Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4706

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
14 mei 2026
Zaaknummer
13-046668-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen. De opgeëiste persoon werd verdacht van diverse strafbare feiten en er resteren nog ruim twee jaar gevangenisstraf. De procedure kende meerdere zittingen waarbij de verdachte werd bijgestaan door een advocaat en tolk.

De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW), omdat de verdachte niet in persoon aanwezig was bij de behandeling in hoger beroep en geen oproep had ontvangen. De officier van justitie stelde dat de verdachte wel degelijk op de hoogte was, omdat hij zelf hoger beroep had ingesteld en de oproep op zijn adres was ontvangen.

De rechtbank oordeelde dat hoewel formeel artikel 12 OLW Pro een weigeringsgrond vormt, de omstandigheden rechtvaardigen dat van deze weigeringsgrond wordt afgezien. De verdachte had een adresinstructie ontvangen, was in eerste aanleg aanwezig geweest en had zelf hoger beroep ingesteld. De oproep voor het hoger beroep was op het juiste adres ontvangen. Er was geen sprake van schending van verdedigingsrechten.

De rechtbank stelde vast dat de feiten ook onder Nederlands recht strafbaar zijn en dat er geen andere weigeringsgronden zijn. Hoewel er structurele gebreken zijn in de Poolse rechtsorde, was niet gebleken dat deze een concreet risico voor de verdachte vormden. De overlevering werd daarom toegestaan en de uitspraak is onherroepelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks artikel 12 OLW, omdat hij op de hoogte was van de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-046668-26
Datum uitspraak: 13 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 24 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 januari 2026 door
the District Court in Bielsko-Biała,Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 14 april 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 14 april 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij, advocaat te Hoofddorp, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of zij onderdeel d) van het EAB kunnen toesturen ten aanzien van de procedure in hoger beroep.
De zitting van 29 april 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op deze zitting, in aanwezigheid van mr. J. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Regional Court in Cieszynvan 16 januari 2024 met kenmerk III K 1615/23. Onderdeel f) van het EAB maakt daarnaast melding van een procedure in hoger beroep waarbij het vonnis in stand is gelaten. Uit aanvullende informatie van 22 april 2026 blijkt dat dit is gebeurd bij arrest van
the Regional Court in Bielsko-Biała, VII Appeal Division,van 7 juni 2024, met kenmerk: VII Ka 322/24.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2 jaar, 11 maanden en 5 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon heeft weliswaar zelf hoger beroep ingesteld, maar hij heeft geen post betreffende dat hoger beroep ontvangen. Hij is niet aanwezig geweest bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep en hij had geen raadsman. Bovenaan de tweede pagina van de aanvullende informatie staat dat uit een elektronische ontvangstbevestiging zou blijken dat de opgeëiste persoon de oproep in persoon zou hebben ontvangen. Het is niet duidelijk wat een dergelijke elektronische bevestiging inhoudt. De opgeëiste persoon stelt geen oproep voor een zitting in hoger beroep in persoon te hebben ontvangen. Hij heeft deze ook niet opgehaald. In het dossier bevindt zich ook geen stuk met de handtekening van de opgeëiste persoon voor ontvangst van de oproep. Er doet zich geen van de situaties als bedoeld in artikel 12, sub a tot en met c, OLW voor. De opgeëiste persoon stelt dat hij geen adresinstructie heeft gekregen en om die reden verzoekt de raadsvrouw de rechtbank niet af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro en de overlevering te weigeren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is, omdat zich de situatie voordoet als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. Uit de ontvangen aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld. De oproep voor het hoger beroep is gestuurd naar het door de opgeëiste persoon in de voorbereidende procedure opgegeven adres. Hij heeft de oproep in persoon in ontvangst genomen op 9 mei 2024, zoals, volgens de Poolse autoriteiten, blijkt uit een elektronische ontvangstbevestiging. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat uitgegaan moet worden van de juistheid van die informatie. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie gekregen, waar hij ook voor heeft getekend.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal daarom het arrest van 7 juni 2024 toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 22 april 2026 volgt dat de opgeëiste persoon in het voorbereidend onderzoek een adresinstructie heeft ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. Hij heeft voor ontvangst van deze adresinstructie op 28 juni 2023 getekend. De opgeëiste persoon is bij de behandeling van zijn zaak in eerste aanleg in persoon aanwezig geweest. Hij heeft vervolgens zelf tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De oproep voor de zitting die tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid, is gezonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Op de zitting heeft de opgeëiste persoon bevestigd dat het adres waar de oproep naartoe is gestuurd zijn adres in [plaats] was. De oproep is op 9 mei 2024 door de opgeëiste persoon opgehaald. De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.

5.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
bedreiging met zware mishandeling en het feit begaan tegen een ambtenaar van politie;
opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, meermalen gepleegd;
overtreding van artikel 9 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd;
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro c van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro c van de Opiumwet gegeven verbod.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 184 en 285 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 Opiumwet, de artikelen 8, 9 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the District Court in Bielsko-Biała,Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (