Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4431

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
13/214913-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 107 WVWArt. 9a SrArt. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens roekeloos rijden zonder motorrijbewijs met zwaar letsel slachtoffer

Op 16 oktober 2024 reed verdachte zonder geldig motorrijbewijs en met een snelheid tussen 93 en 110 km/u over de IJdoornlaan in Amsterdam, waar de maximumsnelheid 50 km/u was. Vlak voor een oversteekplaats voor voetgangers remde verdachte hard voor een voetganger die overstak, verloor de macht over het stuur en kwam ten val. De motor raakte de voetganger, die zwaar lichamelijk letsel opliep, waaronder meerdere botbreuken en een zware hersenschudding.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gedragen, mede door het ontbreken van een motorrijbewijs en het onvermogen de zware motor te beheersen. De snelheidsovertreding en het niet tijdig remmen zijn oorzakelijk voor het ongeval. Verdachte heeft ook verklaard zonder rijbewijs te hebben gereden.

De officier van justitie eiste een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, een taakstraf van 240 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 2 jaar. De rechtbank legt een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar, een taakstraf van 160 uur en een ontzegging van 1 jaar op. Voor het rijden zonder rijbewijs wordt geen aparte straf opgelegd. De motor wordt verbeurd verklaard.

De rechtbank weegt mee dat verdachte eerder een strafbeschikking had voor een verkeersfeit en dat het slachtoffer langdurig en ernstig letsel heeft opgelopen. Het rijgedrag van verdachte wordt als ernstige schuld aangemerkt. De rechtbank wijst het verweer af dat het slachtoffer schuld zou hebben aan het ongeval en benadrukt dat de hoge snelheid en het ontbreken van rijbewijs doorslaggevend zijn.

Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 26 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 1 maand voorwaardelijke gevangenisstraf, 160 uur taakstraf, 1 jaar ontzegging rijbevoegdheid en verbeurdverklaring motor wegens roekeloos rijden zonder rijbewijs met zwaar letsel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13.214913.25 [verdachte]
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/214913-25
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. S.M. van der Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.D. Rijnsburger, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 16 oktober 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende over de IJdoornlaan, zich zodanig, te weten roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel, te weten twee gebroken enkels, een gebroken hand, een gebroken oogkas, een gebroken schedel en een zware hersenschudding, werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de IJdoornlaan, komende uit de richting van de Volendammerweg, en gaande in de richting van de Zuiderzeeweg,
- terwijl aan verdachte nimmer een rijbewijs was afgegeven in de categorie die benodigd is voor het voertuig waarop verdachte reed,
- terwijl verdachte reed met een snelheid die (veel) hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid die (veel) te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse,
verdachte is een op de kruising van de IJdoornlaan met de Hilversumstraat gelegen oversteekplaats voor voetgangers en fietsers genaderd, waar een in zijn verdachtes rijrichting gekeerd bord J23 Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (“pas op voetgangers”) stond,
verdachte heeft vlak voor de kruising van de IJdoornlaan met de Hilversumstraat met een snelheid van (ongeveer) tussen de 93 en 110 kilometer per uur gereden,
verdachte heeft zich bij het naderen van de voornoemde kruising niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat de kruising van de IJdoornlaan met de Hilversumstraat vrij was van enig (kruisend) verkeer,
verdachte heeft vervolgens niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of
heeft verdachte de macht over het stuur verloren,
verdachte is vervolgens ten val gekomen, en met zijn, verdachtes, voertuig, over het wegdek gegleden, in de richting van de voornoemde oversteekplaats,
verdachte is (vervolgens) tegen [slachtoffer 2] , aangegleden en/of aangereden en/of aangebotst en/of over die [slachtoffer 2] heengereden, althans met die [slachtoffer 2] in botsing gekomen,
ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
(artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 oktober 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende over de IJdoornlaan, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de IJdoornlaan, komende uit de richting van de Volendammerweg, en gaande in de richting van de Zuiderzeeweg,
- terwijl aan verdachte nimmer een rijbewijs was afgegeven in de categorie die benodigd is voor het voertuig waarop verdachte reed,
- terwijl verdachte reed met een snelheid die (veel) hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid die (veel) te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse,
verdachte is een op de kruising van de IJdoornlaan met de Hilversumstraat gelegen oversteekplaats voor voetgangers en fietsers genaderd, waar een in zijn verdachtes rijrichting gekeerd bord J23 Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (“pas op voetgangers”) stond,
verdachte heeft vlak voor de kruising van de IJdoornlaan met de Hilversumstraat met een snelheid van (ongeveer) tussen de 93 en 110 kilometer per uur gereden,
verdachte heeft zich bij het naderen van de voornoemde kruising niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat de kruising van de IJdoornlaan met de Hilversumstraat vrij was van enig (kruisend) verkeer,
verdachte heeft vervolgens niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft verdachte de macht over het stuur verloren,
verdachte is vervolgens ten val gekomen, en met zijn, verdachtes, voertuig, over het wegdek gegleden, in de richting van de voornoemde oversteekplaats,
verdachte is (vervolgens) tegen [slachtoffer 2] , aangegleden en/of aangereden en/of aangebotst en/of over die [slachtoffer 2] heengereden, althans met die [slachtoffer 2] in botsing gekomen;
(artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 )
2.
hij op of omstreeks 16 oktober 2024 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets) heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de IJdoornlaan, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
(artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet Pro 1994)

