Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4674

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
AMS 25/5689
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 6:22 AwbBouwbesluit 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning optoppen gebouw in Amsterdam

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen de omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam voor het optoppen van een gebouw met één bouwlaag ten behoeve van acht nieuwe woningen. Eiser betwist de vergunning op grond van constructieve veiligheid, daglichttoetreding en parkeerproblematiek.

De rechtbank oordeelt dat het college de vergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. De constructieve veiligheid is gewaarborgd door een staalconstructie die voldoet aan het Bouwbesluit 2012, zoals bevestigd door de Omgevingsdienst. De daglichtberekening toont aan dat het daglicht in de verblijfsruimten ruim boven de minimale norm blijft, en het college heeft dit belang afgewogen tegen het algemene belang van woningbouw.

Ten aanzien van de parkeerdruk concludeert de rechtbank dat ondanks een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek door het gebruik van verouderde gegevens, de parkeervraag van de extra woningen kan worden opgevangen in de openbare ruimte. Dit gebrek wordt gepasseerd omdat het eindoordeel niet anders zou zijn. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het bestreden besluit in stand en veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5689

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Lissone),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigden: mr. L.C. van Elewoud en [gemachtigde 3]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Maatschap M.J. de Jong Beleggingen B.V. & Hoog Zuid Beheer B.V. uit Amsterdam (gemachtigden: [gemachtigde 1] & [gemachtigde 2] ) (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de omgevingsvergunning die is verleend voor het optoppen met één bouwlaag ten behoeve van acht nieuwe woningen van het gebouw op de locatie [adres 2] [huisnummers 6 tm20] en de locatie [adres 1] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] in Amsterdam (hierna: het pand). Eiser is het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. De rechtbank laat het bestreden besluit in stand, ondanks een motiveringsgebrek dat met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt gepasseerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder is de erfpachter van het pand in Amsterdam. Op 21 december 2023 is door vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het toevoegen van een extra bouwlaag ten behoeve van het realiseren van acht nieuwe woningen, het toevoegen van een lift, het verbeteren van het bestaande trappenhuis en het wijzigen van de materialisatie van de gevel (hierna: het project).
2.1.
De omgevingsvergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Op 22 mei 2025 heeft het college een ontwerpbesluit gepubliceerd in het Gemeenteblad. Hier heeft eiser op 2 juli 2025 een zienswijze tegen ingediend.
2.2.
Met het bestreden besluit van 28 augustus 2025 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend, waarbij is afgeweken van het bestemmingsplan.
2.3.
Eiser heeft tegen de vergunning beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigden van het college en de gemachtigden van vergunninghouder.

