De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 mei 2026 het verzoek tot overlevering van een persoon uit Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Szczecin. De opgeëiste persoon woont sinds jaren in Nederland en heeft een duurzaam verblijfsrecht. Het EAB betreft een strafbaar feit van illegale handel in verdovende middelen, een lijstfeit volgens de Overleveringswet.
De verdediging voerde aan dat de strafvervolging in Nederland is verjaard en dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld moet worden aan een Nederlander vanwege zijn langdurige verblijf en maatschappelijke integratie. De officier van justitie stelde dat de verjaring in Polen nog niet was ingetreden en dat de overlevering daarom niet geweigerd moest worden.
De rechtbank oordeelde dat Nederland rechtsmacht heeft omdat de opgeëiste persoon rechtmatig en ononderbroken in Nederland verblijft en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelde vast dat het recht tot strafvervolging in Nederland in april 2022 is verjaard en dat deze verjaring niet is gestuit. Daarom is de overlevering op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Overleveringswet geweigerd.
De rechtbank benadrukte dat weigering van overlevering wegens verjaring in Nederland niet betekent dat vervolging in Polen uitgesloten is. De opgeëiste persoon moet rekening houden met mogelijke overlevering vanuit andere lidstaten bij vertrek uit Nederland. De overleveringsdetentie werd opgeheven en de uitspraak is onherroepelijk.