het NFI blijkt dat er geen aan verdachte te koppelen DNA-sporen in of bij de vagina van het slachtoffer zijn gevonden. De resultaten van het DNA-onderzoek kunnen dan ook niet dienen als steunbewijs voor de aangifte. Het dossier bevat geen ander objectief bewijs dat als steunbewijs kan dienen. Er is ook geen letsel aan de vagina van aangeefster waargenomen.
Het dossier bevat geen objectief bewijs waaruit blijkt dat sprake is geweest van dwang, geweld of bedreiging daarmee. Een medische vaststelling van letsel, dat bovendien zou kunnen passen bij de door aangeefster beschreven geweldshandelingen, ontbreekt. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte], inhoudende dat verdachte een ‘klapje’ in het gezicht van aangeefster zou hebben gegeven, biedt hiervoor ook geen ondersteuning.
Verdachte heeft verklaard dat aangeefster hem meerdere keren heeft gepijpt, maar dat hierbij geen sprake was van een ontbrekende wil aan de zijde van aangeefster. Er waren ook geen waarneembare signalen waardoor verdachte moest vermoeden dat zij deze seksuele handelingen niet wilde verrichten.
Bovendien zijn de verklaringen van aangeefster onvoldoende betrouwbaar. Wanneer de verschillende verklaringen van aangeefster in onderlinge samenhang worden bezien, wijken deze op relevante punten van elkaar af. De verschillen in deze verklaringen zien op de aard en volgorde van de seksuele handelingen, de rol van de medeverdachte, de wijze waarop aangeefster de woning zou hebben verlaten, een mogelijk bezoek aan een coffeeshop die bewuste nacht en de komst van het broertje van verdachte. Deze verklaringen voldoen daarom niet aan de vereisten van consistentie, accuraatheid en voldoende detaillering zodat deze als onbetrouwbaar terzijde dienen te worden geschoven. Daar staat tegenover dat verdachte wel telkens consistent heeft verklaard en dat zijn verklaring wordt ondersteund door de onderzoeksresultaten van het NFI.
Ook als de verklaringen van aangeefster wel voldoende betrouwbaar zouden zijn, dan bieden de getuigenverklaringen daarvoor onvoldoende steun nu de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] geen zelfstandige waarneming van enige emotionele of fysieke toestand bij aangeefster hebben gedaan. Hun verklaringen betreffen slechts verklaringen van horen zeggen. Ook de arts en de verbalisanten die aangeefster kort na het vermeende feit hebben gezien, hebben geen bijzonderheden in haar toestand waargenomen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de tenlastegelegde varianten van verkrachting niet bewezen en oordeelt daartoe als volgt.
Niet ter discussie staat dat aangeefster, verdachte en medeverdachte zich op 15 mei 2025 alle drie in de woning van verdachte hebben bevonden. De rechtbank constateert dat de verklaringen van verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en aangeefster wezenlijk uiteen lopen over wat in de woning voorgevallen zou zijn.
Aangeefster heeft verklaard dat zij met geweld oraal, vaginaal en anaal is verkracht door zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte]. Verdachte heeft verklaard dat aangeefster hem en [medeverdachte] heeft gepijpt en dat hij een condoom aan [medeverdachte] heeft gegeven. [medeverdachte] heeft verklaard dat er geen seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen hemzelf en aangeefster.
Het letsel van aangeefster
Uit het proces-verbaal forensisch onderzoek persoon blijkt dat aangeefster op 16 mei 2025 door een huisarts is onderzocht op letsel. In dit proces-verbaal is door de verbalisant een samenvatting gegeven van het onderzoeksrapport van de huisarts. De huisarts zou hebben vastgesteld dat aangeefster bloeduitstortingen had in haar hals en op haar rechterknie. Van deze bloeduitstortingen zijn ook foto’s in het dossier gevoegd. Het originele onderzoeksrapport is echter niet in het dossier gevoegd.