Juridisch kader

3. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit is ingediend vóór 1 januari 2024, namelijk op 21 december 2023, volgt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht. Dit betekent dat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024 met aanverwante wetgeving, van toepassing blijft op deze zaak.
3.1.
Zie voor het verdere juridische kader, voor zover niet al genoemd in de uitspraak zelf, de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Zij doet dat op basis van de gronden die eiser heeft aangevoerd. Omdat eiser op de zitting met name zorgen heeft geuit over de veiligheid van de constructie zal de rechtbank die grond als eerste behandelen.
Constructie en veiligheid
5. Eiser vreest voor zijn veiligheid en die van andere bewoners als de optopping wordt gebouwd. Hij voert aan dat het college er ten onrechte vanuit gaat dat de huidige dakconstructie de beoogde optopping kan dragen. Naast het gewicht van de optopping zelf moet het gebouw ook nog het gewicht van de inboedel van de bewoners dragen. Eiser bestrijdt dat dit mogelijk is en stelt dat de huidige dakconstructie van het gebouw niet goed is, waardoor er instortingsgevaar dreigt.
5.1.
Vergunninghouder heeft op de zitting uitgelegd dat voor het project niet direct op het dak wordt gebouwd, maar op een staalconstructie. Deze staalconstructie wordt geplaatst door vergunninghouder. Deze constructie is sterk genoeg om de optopping, inclusief bewoners en inboedel, te kunnen dragen. Deze staalconstructie is ook goed tegen het contactgeluid, omdat er ongeveer 60 tot 80 centimeter zit tussen het dak van eiser en de staalconstructie.
5.2.
Het college heeft toegelicht dat op hoofdlijnen wordt getoetst of het project akkoord is. Vervolgens mag niet worden gestart met bouwen voordat de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (de Omgevingsdienst) alles heeft gecontroleerd en akkoord heeft gegeven. De Omgevingsdienst heeft de permanente belasting en veranderende belasting, veroorzaakt door het gebruik (waaronder de inboedel van bewoners), ook meegenomen bij de beoordeling van het project.
5.3.
De rechtbank stelt voorop dat van belang is dat veilig wordt gebouwd. Daarom moet bij de bouw worden voldaan aan de eisen die het Bouwbesluit 2012 stelt. De rechtbank stelt vast dat in het dossier een rapport zit van de Omgevingsdienst van 19 juni 2024. In dit rapport staat dat de Omgevingsdienst vindt dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de hoofdlijnen van de constructie voldoen aan de van toepassing zijnde eisen uit het Bouwbesluit. In het bestreden besluit is daarnaast vastgelegd dat verschillende gegevens en bescheiden minimaal drie weken voor de start van de werkzaamheden ingediend moeten worden. Er mag bovendien pas worden gestart met de werkzaamheden, nadat het college deze gegevens heeft goedgekeurd, gemerkt en retour heeft gezonden.
5.4.
Artikel 2.7 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) biedt de mogelijkheid aan de aanvrager om bepaalde gegevens op een later moment dan bij de aanvraag over te leggen. Op het moment van vergunningverlening moet echter wel duidelijkheid bestaan over de hoofdlijn van de constructie. Het is aan het college om te beoordelen of er voldoende gegevens en stukken bij de aanvraag zijn ingediend om een besluit op de aanvraag te nemen.
Verder is van belang dat de toets aan het Bouwbesluit die het college moet uitvoeren een aannemelijkheidstoets is. Het college komt beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door aanvrager overgelegde stukken het aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit. Dit betekent dat niet al op dat moment hoeft vast te staan dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan [1] .
5.5.
De rechtbank begrijpt dat er zorgen kunnen bestaan bij eiser, maar ziet geen aanknopingspunten dat er onveilig zou worden gebouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op basis van de aanwezige rapportage op het standpunt kunnen stellen dat aannemelijk is dat aan de eisen van het Bouwbesluit wordt voldaan. Van de Omgevingsdienst mag een terzake deskundigheid worden verwacht en eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt ook geen tegenrapportage of andere stukken overgelegd op grond waarvan de rechtbank reden ziet om te twijfelen aan de toets van het college. De rechtbank merkt nog op dat vergunninghouder op de zitting meerdere malen heeft aangegeven dat zij bereid is aan eiser een verdere toelichting te geven op het bouwplan en de constructie, wanneer daarover bij eiser zorgen bestaan. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.
Daglicht
6. Eiser voert aan dat in de daglichtberekening, die moet worden gedaan in het kader van het Bouwbesluit, geen rekening is gehouden met het feit dat door het project zijn dakraam en daardoor daglicht en ventilatie verdwijnen. Als de afname van daglicht door de verwijdering van het dakraam wel was meegenomen, had de omgevingsvergunning niet verleend kunnen worden, omdat de aanvraag niet voldoet aan de regels van het Bouwbesluit.
6.1.
Het college stelt dat op grond van het Bouwbesluit elke verblijfsruimte een minimum van 0,5 m2 equivalente daglichtoppervlakte moet hebben. [2] Het college heeft een daglichtberekening uitgevoerd bij de beoordeling van het bouwplan. Bij de daglichtberekening heeft het college het dakraam niet meegenomen, omdat dit dakraam gesitueerd is in de hal. Nu de hal geen verblijfsruimte is, bestaat daarvoor geen daglichteis. Ook vergunninghouder heeft naar aanleiding van de door eiser ingediende zienswijze een separate daglichtberekening overgelegd. Uit beide berekeningen volgt dat het daglicht van eiser wel afneemt, maar ruimschoots boven de gehanteerde grenswaarde van 0,5 m2 per verblijfsruimte blijft, namelijk 3,14 m2 in de woonkamer, 1,57 m2 in slaapkamer één en 2,08 m2 in slaapkamer twee.
6.2.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat het college bij de toetsing van het bouwplan aan het Bouwbesluit ook op dit punt moet beoordelen of aannemelijk is dat het bouwplan aan de toepasselijke voorschriften voldoet. Zoals is gebleken uit de daglichtberekening uit het bestreden besluit en de daglichtberekening van vergunninghouder blijft het daglicht van eiser boven de grenswaarde per verblijfsruimte. Nu het dakraam gesitueerd is in de hal volgt de rechtbank de redenering van het college dat dit geen verblijfsruimte is, waardoor er geen daglichteis is. De rechtbank oordeelt daarom dat er geen sprake is van strijd met het Bouwbesluit. De grond van eiser over de vermindering van daglicht speelt daarnaast ook een rol bij de belangenafweging als het gaat om de afwijking van het bestemmingsplan en zal ook in dat kader worden beoordeeld.
De afwijking van het bestemmingsplan
7. Het project heeft ook betrekking op de activiteit ‘gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’. De rechtbank overweegt dat het college beleidsruimte heeft bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij toetst de keuze van het college terughoudend. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht en of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Daarbij kan aan de orde komen of nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [3]
Parkeren