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde. Het ongeval is aan de schuld van verdachte te wijten. Gezien de enorme snelheidsovertreding en het niet in het bezit zijn van een rijbewijs is sprake van zeer hoge mate van schuld. Als gevolg van het verkeersongeval heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Feit 2 kan eveneens worden bewezen, mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. Verdachte heeft verklaard dat hij niet te hard heeft gereden. De Forensische Opsporing Verkeer (hierna: FO Verkeer) stelt zelf in het proces-verbaal van onderzoek dat niet kan worden vastgesteld of de maximumsnelheid is overtreden. De indicatieve snelheid, zoals berekend door de FO Verkeer, is niet bruikbaar als bewijsmiddel want er zijn – kort samengevat – teveel variabelen, kanttekeningen, twijfels en gebreken in dat onderzoek. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat verdachte te hard heeft gereden en resteert geen voor een veroordeling relevante verkeersgedraging van verdachte.
De raadsman stelt subsidiair, indien de rechtbank aanneemt dat verdachte harder heeft gereden dan toegestaan, dat niet kan worden aangenomen dat dit in voldoende oorzakelijk verband staat tot het ongeval.
Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden gekomen tot een grotere mate van schuld dan aanmerkelijke schuld. Het ongeval is in overwegende mate ontstaan doordat aan verdachte geen voorrang is verleend, waardoor verdachte de noodstop moest maken.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier het volgende vast.
Op 16 oktober 2024 reed verdachte als bestuurder op een motor (van de zwaarste categorie, waarvoor rijbewijs categorie A vereist is) zonder dat hij over enig motorrijbewijs beschikte. Verdachte reed over de IJdoornlaan te Amsterdam, een voor hem welbekende weg, komende uit de richting van de Volendammerweg en gaande in de richting van de Zuiderzeeweg. De maximaal toegestane snelheid ter plaatse was 50 km/u. Op enig moment naderde verdachte twee vlak na elkaar gelegen oversteekplaatsen voor voetgangers waar voetgangers de IJdoornlaan kunnen oversteken. In de berm vóór de eerste oversteekplaats staat – zichtbaar voor het verkeer op de IJdoornlaan – een bord (J23 Bijlage 1 van het reglement Verkeersregels en verkeerstekens) dat waarschuwt voor de oversteekplaats(en).
Op het moment dat verdachte de oversteekplaatsen naderde, stak voetganger [slachtoffer 1] via de oversteekplaats de rijbaan van de IJdoornlaan over, komende uit de richting van de Hilversumstraat (zijde Hilverbeekstraat), gaande in de richting van de Gooiluststraat.
Hierop heeft verdachte, die nog steeds op De IJdoornlaan reed, hard geremd (naar eigen zeggen een noodstop gemaakt). Hierdoor is verdachte met motor en al ten val gekomen waarop de schuivende motor [slachtoffer 1] volop heeft geraakt.
Als gevolg van het ongeval heeft [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zij is direct na het ongeval opgenomen in het ziekenhuis waar zij ongeveer 2 weken heeft verbleven op de afdeling traumachirurgie. Vervolgens is zij overgedragen aan een revalidatie afdeling (Recura) waar zij tot ongeveer medio 2025 heeft moeten verblijven. [slachtoffer 1] heeft als gevolg van het ongeval – onder meer – haar schedel, oogkas, hand en beide enkels gebroken. Ook heeft zij een zware hersenschudding opgelopen. Zij heeft tot eind juni in een rolstoel gezeten. Het letsel van [slachtoffer 1] is (nog) niet hersteld en zij is nog altijd aan het revalideren.
Blijkens het onderzoek van de FO Verkeer werd voor verdachte en [slachtoffer 1] het zicht niet belemmerd door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg. Tevens is uit dit onderzoek gebleken dat verdachte vlak voor de aanrijding reed met een indicatieve snelheid van tussen de 93 en 110 km/u.
Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 (hierna: WVW)
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag, waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. [1]
Vaststaat dat verdachte op 24 april 2024 op een zware motor reed zonder in het bezit te zijn van een daarvoor geldig rijbewijs, zoals hij ook erkent.
