Conclusie
gevestigd te Amsterdam,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht Stellantis Europe S.P.A., voorheen FCA Italy S.P.A.,
gevestigd te Turijn, Italië,
gevestigd te Turijn, Italië,
gevestigd te Auburn Hills, Michigan, Verenigde Staten van Amerika,
5. FCA Netherlands B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
1.Inleiding
In cassatie rijst de vraag of de Nederlandse rechter op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv Pro als forum van de Nederlandse ankergedaagde (FCA NL of Stellantis) internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de collectieve vorderingen tegen de buitenlandse autofabrikanten (Stellantis Europe, Alfa Romeo en FCA US). Geldt voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv Pro als afzonderlijke voorwaarde dat het voor de buitenlandse medegedaagden voorzienbaar moet zijn geweest dat zij gedagvaard zouden kunnen worden voor het thuisforum van de ankergedaagde? En in hoeverre is voor de toepassing van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv Pro vereist dat de belangenorganisatie met haar collectieve vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse medegedaagden opkomt voor dezelfde groep van gedupeerden?
Verder rijst in cassatie de overgangsrechtelijke vraag of de ontvankelijkheid van SDEJ in deze collectieve actie moet worden beoordeeld volgens art. 3:305a (oud) BW of de per 1 januari 2020 in werking getreden Wet afwikkeling massaschade in een collectieve actie (WAMCA). Dit vraagt om een uitleg van art. 119a lid 2 Overgangswet nieuw BW, waarin is bepaald dat art. 3:305a (oud) BW van toepassing blijft op collectieve acties die zijn ingesteld op of na 1 januari 2020 voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016.
In deze zaak spelen vergelijkbare vragen als in zaak 25/00198 tussen Mercedes c.s. en Stichting Emission Claim, waarin door A-G Snijders heden ook conclusie wordt genomen.
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep
Het hof miskent dat voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv Pro niet als zelfstandige eis geldt dat het voor de buitenlandse medegedaagden (Stellantis Europe, Alfa Romeo en FCA US) voorzienbaar was dat zij gedagvaard zouden kunnen worden voor het gerecht in de staat van de woonplaats van de ankergedaagde (FCA NL of Stellantis). (
subonderdeel 1.1)
Indien voor het aannemen van rechtsmacht wel een zelfstandige voorzienbaarheidseis geldt, miskent het hof dat dit vereiste alleen geldt wanneer de vorderingen tegen de ankergedaagde en buitenlandse medegedaagden een verschillende rechtsgrondslag hebben. Dat is in deze zaak niet het geval. Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat de vorderingen van SDEJ zijn gebaseerd op verschillende rechtsgrondslagen, is dit oordeel ontoereikend gemotiveerd. (
subonderdeel 1.2)
Indien voor het aannemen van rechtsmacht wel een zelfstandige voorzienbaarheidseis geldt, hanteert het hof een te strenge maatstaf bij de beoordeling of aan dat vereiste is voldaan. Het gaat immers om de voorzienbaarheid van de bevoegde rechter, niet van de inhoud van de vordering of van de personen voor wie wordt opgekomen. Niet kan als eis worden gesteld dat voorzienbaar is ten behoeve van welke gedupeerden of ten aanzien van welke transacties specifiek wordt opgekomen. (
subonderdeel 1.3)
Onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de autofabrikanten niet konden voorzien dat zij in Nederland gedagvaard zouden kunnen worden met betrekking tot voertuigen die buiten Nederland zijn gekocht of geleased. De rechtsmacht op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv Pro is niet beperkt tot vorderingen die zien op normschendingen of schade in Nederland. (
subonderdeel 1.4)
Bij het slagen van een of meer van de voorgaande klachten kan evenmin stand houden het oordeel van het hof dat met Stellantis als ankergedaagde het gebrek aan voorzienbaarheid ook in de weg staat aan rechtsmacht van de Nederlandse rechter voor zover SDEJ met haar collectieve actie opkomt voor buitenlandse gedupeerden. (
subonderdeel 1.5)
Het oordeel van het hof met Stellantis als ankergedaagde geeft bovendien blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is ontoereikend gemotiveerd. Op grond van de stelling van SDEJ dat Stellantis als topholding daadwerkelijk beleidsbeslissingen neemt ten aanzien van het gehele concern, kan een nauwe band tussen de vorderingen tegen Stellantis en tegen de autofabrikanten worden gebaseerd op het vermoeden dat een moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochtermaatschappijen waarvan zij direct of indirect het volledige kapitaal in handen heeft. Hiermee is voldaan aan een eventuele voorzienbaarheidseis. (
subonderdeel 1.6)
Verder merk ik, voor alle zekerheid, nog het volgende op. Voor zover het hof met zijn bevoegdheidsoordeel aansluiting zou hebben gezocht bij het (op grond van de WAMCA per 1 januari 2020 geïntroduceerde) territoriale ontvankelijkheidsvereiste van art. 3:305a lid 3 onder b BW, [54] miskent het hof dat de internationale bevoegdheid op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis moet worden beoordeeld los van de ontvankelijkheidsvereisten naar nationaal procesrecht. [55] De ontvankelijkheid van SDEJ komt pas aan bod nadat is vastgesteld dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van deze collectieve actie.