8. Eiser voert aan dat het bestreden besluit op het punt van parkeren in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Eiser ervaart nu al parkeerproblemen in de buurt, in het bijzonder als het druk is bij het nabijgelegen restaurant of uitvaartcentrum. Door de toekomstige woningen zal de parkeerproblematiek toenemen en zal hij vaker verder van zijn woning moeten parkeren. Vanwege zijn leeftijd is dit niet wenselijk. De onderbouwing van het college, dat de toekomstige woningen niet zullen leiden tot een substantiële toename van de parkeerdruk, bevat volgens eiser diverse gebreken. De gegevens van de parkeerdrukmonitor die het college heeft gebruikt dateren bijvoorbeeld van januari en februari 2023, waardoor deze ten tijde van het bestreden besluit niet meer actueel waren. Het college had zich dus niet op deze cijfers mogen baseren. Ook had het college het aanvullend parkeeronderzoek van vergunninghouder niet aan haar besluitvorming ten grondslag mogen leggen. Nu dit onderzoek is uitgevoerd midden in de zomer, tussen twee zwarte zaterdagen, is dit onderzoek niet representatief voor de parkeerdrukte. Gelet hierop heeft het college volgens eiser onvoldoende zorgvuldig onderzocht en gebrekkig gemotiveerd dat de toekomstige parkeerbehoefte in voldoende mate kan worden opgevangen in de directe nabijheid van de woning van eiser.
8.1.
Het college heeft Lexalegion onderzoek laten doen naar de parkeerdruk in het gebied. Lexalegion heeft in oktober 2024 een rapport uitgebracht. Er is vastgesteld dat het plan niet kan voorzien in parkeerplaatsen op eigen terrein, wat betekent dat parkeren in het openbaar gebied moet worden opgelost. Om te onderzoeken of er voldoende parkeergelegenheid is, is de parkeerdruk-monitor van de gemeente Amsterdam geraadpleegd. Hieruit is gebleken dat de parkeerdruk op de doordeweekse middagen het hoogst is. Toch zijn er op dat moment voldoende parkeerplaatsen beschikbaar aan de [adres 1] en aan de [adres 2], maar ook aan de omliggende straten. Hierdoor heeft het college geconcludeerd dat de verhoging van de parkeerdruk door het project in het openbaar gebied kan worden opgelost. Het onderzoek van Lexalegion met betrekking tot de parkeerdruk is voorgelegd aan de dienst Verkeer en Openbare Ruimte. De dienst Verkeer en Openbare Ruimte adviseert op basis van parkeerdrukcijfers van de gemeente Amsterdam, eigen ervaringen en kennis van het gebied. Zij hebben op 7 november 2024 een advies uitgebracht en bevestigd dat de toevoeging van acht woningen niet zal leiden tot een substantiële toename van de parkeerdruk. Het feit dat eiser niet altijd direct voor zijn woning kan parkeren betekent niet dat daaruit de conclusie moet worden getrokken dat de parkeervraag niet kan worden opgevangen in de openbare ruimte. Het maatgevend criterium is namelijk dat er op acceptabele loopafstand een parkeerplaats kan worden gevonden en niet of eiser voor de woning kan parkeren. Wat betreft de bruikbaarheid van de gegevens van de parkeerdrukmonitor stelt het college dat ten tijde van het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing in oktober 2024 de gehanteerde parkeerdrukcijfers van begin 2023 de meest actuele cijfers waren. Op de zitting heeft het college onderkend dat de cijfers uit januari en februari 2023 ten tijde van het bestreden besluit niet meer actueel waren en dat ook het parkeeronderzoek van de zomer van 2025 niet representatief is. Wel benadrukt het college dat recentere cijfers nog steeds de conclusie ondersteunen en dat de parkeerdrukte dus kan worden opgevangen in de openbare ruimte. Dat blijkt uit de geactualiseerde parkeerdrukmonitor van de gemeente en uit het parkeeronderzoek van 19 maart 2026 dat in opdracht van vergunninghouder is verricht en in de beroepsfase is ingebracht.
8.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is de gehanteerde parkeernorm en de extra parkeervraag die voortvloeit uit de optopping niet in geschil. Het gaat om een extra parkeerdruk van 6,4 plaatsen.
8.3.
Op de zitting is samen met partijen besproken en nagegaan wat op dit moment de actuele parkeerdrukte is. Hiervoor heeft de rechtbank op de zitting met partijen de website maps.amsterdam.nl/parkeerdruk geraadpleegd. Op deze website staan de parkeerdrukgegevens die voor het laatst zijn gemeten in februari en maart van 2025. Het college heeft uitgelegd dat deze cijfers worden verzameld door op gezette tijden metingen te doen op verschillende momenten van de dag. Aan de hand van deze cijfers heeft de rechtbank vastgesteld dat op de piekmomenten op de doordeweekse middagen inderdaad sprake is van een hoge parkeerdruk voor de woning van eiser. De rechtbank stelt echter ook vast dat er binnen een straal van 200 meter rondom de woning op de piekmomenten nog wel genoeg parkeermogelijkheden zijn. De rechtbank begrijpt dat de verschillende voorzieningen (een garage, huisartsenpost en uitvaartcentrum) kunnen zorgen voor drukke momenten, maar dit betekent niet dat de parkeerdruk in het gebied altijd hoog is. De rechtbank oordeelt dat het college met de onderbouwing in beroep duidelijk heeft aangetoond dat er gemiddeld ruim voldoende parkeergelegenheid is in de buurt en dat de parkeervraag van de acht extra woningen kan worden opgevangen in de openbare ruimte.
8.4.
De rechtbank is daarbij wel van oordeel dat, door het gebruik van niet recente cijfers en een parkeeronderzoek dat niet representatief was, sprake is van een gebrek in het bestreden besluit. Hoewel actuelere gegevens beschikbaar waren toen het bestreden besluit werd genomen, zijn deze niet aan het besluit ten grondslag gelegd. Dat had uit een oogpunt van zorgvuldigheid wel gemoeten en die actualisatie had ook uit het bestreden besluit moeten blijken. Te meer, omdat eiser in zijn zienswijze van 2 juli 2025 al op was gekomen tegen de berekende parkeerdruk. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om het zorgvuldigheid- en motiveringsgebrek te passeren [4] , omdat het eindoordeel voor eiser uiteindelijk niet anders wordt. Met de alsnog verrichte toets en het in beroep overgelegde parkeeronderzoek dat daarbij aansluit, is het gebrek namelijk hersteld. Eiser is hierdoor verder niet benadeeld. Het is wel reden hem een proceskostenvergoeding en het griffierecht toe te kennen.
Daglicht
9. Eiser vindt dat het onderzoek naar de daglichttoetreding onzorgvuldig tot stand is gekomen, waardoor dit onderzoek door het college niet ten grondslag kon worden gelegd aan het oordeel dat zijn woon- en leefklimaat niet op onevenredige wijze wordt aangetast.
9.1.
Het college heeft door middel van de daglichtberekening vastgesteld dat het daglicht in totaal slechts afneemt met 0,41 m2. Er zal dus meer dan voldoende daglicht overblijven aan de voor- en achterkant van de woning. Nu het project dus ruimschoots binnen de technische vereisten én de leefbaarheidsvereisten valt ziet het college niet waarom dit belang van eiser zwaarder heeft moeten wegen dan het algemene belang van het college bij het realiseren van extra woningen binnen de gemeente Amsterdam.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de afname van een gedeelte van het daglicht van eiser bij het verlenen van de omgevingsvergunning onderkend en afgewogen en dit ook duidelijk uiteengezet in het bestreden besluit. Bij de belangenafweging heeft het college het belang van vergunninghouder en het algemene belang, gelet op het tekort aan beschikbare woningen, in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van eiser.