De vraag is of kan worden vastgesteld dat verdachte ook te hard heeft gereden.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de indicatieve snelheidsberekening zoals volgt uit het proces-verbaal van de FO Verkeer. De FO Verkeer heeft onderbouwd toegelicht in het rapport welke – gangbare – methoden zijn gebruikt en hoe de berekeningen zijn uitgevoerd. Daarbij is telkens rekening gehouden met de voor verdachte meest gunstige variabelen. In het proces-verbaal wordt daarover expliciet aangegeven dat de (indicatieve) snelheden een onderschatting zijn van de daadwerkelijke snelheid doordat er bewust een lagere remvertraging is aangehouden, het snelheidsverlies door de botsing met het slachtoffer is weggelaten en doordat de motor al snelheid heeft verloren voordat het voorwiel gaat blokkeren. Dat in dit geval de snelheid van de motor kort voor het geval niet exact kan worden vastgesteld, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de deugdelijkheid en betrouwbaarheid van het onderzoek naar de indicatieve gereden snelheid. De rechtbank stelt op grond van dit onderzoek vast dat de motor een indicatieve snelheid had die lag tussen de 93 en 110 km/u. Op basis daarvan concludeert de rechtbank dat verdachte kort voor het ongeval in ieder geval veel harder heeft gereden dan de ter plaatse toegestane 50 km/u.
Dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij denkt dat hij rond de 50 km/u heeft gereden doet hieraan niet af. Verdachte heeft immers ook verklaard dat hij tijdens het rijden niet op zijn snelheidsmeter heeft gekeken. Daarbij wordt aan zijn eigen snelheidsinschatting overigens ook weinig waarde toegekend, gelet op zijn gebrek aan rijervaring op een dergelijke motor. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij tijdens zijn motorlessen op een andere soort motor had gereden.
Bij de beoordeling of het handelen van verdachte schuld oplevert in de zin van artikel 6 WVW Pro overweegt de rechtbank dat dit verkeersongeval moet worden gezien in het geheel van gedragingen en omstandigheden. Verdachte beschikte niet over enig motorrijbewijs, hij had slechts motorrijlessen gehad, en wel op een andere soort motor dan de onderhavige. Daardoor wordt verdachte niet in staat geacht om deze motor te beheersen en onder controle te houden, en meer in het bijzonder tijdig te kunnen laten stoppen indien nodig. Verdachte heeft onder die omstandigheden een oversteekplaats voor voetgangers genaderd, waarvan verdachte wist dat die daar aanwezig was, terwijl hij veel harder reed dan toegestaan. Verdachte heeft, afgaande op zijn verklaring ter terechtzitting daarover, niet op zijn snelheidsmeter gekeken en wilde snel op zijn werk zijn. Met name de combinatie van het onkundig zijn de (zware) motor te beheersen en (tijdig) veilig tot stoppen te brengen en het desondanks veel te hard rijden vlak voor de oversteekplaats, maakt dat de rechtbank dit rijgedrag als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam aanmerkt. Verdachte heeft, doordat hij met veel te hoge snelheid reed, hard moeten remmen voor de overstekende [slachtoffer 1] , en is daarbij vanwege het ontbreken van adequate voertuigbeheersing, met de motor onderuit gegaan. Hierdoor is de motor vervolgens frontaal op [slachtoffer 1] gebotst, die daar zwaar lichamelijk letsel aan heeft overgehouden. Het causale verband tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval met [slachtoffer 1] is met het voorgaande een gegeven. Dat [slachtoffer 1] verdachte voorrang had moeten geven, al dan niet, doet aan het voorgaande niet af. Verdachte reed veel te hard om überhaupt op het verkeersgedrag van [slachtoffer 1] te kunnen anticiperen, en ook voor [slachtoffer 1] om op verdachte te kunnen anticiperen. Een eventuele onvoorzichtigheid aan de kant van [slachtoffer 1] doet niet af aan de onvoorzichtigheid van verdachte in die zin dat deze voor verdachte geen schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro meer zou opleveren. Het verweer van de raadsman op dit punt wordt dan ook verworpen.
Het bovenstaande maakt dat de rechtbank het primair ten laste gelegde bewezen acht
.
Feit 2
De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen in het dossier, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde rijden zonder rijbewijs kan worden bewezen.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1.
