De rechtbank Amsterdam heeft in deze zaak geoordeeld over haar rechtsmacht ten aanzien van collectieve vorderingen van twee stichtingen tegen Apple Distribution International Ltd. en Apple Inc. De stichtingen vorderen namens gebruikers van de Nederlandse App Store schadevergoeding wegens vermeende mededingingsrechtelijke inbreuken door Apple, met name het inhouden van buitensporige commissies.
De rechtbank stelt vast dat zij bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen ten behoeve van alle in Nederland wonende of gevestigde gebruikers van de App Store, mede op basis van een arrest van het Hof van Justitie van de EU dat artikel 7, punt 2, van Verordening Brussel I bis uitlegt. Voor vorderingen namens ontwikkelaars van apps die via de App Store worden aangeboden, verklaart de rechtbank zich onbevoegd.
Daarnaast is de rechtbank ingegaan op het toepasselijke collectieve actierecht (WAMCA) en het overgangsrecht. Omdat de vorderingen betrekking hebben op een reeks van gebeurtenissen die zowel voor als na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, is onduidelijk welk regime van toepassing is. Deze vraag ligt voor bij de Hoge Raad in twee aanhangige procedures. Daarom wordt de beslissing over het toepasselijk collectief actierecht aangehouden totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan.
De rechtbank geeft partijen de gelegenheid om na de Hoge Raad-uitspraak binnen zes weken een akte in te dienen over de betekenis daarvan voor deze procedure. Tevens wordt RCJ in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een akte in te dienen over wijzigingen in haar organisatiestructuur. De zaak wordt vervolgens verwezen naar de parkeerrol van 1 oktober 2026, waarna verdere behandeling volgt.