Het hof miskent dat, wanneer een reeks van gebeurtenissen aan een collectieve actie ten grondslag wordt gelegd waarvan sommige hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016 en sommige na 15 november 2016, het overgangsrecht in art. 119a lid 2 Overgangswet nieuw BW meebrengt dat de gehele collectieve actie wordt beheerst door de WAMCA. (
subonderdeel 2.1)
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de door SDEJ aan de collectieve actie ten grondslag gelegde gebeurtenissen voor 15 november 2016 te zeer verschillen van die van daarna om te kunnen spreken van een reeks van gebeurtenissen, hanteert het hof een onjuiste maatstaf, althans is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het verweten handelen met betrekking tot Euro 5 en Euro 6 voertuigen is identiek, althans gelijksoortig. Alle modellen van deze voertuigen zijn voorzien van identieke, althans soortgelijke verboden manipulatie-instrumenten. Het verweten handelen vond zowel voor als na 15 november 2016 plaats. (
subonderdeel 2.2)
Onbegrijpelijk is waarom het moment waarop Euro 5 en Euro 6 voertuigen in het verkeer zijn gebracht, bepalend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een gebeurtenis of gebeurtenissen in de zin van het overgangsrecht. (
subonderdeel 2.4)
SDEJ heeft niet alleen een reeks van gebeurtenissen aan haar vorderingen ten grondslag gelegd maar ook een voortdurend handelen (de aanwezigheid van verboden manipulatie-instrumenten in Euro 5 en Euro 6 voertuigen) dat zich uitstrekte voor en na 15 november 2016. Het hof miskent dat als gevolg van dit voortdurend handelen de gehele collectieve actie wordt beheerst door de WAMCA. (
subonderdeel 2.5)
De subonderdelen 2.1 en 2.2 falen omdat zij uitgaan van een onjuiste uitleg van het overgangsrecht van de WAMCA. Het middel miskent namelijk dat een knip in het toepasselijke collectieve actie-regime dient te worden gemaakt voor zover de vorderingen betrekking hebben op een door het middel bedoelde reeks van gebeurtenissen die zowel voor als na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. De door het middel bepleite uitleg van het overgangsrecht van de WAMCA op grond van de reeksbenadering dient te worden verworpen. [67] Ook subonderdeel 2.4 lijkt te zijn gebaseerd op de reeksbenadering [68] en faalt daarmee in het voetspoor van de voorgaande subonderdelen. Maar ook overigens zal de klacht niet tot cassatie kunnen leiden. Het moment waarop de Euro 5 en Euro 6 voertuigen in het verkeer zijn gebracht kan namelijk wel relevant zijn voor het bepalen van het toepasselijke collectieve actie-regime, voor zover de vorderingen van SDEJ zijn gebaseerd op het verwijt dat Stellantis c.s. en de dealers voertuigen in het verkeer hebben gebracht die zijn voorzien van een manipulatie-instrument. Nu SDEJ haar vorderingen mede heeft gebaseerd op deze grondslag, [69] heeft het hof het in het verkeer brengen van de voertuigen kunnen aanmerken als een relevante gebeurtenis in de zin van het overgangsrecht, maar alleen voor zover het gaat om de vorderingen die op deze grondslag zijn gebaseerd. [70] Subonderdeel 2.5 faalt eveneens. Kennelijk heeft het hof in de stellingen van SDEJ dat Euro 5 en Euro 6 voertuigen als gevolg van de verboden manipulatie-instrumenten voor en na 15 november 2016 voortdurend niet hebben voldaan aan het levensurencriterium van art. 4 lid 2 van Pro de Emissieverordening, geen voor de toepassing van het overgangsrecht relevante voortdurende gebeurtenis gelezen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het hof van oordeel dat, op basis van een aan het hof voorbehouden uitleg van de stellingen van SDEJ, voldoende duidelijk is wanneer (voor en na 15 november 2016) de door SDEJ gestelde schade is ingetreden en door welk deel van de door SDEJ aan haar vordering ten grondslag gelegde gebeurtenis deze is veroorzaakt. [71]
4.Bespreking van het middel in het incidentele cassatieberoep
