ECLI:NL:RVS:2025:4646
Raad van State
- Hoger beroep
- E.J. Daalder
- N.H. van den Biggelaar
- M.M. Kaajan
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit woningvormingsvergunning en handhaving splitsing woning Den Haag
Appellante is sinds 2020 eigenaar van een zelfstandige woning op de tweede verdieping in Den Haag. Het college van burgemeester en wethouders stelde vast dat zij deze woning zonder woningvormingsvergunning had gesplitst in twee zelfstandige woningen, wat in strijd is met artikel 5:2 van Pro de Huisvestingsverordening Den Haag 2019. Het college legde haar een last onder dwangsom op om de splitsing ongedaan te maken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing was en dat appellante haar onderzoeksplicht niet had nageleefd. Appellante ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat het college haar de gerechtvaardigde verwachting had gewekt dat geen vergunning nodig was, mede door eerdere omgevingsvergunningen en navraag bij het college.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellante terecht mocht vertrouwen op de uitlatingen van het college in de vergunning van 11 augustus 2021 en dat zij aan haar onderzoeksplicht had voldaan. Het college had onvoldoende gemotiveerd hoe het rekening had gehouden met het gewekte vertrouwen en de investeringen van appellante. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de belangenafweging en mogelijke schadevergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot handhaving wordt vernietigd vanwege schending van het vertrouwensbeginsel en onvoldoende belangenafweging.