Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
2.De feiten
erflaatster). Erflaastster
het pand). Op 28 december 2015 heeft zij het 25/57e onverdeeld aandeel van de juridische eigendom van het pand geleverd aan [gedaagde] en tevens de economische eigendom van de bovenwoning van het pand, tegen een koopsom van € 250.000,-. De koopsom is omgezet in een (hypothecaire) geldlening. De koopsom is gebaseerd op een taxatierapport van 18 december 2015. Erflaatster was op het moment van haar overlijden dus eigenaar van 32/57e aandeel in het pand en [gedaagde] van 25/57e aandeel in het pand.
3.Het geschil
4.De beoordeling van de ontvankelijkheid van de tegenvordering van [gedaagde]
5.De beoordeling van de vordering en de tegenvordering
meersubsidiaire vordering van [gedaagde] om het pand te splitsen. Echter, voor het geval zou blijken dat de subsidiaire vordering in de praktijk niet uitvoerbaar blijkt (bijvoorbeeld omdat er geen koper wordt gevonden) overweegt de rechtbank als volgt. Tijdens de hoger beroep procedure in kort geding hebben partijen afgesproken dat de mogelijkheid van splitsing van het pand zou worden onderzocht. Dat is gedaan, maar daar is verder geen concreet gevolg aan gegeven. [eiser] wil nu niet meer meewerken aan het splitsen van het pand, omdat uit het onderzoek is gebleken dat de kosten en de duur van het splitsingstraject ongewis zijn. Dat komt onder andere doordat het voor de splitsing nodig is de fundering te laten onderzoeken. Van [eiser] kan rechtens niet worden verlangd dat hij al die tijd in de onverdeelde gemeenschap blijft, terwijl niet duidelijk is hoe lang dat zal duren en hoe de daarmee gepaard gaande kosten betaald kunnen worden. De rechtbank wijst daarom reeds bij voorbaat deze meer subsidiaire vordering af.
6.De beslissing
binnen vier maandenna heden lukt om haar aandeel te verkopen, zoals hiervoor in 6.3.2 tot en met 6.3.4 is bepaald;