op 16 oktober 2024 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende over de IJdoornlaan, zich zodanig, te weten zeeronvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel, te weten twee gebroken enkels, een gebroken hand, een gebroken oogkas, een gebroken schedel en een zware hersenschudding, werd toegebracht,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de IJdoornlaan, komende uit de richting van de Volendammerweg, en gaande in de richting van de Zuiderzeeweg,
- terwijl aan verdachte nimmer een rijbewijs was afgegeven in de categorie die benodigd is voor het voertuig waarop verdachte reed,
- terwijl verdachte reed met een snelheid die veel hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid die veel te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse,
verdachte is een op de kruising van de IJdoornlaan met de Hilversumstraat gelegen oversteekplaats voor voetgangers en fietsers genaderd, waar een in zijn verdachtes rijrichting gekeerd bord J23 Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (“pas op voetgangers”) stond,
verdachte heeft vlak voor de kruising van de IJdoornlaan met de Hilversumstraat met een snelheid van ongeveer tussen de 93 en 110 kilometer per uur gereden,
verdachte heeft zich bij het naderen van de voornoemde kruising niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist dat de kruising van de IJdoornlaan met de Hilversumstraat vrij was van enig (kruisend) verkeer,
verdachte heeft vervolgens niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en heeft de macht over het stuur verloren,
verdachte is vervolgens ten val gekomen, en met zijn, verdachtes, voertuig, over het wegdek gegleden, in de richting van de voornoemde oversteekplaats,
verdachte is vervolgens tegen [slachtoffer 2] aan gegleden, althans met die [slachtoffer 2] in botsing gekomen,
ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.
2.
op 16 oktober 2024 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets) heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de IJdoornlaan, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder 1 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, en een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. Tevens heeft de officier van justitie ten aanzien van feit 1 gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM), voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 2 (zijnde een overtreding) de toepassing van artikel 9a Strafrecht verzocht, gelet op de reeds voor feit 1 gevorderde strafoplegging.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van artikel 6 WVW Pro komt – bepleit dat dient te worden volstaan met de oplegging van een taakstraf. In strafmatigende zin dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat het slachtoffer zelf een relevante en causale verkeersfout heeft gemaakt waardoor het ongeval is ontstaan en dat verdachte zelf ook letsel heeft bekomen. Verzocht wordt een eventuele OBM in voorwaardelijke zin op te leggen. Verdachte heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn dagelijkse werk en daarmee zijn inkomsten.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval. Hij heeft zonder rijbewijs op de openbare weg een motor (van de zwaarste categorie, waarvoor rijbewijscategorie A vereist is) bestuurd die verdachte – zelfs met een geldig motorrijbewijs – pas op 24 jarige leeftijd mocht besturen. Hierdoor wordt verdachte geacht niet in staat te zijn de motor te beheersen en (tijdig) tot stoppen te brengen. Desondanks is verdachte met een veel te hoge snelheid een oversteekplaats voor voetgangers genaderd. Vervolgens is verdachte, omdat hij vanwege zijn hoge snelheid hard moest remmen voor een overstekende jonge vrouw, [slachtoffer 1] , ten val gekomen. Daarbij is [slachtoffer 1] , die over de oversteekplaats liep, geraakt door de motor en daarbij zwaar gewond geraakt. Door zijn gevaarzettende rijgedrag heeft verdachte onaanvaardbare risico’s genomen voor de verkeersveiligheid. Hij heeft zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker ernstig veronachtzaamd en gelet op de geldende jurisprudentie is met het handelen van verdachte sprake van ernstige schuld. De rechtbank rekent dit verdachte in ernstige mate aan.
Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring is duidelijk geworden dat het ongeval het leven van slachtoffer [slachtoffer 1] ingrijpend heeft veranderd en dat zij hiervan nog iedere dag de fysieke en mentale consequenties ondervindt.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 2 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder een strafbeschikking heeft opgelegd gekregen vanwege een WVW-feit. Dit neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
Op te leggen straf (feit1)
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS); de vertrekpunten die strafrechters hanteren bij het bepalen van straffen. Bij een bewezenverklaring van artikel 6 WVW Pro (zonder alcoholgebruik), en de vaststelling dat de verdachte ernstige schuld heeft aan het veroorzaken van het verkeersongeval als gevolg waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt een taakstraf van 160 uur met daarnaast een OBM voor de duur van 1 jaar als uitgangspunt genoemd. De rechtbank ziet geen reden om daar in strafmatigende zin van af te wijken. Ook niet om de OBM in voorwaardelijke zin op te leggen, zoals verzocht door de raadsman. Met de OBM wordt niet alleen beoogd verdachte te doordringen van het feit dat zijn rijgedrag buitengewoon gevaarlijk was, maar ook om verkeersdeelnemers gedurende enige tijd te beschermen tegen dit rijgedrag.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat gelet op de recidive van verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter deur passend en geboden is. In dit verband merkt de rechtbank op dat de in het aanvullend proces-verbaal van de politie van maart 2026 genoemde mutaties ten aanzien van verdachte niet meetellen als recidive. Gelet echter op de inhoud van dit proces-verbaal kan evenwel niet worden gesteld dat verdachte sinds het feit niet meer met politie en/of justitie in aanraking is gekomen ter zake verkeersfeiten. De rechtbank vindt daarom een voorwaardelijk strafdeel passend om verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw de fout in te gaan.
Alles afwegend legt de rechtbank voor feit 1 aan verdachte op een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf van 160 uren en een OBM voor 1 jaar.
Toepassing artikel 9a Sr ten aanzien van feit 2
De rechtbank overweegt dat onder 2 is bewezenverklaard dat verdachte heeft gereden zonder rijbewijs (artikel 107 WVW Pro, zijnde een overtreding), terwijl dit ook onder 1 is bewezenverklaard als onderdeel van de overtreding van artikel 6 WVW Pro. Daarmee rekening houdend en gezien de strafoplegging ten aanzien van feit 1, zal de rechtbank voor feit 2, zijnde een overtreding, niet nog een separate straf opleggen, maar verdachte schuldig verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.

9.Beslag

9.1.
Beslag
Onder verdachte is in beslaggenomen een motorfiets van het merk Yamaha met kenteken [kentekennummer] (goednummer 6567440).
9.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de motor verbeurd te verklaren.
9.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over het beslag.
9.4.
Het oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
De motor behoort aan verdachte toe. Nu met betrekking tot dit voorwerp het onder 1 en 2 bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp – conform de vordering van de officier van justitie – verbeurdverklaard.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1, primair:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
ten aanzien van feit 2:
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
ten aanzien van feit 1:
Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot een
gevangenisstrafvan
1 (één) maand.
Bepaalt dat deze straf
niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot een
taakstrafvan
160 (honderdzestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen.
Ontzegtverdachte de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van
1 (één) jaar.
ten aanzien van feit 2:
Bepaalt dat ten aanzien van
feit 2 geen straf of maatregelwordt opgelegd.
Verklaart verbeurd:
een motorfiets van het merk Yamaha met kenteken: [kentekennummer] (goednummer 6567440).
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.S. Dogan, voorzitter,
mrs. D. Bode en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.A. Baaijens, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2026.

Voetnoten

1.Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, van 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008: BD0544, en van 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.