onderdeel 1van het incidentele cassatieberoep. Daarin bestrijdt het middel het oordeel van het hof in rov. 4.10 van het tussenarrest dat de vorderingen tegen de autofabrikanten ieder voor zich een nauwe band hebben (art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis) respectievelijk samenhangen (art. 7 lid 1 Rv Pro) met de vorderingen tegen de importeur. [73] Het middel leidt de klachten als volgt in. Stellantis c.s. hebben in feitelijke instanties betoogd dat SDEJ met haar vorderingen tegen de importeur (die in Nederland voertuigen heeft gedistribueerd) niet opkomt voor personen die buiten Nederland, elders in de Europese Unie, een (niet door de importeur gedistribueerd) voertuig hebben gekocht of geleased. Voor deze buitenlandse gedupeerden is aan het adres van de importeur geen verwijt gemaakt, laat staan een concreet onderbouwde vordering ingesteld. In dat geval biedt art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis geen grondslag voor de Nederlandse rechter om rechtsmacht aan te nemen voor de vorderingen van SDEJ waarmee wordt opgekomen voor de buitenlandse gedupeerden en die zijn ingesteld tegen de autofabrikanten met de importeur als ankergedaagde, omdat eenzelfde situatie feitelijk en rechtens ontbreekt.
subonderdeel 1.1wordt aangevoerd dat het hof in rov. 4.10, tweede alinea, eerste volzin een onjuiste maatstaf hanteert bij de toepassing van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis. Het hof beoordeelt slechts of ‘in voldoende mate’ sprake is van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens, terwijl het had moeten beoordelen of afzonderlijke behandeling van de vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse medegedaagden kan leiden tot onverenigbare beslissingen, zodanig dat niet alleen sprake is van een divergentie in de beslechting van het geschil, maar dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens. Door in rov. 4.10, tweede alinea, eerste volzin beslissend te achten of ‘in voldoende mate’ sprake is van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens, miskent het hof dat art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis als uitzondering op de hoofdregel in art. 4 lid 1 Brussel Pro I-bis restrictief moet worden uitgelegd, aldus de klacht.
subonderdeel 1.3komt erop neer dat het hof miskent dat vorderingen van, voor of namens de buitenlandse gedupeerden tegen de autofabrikanten alleen een nauwe band in de zin van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis kunnen hebben met vorderingen tegen de importeur, indien met de vorderingen tegen de importeur wordt opgekomen voor (precies) diezelfde buitenlandse gedupeerden, althans tegen de importeur vorderingen van of namens (precies) diezelfde buitenlandse gedupeerden worden ingesteld. Althans miskent het hof, zo vervolgt de klacht, dat van een nauwe band in de zin van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis geen sprake kan zijn voor zover met de vorderingen tegen de buitenlandse medegedaagden (ook) wordt opgekomen voor personen waarvoor met de vorderingen tegen de ankergedaagde niet wordt opgekomen. De klachten van de
subonderdelen 1.4 t/m 1.7sluiten hierop aan of bouwen hierop voort.
Het hof miskent dat art. 3:305a (oud) BW van toepassing is als de vordering (overwegend) betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. (
subonderdeel 2.1.1)
Althans, het hof miskent dat als de vordering betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die zowel voor als na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, een knip moet worden gemaakt: art. 3:305a (oud) BW is alleen van toepassing voor zover de vordering betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. (
subonderdeel 2.1.2)
subonderdeel 2.13slaagt hiermee eveneens.
subonderdelen 2.2 t/m 2.4hebben betrekking op rov. 4.15, laatste alinea, waarin het hof overweegt dat voor de vaststelling of sprake is van een of meer gebeurtenissen die (uitsluitend) voor dan wel vanaf 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, acht dient te worden geslagen op de stellingen van SDEJ en de betwistingen van geïntimeerden, dat bewijs niet aan de orde is en dat een aanwijzing op grond van de stellingen van partijen voldoende is.