Conclusie en gevolgen

10. Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond is. Het college heeft de vergunning in redelijkheid kunnen verlenen. Vanwege het geconstateerde gebrek zal de rechtbank wel bepalen dat het college het griffierecht van eiser van € 194,- en eisers proceskosten moet vergoeden. Deze laatste vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, voorzitter, en mr. B. de Vos en mr. M. Frishert, leden, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien een van de weigeringsgronden uit dit artikel zich voordoet.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
Op de locatie van het project geldt het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’. Het project is – voor zover hier relevant – gesitueerd op de gronden met bestemming ‘Gemengd – 3’ (artikel 9 – buurtvoorzieningen). Verder is op het project de gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone – luchthavenindelingsbesluit’ (artikel 28) van toepassing. Op grond van artikel 28.1.2 zijn, in afwijking van het bepaalde bij de bestemmingen waarin deze gebiedsaanduiding is gelegen, geen nieuwe woningen toegestaan.
In het verleden gold dit verbod niet voor nieuwe woningen waarvoor een verklaring van geen bezwaar is afgegeven zoals bedoeld in de Wet luchtvaart. Nu de Wet luchtvaart is vervallen kon deze verklaring niet worden afgegeven. De aanvraag in deze zaak is overeenkomstig artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Deze aanvraag kan slechts worden geweigerd indien de vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, aanhef en onder 3°, van de Wabo kan een omgevingsvergunning slechts worden verleend indien het project niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening en indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3319.
2.Op grond van afdeling 3.11 van het Bouwbesluit 2012.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5429.
4.Onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.