Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4374

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
AMS 26/1832 en AMS 26/1835
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke handhaving last onder dwangsom voor verwijderen dakterras en buitentrap

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan eiser een last onder dwangsom op om een dakterras en bijbehorende buitentrap te verwijderen, omdat deze niet vergund zouden zijn. Eiser voerde aan dat het dakterras al sinds 1896 vergund zou zijn en dat de last buitenproportioneel is vanwege de financiële en contractuele gevolgen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het dakterras niet aannemelijk vergund is, mede omdat de tekeningen uit 1896 en 1904 onvoldoende bewijs vormen en het dakterras pas rond 2012 zichtbaar werd op luchtfoto’s. Het college was daarom bevoegd de last op te leggen. Ook was er geen concreet zicht op legalisatie, omdat eiser geen nieuwe aanvraag had ingediend.

De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het algemeen belang bij handhaving zwaarder weegt dan de belangen van eiser. De last onder dwangsom blijft daarom in stand. De voorzieningenrechter verlengde de begunstigingstermijn tot zes weken na de uitspraak om eiser meer tijd te geven aan de last te voldoen zonder dwangsomverbeurdverklaring.

Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding en het beroep werd ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wordt ongegrond verklaard en de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 26/1832 (beroep) en AMS 26/1835 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.W. Giltay Veth),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (hierna: het college)
(gemachtigde: A. Danişman).