Subonderdeel 2.2voert aan dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het in rov. 4.15, laatste alinea uit het oog zou hebben verloren dat voor het overgangsrecht beslissend is of de rechtsvordering betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016 en dat het er niet om gaat of sprake is van een of meer gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. De klacht mist feitelijke grondslag. Zowel uit de algemene uiteenzetting van het overgangsrecht in rov. 4.15, eerste alinea (‘voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016’) als uit de toepassing daarvan op de onderhavige zaak in rov. 4.17 (‘De collectieve vorderingen van [SDEJ] met betrekking tot de Euro 5 voertuigen hebben daarmee uitsluitend betrekking op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden’) en in rov. 4.18 (‘De collectieve vorderingen met betrekking tot deze Voertuigen hebben dan ook niet (uitsluitend) betrekking op gebeurtenis(sen) van voor 15 november 2016’), blijkt genoegzaam dat het hof heeft beoordeeld of de rechtsvordering van SDEJ betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor of na 15 november 2016.
Subonderdeel 2.3voert aan dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel in rov. 4.15, laatste alinea, dat bewijs niet aan de orde is voor de vaststelling of sprake is van een rechtsvordering die betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die voor of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. De klacht faalt reeds omdat daarbij geen belang bestaat. Het hof heeft zijn overweging omtrent bewijs niet ten grondslag gelegd aan c.q. toegepast bij zijn oordeel over het toepasselijke collectieve actie-regime op de vorderingen van SDEJ in rov. 4.16 e.v. Stellantis c.s. en de dealers hebben ook niet gesteld dat zij in nadelige zin zijn geraakt door de overweging van het hof omtrent bewijs. Het hof heeft zijn oordeel over het toepasselijke collectieve actie-regime gebaseerd op ‘de gemene deler’ van de ingestelde vorderingen (rov. 4.16). Verder heeft het hof zijn oordeel over de periode waarin Euro 5 en Euro 6 voertuigen in het verkeer zijn gebracht gebaseerd op ‘de partijdiscussie’ (rov. 4.17 en 4.18). Overigens is het oordeel van het hof dat bewijs niet aan de orde is op zichzelf genomen wel juist, omdat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid uitsluitend valt te letten op de grondslag van de vordering en niet op de betwisting van de feitelijke juistheid of juridische gegrondheid daarvan. [78] Subonderdeel 2.4voert aan dat, anders dan het hof in rov. 4.15, laatste alinea heeft geoordeeld, een aanwijzing op grond van de stellingen van partijen niet voldoende is voor de vaststelling of de rechtsvordering betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die voor of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. Beslissend is of, gelet op de stellingen van partijen en eventueel na bewijslevering, kan worden aangenomen dat de rechtsvordering betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die voor of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. Volgens de klacht moet een gestelde gebeurtenis buiten beschouwing worden gelaten voor zover uit een summierlijke beoordeling van de stellingen van partijen volgt dat deze niet heeft plaatsgevonden of niet tot aansprakelijkheid kan leiden. De klacht faalt. Immers, bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een belangenorganisatie in een collectieve actie valt uitsluitend te letten op de grondslag van de vordering en niet op de betwisting van de feitelijke juistheid of juridische gegrondheid daarvan. Die betwistingen komen pas aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering. [79]
subonderdelen 2.5 t/m 2.9zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.16, eerste alinea, dat ‘De gemene deler van de collectieve vorderingen van SDEJ is dat alle, op verschillende juridische grondslagen stoelende, verwijten van SDEJ aan Stellantis, de Autofabrikanten, de Importeur en de Dealers zien op in Nederland in het verkeer gebrachte Voertuigen die zouden zijn voorzien van emissiebeheersingssoftware (…)’.
