Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4334

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
12137832 CV EXPL 26-3730
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningRichtlijn 93/13/EGArt. 6:96 BWArt. 237 RvArt. 555 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomsten en ontruiming wegens huurachterstand met ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen

Eiseres, ASR Dutch Core Residential Custodian B.V., vordert ontbinding van de huurovereenkomsten voor een woning en een parkeerplaats, ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. Gedaagden zijn niet verschenen, waardoor verstek is verleend.

De kantonrechter toetst ambtshalve de huurovereenkomsten aan Richtlijn 93/13/EG inzake oneerlijke bedingen, omdat het hier gaat om een overeenkomst tussen handelaar en consument. Kernbedingen zoals huurprijs en servicekosten zijn uitgesloten van toetsing, maar specifieke bepalingen over boetes en incassokosten worden als oneerlijk beoordeeld en buiten toepassing gelaten.

De boetebepaling bij niet-tijdige betaling en het beding over buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten in de huurovereenkomst parkeerplaats zijn oneerlijk omdat ze de consument onredelijk benadelen. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en rente wordt afgewezen. De huurovereenkomsten worden ontbonden, gedaagden worden veroordeeld tot ontruiming binnen twee weken en tot betaling van de huurachterstand en proceskosten.

Uitkomst: De huurovereenkomsten worden ontbonden, gedaagden veroordeeld tot ontruiming binnen twee weken en betaling van huurachterstand en proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12137832 CV EXPL 26-3730
vonnis van: 21 april 2026
fno.: 506

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap ASR Dutch Core Residential Custodian B.V.

gevestigd te Utrecht
eisende partij
gemachtigde: Dw. H. Geerlings
t e g e n

1. [gedaagde 1]

2. [gedaagde 2]

beiden wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen

Verloop van de procedure

Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.

Gronden van de beslissing

1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomsten en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.
Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening
2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomsten met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres 1] te ( [postcode] ) [plaats] en de daar onlosmakelijk mee verbonden parkeerplaats behorende bij het [complexnaam] op het parkeerterrein, gelegen aan de achterzijde en met in- en uitrit aan de [adres 2] te [plaats] , almede de op de huurovereenkomst woning van toepassing zijnde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (verder: de algemene voorwaarden woning) in het geding gebracht.
5. Eisende parti heeft bij dagvaarding het standpunt ingenomen dat zij zich voor wat betreft de ambtshalve toetsing van specifieke bepalingen in de huurovereenkomst of de daar onderdeel van uitmakende algemene voorwaarden aan het oordeel van de kantonrechter zal conformeren en dat zij geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid zich daarover nader uit te laten.
6. De huurprijs- en servicekostenbedingen in de huurovereenkomsten (woning en parkeerplaats) zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
7. Voor wat betreft de woning betreft het geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de onderhavige vordering relevant zijn, te weten artikel 12.2 (huurprijswijziging) in de huurovereenkomst woning en de artikelen 8.3 (wijziging voorschot servicekosten) en 10.1 t/m 10.5 (huurprijswijziging) in de huurovereenkomst parkeerplaats, almede de artikelen 16 (huurprijswijziging) en 17.13 (wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden woning zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.
8. Ook de artikelen 4.2 en 20.1 in de huurovereenkomst parkeerplaats zijn door de kantonrechter getoetst. Deze artikelen luiden als volgt:
4.2
Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 10% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als volle maand geldt, met een minimum van € 20,-- per maand.
20.1
In alle gevallen waarin verhuurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of tot ontruiming te dwingen, is huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechtelijke beslissing door verhuurder te betalen proceskosten aan verhuurder te voldoen. De gemaakte kosten worden tussen partijen bij voorbaat vastgesteld op een bedrag dat niet lager is dan het gebruikelijke tarief dat door gerechtsdeurwaarders wordt gehanteerd.
9. Artikel 4.2 in de huurovereenkomst parkeerplaats geeft eiseres de mogelijkheid een boete op te leggen aan de huurder als deze de huur niet volledig en op tijd betaalt. Deze boete is of kan veel hoger zijn de wettelijke rente, die een consument normaliter is verschuldigd. Dit maakt dat het boetebeding het evenwicht tussen partijen aanzienlijk verstoort, in het nadeel van de consument. Het beding is daarom oneerlijk.
10. Het beding over buitengerechtelijke incassokosten in de huurovereenkomst parkeerplaats (artikel 20.1) is oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan. Het beding over buitengerechtelijke incassokosten is daarom oneerlijk.
11. Artikel 20.1 in de huurovereenkomst parkeerplaats is ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv Pro kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
12. Eisende partij heeft te kennen gegeven zich hieraan te zullen conformeren en zich hierover niet te willen uitlaten.
13. Het voorgaande betekent dat de onder r.o. 8 geciteerde bedingen buiten toepassing worden gelaten en de buitengerechtelijke incassokosten en rente over de huurachterstand parkeerplaats worden afgewezen.
14. De buitengerechtelijk incassokosten en rente over de huurachterstand woning zijn in beginsel wel toewijsbaar. Echter nu eisende partij slechts betaling van één bedrag aan huurachterstand woning en parkeerplaats heeft gevorderd, zijn er onvoldoende aanknopingspunten om tot splitsing over te gaan. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente worden daarom in zijn geheel afgewezen.
De vordering
15. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de ontruimingstermijn nog is overwogen.
16. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.

BESLISSING

De kantonrechter:
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomsten met betrekking tot de onroerende zaken de woning aan het adres [adres 1] te ( [postcode] ) [woonplaats] en de daar onlosmakelijk mee verbonden parkeerplaats behorende bij het [complexnaam] op het parkeerterrein, gelegen aan de achterzijde en met in- en uitrit aan de [adres 2] te [woonplaats] ;
veroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaken met al wie en al wat zich daarin vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
a. a) € 14.841,75 ter zake van achterstallige huur woning en parkeerplaats, berekend tot en met 28 februari 2026;
b) € 1.958,00 per maand vanaf 1 maart 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 154,10 aan explootkosten, € 432,00 aan salaris gemachtigde, € 1.504,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
bepaalt dat de veroordelingen onder III en IV hoofdelijk gelden in die zin dat beide gedaagden voor het geheel gehouden zijn tot betaling en dat, als de ene gedaagde een (deel van de) vordering heeft betaald aan eisende partij, ook de andere gedaagde tegenover eisende partij (voor dat deel) is gekweten;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.