Procesverloop

1. Bij besluit van 27 mei 2025 (hierna: het primaire besluit) heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, strekkende tot het verwijderen en verwijderd houden van het dakterras en de bijbehorende buitentrap van het pand [adres] . Eiser is eigenaar van het pand en verhuurt dit. Als eiser niet aan die last voldoet, moet hij een dwangsom van € 10.000,- ineens betalen. Daarbij is een begunstigingstermijn van zes weken gegeven. Naar aanleiding van een verzoek van eiser is die begunstigingstermijn vervolgens door het college verlengd tot zes weken na een nog in te dienen aanvraag ter legalisatie, als die uiterlijk op 1 oktober 2025 volledig zou zijn ontvangen.
2. Eiser heeft geen nieuwe aanvraag ingediend, maar wel bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft op 22 oktober 2025 uitspraak gedaan, waarbij de last onder dwangsom is geschorst tot zes weken na de nog te nemen beslissing op bezwaar. [1]
3. De beslissing op bezwaar is op 27 februari 2026 genomen (hierna: het bestreden besluit). Daarbij heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en is de last onder dwangsom in stand gebleven.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Op 8 april 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen en bepaald dat het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, bouwkundige [naam] en de gemachtigde van het college.
6. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep. [2]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is er sprake van een vergunning voor het dakterras met bijbehorende trap?
7. Eiser stelt dat het dakterras is vergund. Hij wijst daarbij op een bouwvergunning uit 1896, waarbij op de tekeningen een ‘plat’ staat, met daar naartoe een deursparing. Dit duidt op een dakterras. In 1904 is vervolgens het hekwerk om het dakterras heen vergund, zoals is te zien op de tekeningen. Omdat de oorspronkelijke toegang naar het dakterras (via de deur van nummer [nummer] ) toen kwam te vervallen, is er een buitentrap aangebracht. Bovendien heeft eiser in 2020 een andere omgevingsvergunning aangevraagd, waarbij het dakterras op de tekening is vermeld. Vanuit Monumentenzorg en een gemeenteambtenaar zijn er vragen gesteld over het dakterras en of dit wel legaal was. Uiteindelijk is de omgevingsvergunning verleend zonder dat daarbij bezwaren zijn geuit over het aanwezige dakterras.
8. Het college vindt het niet voldoende aannemelijk dat er ooit een omgevingsvergunning is verleend voor het dakterras en de bijbehorende trap. Een ‘plat’ wijst volgens het college op een plat dak en niet per se op een dakterras. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Staat (hierna: de Afdeling) blijkt volgens het college dat het feit dat een bouwwerk op een tekening staat bij een later verleende bouwvergunning, niet betekent dat dit eerder legaal is opgericht. [3] Bovendien wijkt de situatie van 1904 af van de huidige situatie, is het niet aannemelijk dat de trap al in 1904 aanwezig was en blijkt uit luchtfoto’s dat het dakterras voor het eerst rond 2012 te zien is.
9. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De voorzieningenrechter stelt vast dat op de tekeningen uit 1896 inderdaad een ‘plat’ en een uitsparing zijn getekend, maar kan niet vaststellen dat hiermee een dakterras is bedoeld en vergund. Op de bouwtekening uit 1904 is alleen een hek verbeeld. Van een aanvraag of vergunning voor het realiseren van een dakterras is niet gebleken. Dat het dakterras op bouwbetekeningen behorend bij een aanvraag uit 2020 voor het splitsen en wijzigen van de brandcompartimentering is vermeld, is ook onvoldoende voor de conclusie dat het dakterras is vergund. Het college was dus bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen.
Moest van handhaving worden afgezien?
10. Eiser voert aan dat zijn belangen zwaarder wegen dan die van het college. Volgens eiser zijn de financiële en contractuele gevolgen van verwijdering van het dakterras en de buitentrap ingrijpend. Daarbij valt te denken aan de verwijderingskosten, waardedaling van het appartement en vertrek van de huurder. Bovendien heeft het college de mogelijkheid tot legalisatie onvoldoende onderzocht. Ook is de opgelegde last volgens eiser buitenproportioneel. Omdat het dakterras en hek volgens eiser al in 1896 zijn vergund, gaat een vordering tot weghalen veel te ver.
11. De voorzieningenrechter stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat daarom in principe tegen een overtreding moet worden opgetreden. Bij de vraag of van handhavend optreden mag worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Volgens vaste rechtspraak is handhavend optreden alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan zo’n zwaar gewicht toekomt, dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. [4]
12. In dit geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van omstandigheden als gevolg waarvan het algemeen belang dat gediend is met handhaving zou moeten wijken. Eiser heeft geen nieuwe aanvraag gedaan en bovendien heeft het college duidelijk gemaakt de huidige toestand niet te willen vergunnen. Van concreet zicht op legalisatie is dus geen sprake. Ook is het de voorzieningenrechter niet gebleken dat er vanwege andere omstandigheden sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld in de vorige overweging.
Schending privacy buren
13. Eiser heeft aangevoerd dat er door het college wordt gesproken over de onevenredige gevolgen van het dakterras en de buitentrap voor de privacy van de bewoners van het buurpand aan de [adres] , maar dat de buren zelf niet aan de wettelijke vereisten voldoen wat betreft de erfafscheiding. Deze is volgens eiser te laag en de gemeente heeft ten onrechte een omgevingsvergunning verleend voor afwijking.
14. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit buiten de omvang van het geding valt. Nu dit beroep ziet op het bestreden besluit waarmee een last onder dwangsom aan eiser is opgelegd, kan de voorzieningenrechter in deze procedure niet oordelen over een omgevingsvergunning die aan de buren is verleend.
Schending motiveringsbeginsel
15. Volgens eiser heeft het college het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en daarbij de stukken van 19 december 2025 niet meegenomen. Deze staan namelijk niet genoemd in het bestreden besluit.
16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd. Uit het besluit blijkt voldoende wat er wordt besloten en waarop het college zich heeft gebaseerd. Dat niet alle overgelegde stukken daarin worden benoemd, doet daaraan niet af.

Conclusie

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft.
18. Op grond van de eerder getroffen ordemaatregel is de last onder dwangsom geschorst tot twee weken na deze uitspraak. Omdat dit een relatief korte termijn is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van ordemaatregel de termijn te verlengen tot zes weken na deze uitspraak om verzoeker meer tijd te geven aan de last te voldoen en de illegale situatie op tijd te beëindigen zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
19. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- treft de voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot 17 juni 2026.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan, voor zover deze gaat over het beroep, hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, ECLI:NL:RBAM:2025:8766.
2.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
3.Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3822.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4646.