Verder bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen van 30 september 2025. Daaruit blijkt dat de verbalisant contact heeft opgenomen met de curator van aangeefster, die haar een medisch verslag heeft toegestuurd van het Diakonessenziekenhuis waar aangeefster op 22 mei 2025 langs zou zijn geweest. Een deel van de inhoud van dit verslag, namelijk de anamnese, is overgenomen in het proces-verbaal. Daaruit zou blijken dat aangeefster heeft gezegd dat zij vijf dagen voorafgaand aan dit ziekenhuisbezoek tijdens een vechtpartij met de vuisten in elkaar is geslagen en dat zij zou klagen over pijn aan de ribbenkast. Ook hier ontbreekt het originele medische verslag.
De advocaat van aangeefster heeft ter terechtzitting het laatstgenoemde originele medische verslag van 22 mei 2025 en een verslag van de afdeling Spoedeisende Hulp van het [ziekenhuis] van 17 mei 2025 aan de rechtbank verstrekt. De rechtbank heeft ter zitting kennisgenomen van de inhoud van deze stukken, welke overeenkomt met de inhoud van de hierboven beschreven stukken.
De rechtbank kan op basis van deze stukken geen vaststellingen doen over enig letsel bij aangeefster, op de verkleuringen in de hals en op de knie na. Er is ook niet vastgesteld dat zij daadwerkelijk letsel had aan haar ribben; zij heeft alleen geklaagd over pijn daaraan. Het enkele waarnemen van de huidverkleuringen in de hals en op de knie is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om bij te kunnen dragen aan het bewijs. Het waargenomen letsel, althans voor zover dat uit de stukken blijkt, past bovendien naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bij het scenario zoals dat door aangeefster is geschetst.
Verklaringen getuigen
De getuige [getuige 1] heeft op 3 juli 2025 aan de politie verklaard dat aangeefster haar in de ochtend van 16 mei 2025 heeft gebeld en dat zij vertelde dat ze de hele nacht in een woning was vastgehouden, mishandeld en misbruikt. Toen aangeefster even later terugkwam in de instelling waar zij woont, is zij door [getuige 1] opgevangen. Uit haar verklaring blijkt echter niet dat zij bijzonderheden heeft gezien in de emotionele toestand van aangeefster.
Hetzelfde geldt voor de verklaring van getuige [getuige 2], de pleegmoeder van aangeefster. Zij heeft verklaard dat aangeefster haar in juni 2025 heeft verteld dat zij verkracht en mishandeld zou zijn. [getuige 2] heeft daarbij niets verklaard over enige emotionele toestand van aangeefster en heeft dus geen zelfstandige waarneming gedaan.
De chatgesprekken
De berichten die verdachte en medeverdachte kort na het vermeende feit naar aangeefster hebben gestuurd, brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dat beide mannen spijt lijken te betuigen voor iets wat zich die nacht heeft voorgedaan, is onvoldoende concreet.
Rapporten Nederlands Forensisch Instituut (NFI)
Ten slotte bieden de rapporten van het NFI onvoldoende steun om vast te stellen dat aangeefster is verkracht. Op de anus en de schaamlippen van aangeefster is immers geen DNA aangetroffen van verdachte of van medeverdachte [medeverdachte], terwijl dat wel te verwachten was, nu aangeefster zegt dat beide verdachten haar bij haar vagina en/of billen hadden gelikt.
De omstandigheid dat spermavloeistof is aangetroffen, biedt geen steun voor het scenario dat aangeefster is verkracht door verdachte en/of medeverdachte. Dit kan namelijk worden verklaard doordat aangeefster, zoals zij zelf heeft verklaard, in de dagen voorafgaand aan het vermeende feit op verschillende momenten seks heeft gehad.
Conclusie
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte zich, al dan niet samen met [medeverdachte], heeft schuldig gemaakt aan een (gekwalificeerde) opzet- of schuldverkrachting. De rechtbank zal verdachte dan ook van de gehele tenlastelegging vrijspreken.

4.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 269,50 aan vergoeding van materiële schade en € 12.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a Sr niet is toegepast.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

5.Beslissing

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Het bevel tot voorlopige hechtenis is reeds op 25 maart 2026 opgeheven. Dit bevel is apart opgemaakt.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Oldekamp, voorzitter,
mr. D.A. Segbedzi en mr. L. Noyon, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 april 2026.