Volgens
subonderdeel 2.5.1is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat SDEJ stelt (ook) op te komen voor buitenlandse gedupeerden die niet een voertuig hebben gekocht dat in Nederland in het verkeer is gebracht. Zonder nadere motivering is volgens de klacht onbegrijpelijk waarom de collectieve vorderingen met betrekking tot deze buitenlandse gedupeerden de door het hof genoemde gemene deler hebben. De klacht miskent dat het oordeel van het hof over de in Nederland in het verkeer gebrachte voertuigen in het kader van het toepasselijke collectieve actie-regime volgt op zijn oordeel over de internationale bevoegdheid in rov. 4.3 e.v. waarin het hof zijn rechtsmacht heeft beperkt tot de Nederlandse gedupeerden. [80] Volgens
subonderdeel 2.5.2is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat verschillende andere gemene delers van de vorderingen van SDEJ zijn te benoemen, zoals de ontwikkeling van de software, de installatie van de software in de voertuigen, de productie van de voertuigen, de import van de voertuigen na productie in het buitenland, de eerste registratie van de voertuigen bij de RDW of de levering van de voertuigen. Het hof motiveert niet waarom juist het in het verkeer brengen van de voertuigen in Nederland moet worden aangemerkt als de gebeurtenis waarop de collectieve actie van SDEJ ziet. Volgens de klacht is dat des te meer onbegrijpelijk, omdat Stellantis c.s. en de dealers hebben aangevoerd dat de voor het overgangsrecht relevante gebeurtenis bestaat uit de ontwikkeling van emissiecontrolesystemen voor Euro 5 en Euro 6 voertuigen met initiële kalibratie. Ik meen dat deze klacht slaagt. [81] In rov. 4.16, eerste volzin is het hof op zoek gegaan naar een ‘gemene deler’ van de collectieve vorderingen van SDEJ, kennelijk met het doel om een aan alle collectieve vorderingen en alle gedaagden gemeenschappelijke gebeurtenis te selecteren (‘alle, op verschillende juridische grondslagen stoelende, verwijten van SDEJ aan Stellantis, de Autofabrikanten, de Importeur en de Dealers’). Deze benadering van het hof is onjuist, omdat daarmee eraan voorbij wordt gegaan dat voor de toepassing van het overgangsrecht van de WAMCA bepalend is wat de ingestelde vorderingen zijn en wat daaraan ten grondslag wordt gelegd en dat per vordering, per grondslag en per gedaagde moet worden nagegaan welk collectieve actie-regime van toepassing is. Het hof had, aan de hand van de gebeurtenissen die door SDEJ aan haar vorderingen ten grondslag zijn gelegd, die meer omvatten dan alleen het in het verkeer brengen van de voertuigen (zoals het hof zelf ook onderkent, rov. 4.16: ‘(…) De door SDEJ voorgestane gebeurtenis(sen), waaronder de herprogrammering van de bedoelde software (…)’), [82] per vordering, per grondslag en per gedaagde moeten nagaan of de aan de vordering ten grondslag gelegde gebeurtenis heeft plaatsgevonden voor of na 15 november 2016. Door het toepasselijke collectieve actie-regime uitsluitend te beoordelen op grond van het in het verkeer brengen van de voertuigen in Nederland, heeft het hof miskend dat het daarbij ook had moeten betrekken de overige gebeurtenissen die SDEJ aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd.
Subonderdeel 2.6bevat een motiveringsklacht die ik niet goed kan volgen. Anders dan de klacht aanvoert heeft het hof het toepasselijke collectieve actie-regime mede kunnen bepalen op grond van de stelling van SDEJ dat de voor het overgangsrecht relevante gebeurtenis bestaat uit het in het verkeer brengen van de voertuigen in Nederland, voor zover de vorderingen van SDEJ zijn gestoeld op het in het verkeer brengen van de voertuigen.
De strekking van
subonderdeel 2.7lijkt te zijn dat het hof met zijn oordeel dat het in het verkeer brengen van voertuigen in Nederland moet worden aangemerkt als de gebeurtenis waarop de rechtsvordering van SDEJ ziet, miskent dat SDEJ deze gebeurtenis niet ten grondslag heeft gelegd aan alle vorderingen zodat deze gebeurtenis niet gemeenschappelijk is voor alle gedaagden en daarmee niet als gemene deler van de vorderingen kan worden aangemerkt. Als deze strekking van de klacht juist is, slaagt zij. Immers, voor de toepassing van het overgangsrecht van de WAMCA is bepalend wat de ingestelde vorderingen zijn en wat daaraan ten grondslag is gelegd, zodat per vordering, per grondslag en per gedaagde moet worden nagegaan welke de relevante gebeurtenis is voor het bepalen van het collectieve actie-regime. Gelet op de grondslag van de vorderingen van SDEJ, die meer omvat dan alleen het in het verkeer brengen van de voertuigen in Nederland, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het toepasselijke collectieve actie-regime voor alle gedaagden uitsluitend aan de hand van deze gebeurtenis te bepalen.
