Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4332

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
12143096 CV EXPL 26-3868
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 93/13/EGArt. 4 lid 2 Richtlijn 93/13/EGArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing oneerlijke bedingen in huurovereenkomst en proceskostenveroordeling

In deze bodemzaak vordert de eisende partij betaling van huurachterstand en nevenvorderingen van de gedaagde partij, die niet is verschenen en verstek is verleend. De huurovereenkomst tussen partijen is beëindigd per 6 oktober 2025. De kantonrechter toetst ambtshalve de overeenkomst aan Richtlijn 93/13/EG inzake oneerlijke bedingen, omdat het een overeenkomst betreft tussen een handelaar en een consument.

De huurprijs- en servicekostenbedingen worden als kernbedingen aangemerkt en zijn transparant, waardoor toetsing op oneerlijkheid achterwege blijft. De overige relevante bedingen, waaronder huurprijswijziging en wijziging voorschot servicekosten, worden niet oneerlijk bevonden. Het incassokostenbeding wordt eveneens niet als oneerlijk beoordeeld.

Het proceskostenbeding in artikel 17.2 wordt wel als oneerlijk beschouwd voor zover het betrekking heeft op proceskosten, omdat het meer kosten toerekent dan wettelijk is toegestaan. De kantonrechter volgt de jurisprudentie en laat de proceskostenveroordeling niet achterwege, maar stelt deze vast conform het liquidatietarief. Het boetebeding in artikel 17.4 wordt als oneerlijk beoordeeld omdat het een disproportionele boete oplegt aan de huurder, waardoor het buiten toepassing wordt gelaten.

De vordering tot betaling van de huurachterstand en buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen, evenals de proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van huurachterstand en incassokosten toe, verklaart het boetebeding en proceskostenbeding deels oneerlijk en veroordeelt gedaagde in proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12143096 CV EXPL 26-3868
vonnis van: 17 april 2026
fno.: 506

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de stichting Stichting HVO-QUERIDO

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam
eisende partij
gemachtigde: Van der Hoeden / Mulder Gerechtsdeurwaarders en Juristen
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen

Verloop van de procedure

Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.

Gronden van de beslissing

1. Eisende partij vordert betaling van huurachterstand met nevenvorderingen.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
3. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten (onder)huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] te [plaats] en de daarop van toepassing zijnde algemene huurvoorwaarden van de betrokken woningcorporatie (Eigen Haard) d.d. 1 november 2016 (hierna: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht. De betreffende huurovereenkomst is per 6 oktober 2025 beëindigd.
4. Eisende partij heeft in de dagvaarding het standpunt ingenomen dat artikel 17.3 van de algemene voorwaarden (het incassokosten beding) niet onredelijk is nu dit (aldus eisende partij) aansluit bij het in de wet bepaalde.
5. Het huurprijsbeding (artikel 5 lid Pro 1) en het servicekostenbeding (artikel 5 lid Pro 3) van de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
6. De bedingen die voor de beoordeling van de onderhavige vordering relevant zijn, te weten artikel 5 lid Pro 2 (huurprijswijziging) van de huurovereenkomst en de artikelen 4 (huurprijswijziging) en 5.1 (wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.
7. Ook de artikelen 17.2 en 17.3 van de Algemene voorwaarden zijn getoetst. Voor zover deze artikelen betrekking hebben op de buitengerechtelijke kosten, acht de kantonrechter deze bedingen, in het licht van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 9 december 2025 (ECLI:NL:GHMAS:2025:3360), niet oneerlijk.
8. Artikel 17.2 van de Algemene voorwaarden heeft ook betrekking op de proceskosten. In dat verband overweegt de kantonrechter het volgende. Het beding luidt als volgt:

Artikel 17: Verzuim Pro

(….)

17.2
tekortschieten
Als verhuurder of huurder toerekenbaar tekortschiet in het nakomen van enige verplichting die wettelijk of door de huurovereenkomst op hem rust en de andere partij moet daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen nemen, dan zijn alle de daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij.
9. Artikel 17.2 is oneerlijk voor zover het betrekking heeft op de proceskosten, omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv Pro kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
10. Tot slot is ook artikel 17.4 van de algemene voorwaarden nog door de kantonrechter getoetst. Dit artikel luidt als volgt

Artikel 17.4 boetebeding bij niet-nakoming

Indien huurder tekortschiet in de nakoming van enige verplichting uit de huurovereenkomst, dan wel uit deze algemene voorwaarden, is huurder een onmiddellijke opeisbare boete van € 50,00 per kalenderdag met een maximum van € 5.000,- verschuldigd, onverminderd het recht van verhuurder om naast de boete schadevergoeding, nakoming en/of ontbinding te vorderen. Deze boete geldt niet ten aanzien van verplichtingen uit de huurovereenkomst, dan wel uit deze algemene voorwaarden waar reeds een specifieke boete voor is overeengekomen.

11. Artikel 17.4 van de algemene voorwaarden, zoals hierboven is geciteerd, is oneerlijk. Dit artikel geeft eisende partij namelijk de mogelijkheid een boete op te leggen aan de huurder als deze de huur niet volledig en op tijd betaalt (zie artikel 7.1 van de algemene voorwaarden). Deze boete is of kan veel hoger zijn dan de wettelijke rente, die een consument normaliter is verschuldigd. Dit maakt dat het boetebeding het evenwicht tussen partijen aanzienlijk verstoort, in het nadeel van de consument.
12. Het voorgaande betekent dat het onder r.o. 10 geciteerde beding buiten toepassing wordt gelaten en de gevorderde wettelijke rente wordt afgewezen.
De vordering
13. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zal worden toegewezen.

Beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
a) € 1.814,41 ter zake van achterstallige huur met betrekking tot de woning aan het adres [adres] te [plaats] , berekend tot en met het einde van de huurovereenkomst (6 oktober 2025);
b) € 513,28 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten (inclusief btw);
veroordeelt de gedaagde in de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,77 aan explootkosten, € 217,00 aan salaris gemachtigde, € 397,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.