Subonderdeel 2.8sluit aan bij (mijn lezing van) het vorige subonderdeel en slaagt daarmee eveneens, zij het dat de voorwaarde waaronder dit subonderdeel is voorgesteld niet is vervuld. [83] Dit laatste geldt ook voor
subonderdeel 2.9. Voor zover dit subonderdeel aanvoert dat het hof ten onrechte geen aandacht besteedt aan de stellingen van Stellantis c.s. en de dealers met betrekking tot de voor het overgangsrecht relevante gebeurtenis, gaat het middel overigens eraan voorbij dat voor de beoordeling van de ontvankelijkheid uitsluitend moet worden gelet op de grondslag van de vorderingen van SDEJ en niet op de betwisting van de feitelijke juistheid of juridische gegrondheid daarvan door Stellantis c.s. en de dealers. [84]
subonderdelen 2.10 t/m 2.15zijn gericht tegen rov. 4.17 en 4.18, waarin het hof met betrekking tot het toepasselijke collectieve actie-regime een onderscheid heeft gemaakt tussen Euro 5 en Euro 6 voertuigen.
Volgens
subonderdeel 2.10geeft het hof in rov. 4.17 een ontoelaatbare verrassingsbeslissing. Geen van de partijen heeft gesteld dat voor de toepassing van het overgangsrecht van de WAMCA een onderscheid moet worden gemaakt tussen Euro 5 en Euro 6 voertuigen en dat de WAMCA van toepassing is voor zover de vorderingen van SDEJ betrekking hebben op Euro 6 voertuigen. Het hof had dan ook, alvorens tot dit oordeel te komen, partijen in de gelegenheid moeten stellen zich hierover uit te laten. De klacht slaagt. [85] Partijen hebben met dit onderscheid tussen Euro 5 en Euro 6 voertuigen geen rekening gehouden en, gelet op het partijdebat, geen rekening behoeven te houden. [86] Het hof had partijen dan ook in de gelegenheid moeten stellen om zich over de betekenis van dit onderscheid en de gevolgen daarvan voor het overgangsrecht uit te laten. Dat heeft het hof ten onrechte nagelaten.
Volgens
subonderdeel 2.11is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 4.17 een onderscheid heeft gemaakt tussen Euro 5 en Euro 6 voertuigen, omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat voor de toepassing van het overgangsrecht van de WAMCA bepalend of relevant is welke emissienorm van toepassing was. Dat is immers niet de gebeurtenis waarop de rechtsvordering betrekking heeft. Deze klacht slaagt in het voetspoor van subonderdeel 2.1.2. [87] Subonderdeel 2.12klaagt dat het oordeel van het hof dat de Euro 5 norm gold tot september 2015 en daarna de Euro 6 norm gold, onjuist is, omdat de Euro 6 norm (zoals Stellantis c.s. ook hebben gesteld) voor nieuwe voertuigen al gold vanaf september 2014. Als het hof dit niet miskent, is te meer onbegrijpelijk dat het de WAMCA van toepassing acht op alle Euro 6 voertuigen; al ruim vóór 15 november 2016 (namelijk al vanaf september 2014) moesten nieuwe voertuigen aan de Euro 6 norm voldoen. Het eerste deel van de klacht faalt, omdat het oordeel van het hof is terug te voeren op een juiste uitleg van art. 10 leden Pro 2 t/m 5 van de Emissieverordening. [88] Het tweede deel van de klacht slaagt. Het door het hof gemaakte onderscheid tussen Euro 5 en Euro 6 voertuigen is gebaseerd op de reeksbenadering voor de toepassing van het overgangsrecht van de WAMCA. Zoals ik hiervoor al heb opgemerkt, dient deze benadering te worden verworpen. Het hof had, uitgaande van zijn oordeel dat het erom gaat wanneer de voertuigen in het verkeer zijn gebracht, een knip moeten maken tussen voertuigen die in het verkeer zijn gebracht voor 15 november 2016 en voertuigen die in het verkeer zijn gebracht vanaf 15 november 2016, ongeacht of het gaat om Euro 5 of Euro 6 voertuigen. [89] De hierop betrekking hebbende klacht van
subonderdeel 2.14slaagt hiermee eveneens.
Subonderdeel 2.15bevat een motiveringsklacht met betrekking tot het op de reeksbenadering gebaseerde oordeel van het hof over het overgangsrecht. Nu die reeksbenadering voor de toepassing van het overgangsrecht moet worden verworpen, behoeft deze klacht geen bespreking.