Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4714

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
14 mei 2026
Zaaknummer
13-263101-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering Europees aanhoudingsbevel met gelijktijdige strafovername in Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen voor de overlevering van een Poolse onderdaan die in Nederland verblijft. Na een tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat aan de voorwaarden voor strafovername was voldaan, werd het onderzoek voortgezet met het oog op het ontvangen van een certificaat en vonnis uit Polen.

De verdediging voerde aan dat het niet betalen van kinderalimentatie in Nederland niet strafbaar is en verzocht om omzetting van de resterende vrijheidsstraf in een taakstraf. De officier van justitie stelde dat de overlevering moest worden geweigerd met gelijktijdige overname van de straf in Nederland. De rechtbank oordeelde dat ondanks het ontbreken van dubbele strafbaarheid, de strafovername in Nederland passend is vanwege de duurzame verblijfplaats van de opgeëiste persoon en het belang van sociale re-integratie.

De rechtbank wees het verzoek tot schorsing van de gevangenhouding af en bevestigde de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 6a OLW. De overlevering werd geweigerd, maar de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland werd bevolen, met verlenging van de gevangenhouding tot aan de strafuitvoering. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-263101-25
Datum uitspraak: 13 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 23 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 september 2025 door
the 2nd Criminal Division of the Regional Court in Ostrołęka, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 16 december 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 16 december 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 30 december 2025 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander als bedoeld in artikel 6a, negende lid, OLW is voldaan en dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om in navolging van het arrest
C.J.van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) de officier van justitie te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van
the District Court in Ostrołękavan 22 februari 2024 met kenmerk II K 246/23 op te vragen bij of via de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen verlengd (eindigend op 19 maart 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 5 maart 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting aangehouden tot de zitting van 30 april 2026 om het ingevulde certificaat af te wachten.
Tevens heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen verlengd (eindigend op 18 mei 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 30 april 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 30 december 2025

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro (onder 4), de strafbaarheid van het feit (onder 5) en artikel 11 OLW Pro voor wat betreft artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (onder 6). Hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 7 van de tussenuitspraak van 30 december 2025. De overwegingen uit de tussenuitspraak dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat het niet betalen van kinderalimentatie naar Nederlands recht niet strafbaar is, onder verwijzing naar de procedure zoals opgenomen in de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Uit het certificaat van
the Regional Court in Ostrołękavan 25 februari 2026 volgt dat de opgeëiste persoon nog 150 dagen van zijn straf moet uitzitten en dat de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidsstelling bestaat nadat de helft van de straf is uitgezeten. Omdat het niet betalen van kinderalimentatie naar Nederlands recht niet strafbaar is, moet de resterende vrijheidsstraf van 75 dagen worden omgezet naar een andere strafmodaliteit. De Minister van Justitie en Veiligheid moet bij gratieverzoeken ambtshalve kijken naar de voor de opgeëiste persoon meest gunstige wetsbepaling voor overname van de straf door Nederland. [4] De raadsman heeft daarom de rechtbank verzocht om in de uitspraak als advies aan de Minister van Justitie en Veiligheid op te nemen dat de resterende vrijheidsstraf van 75 dagen door Nederland wordt overgenomen en wordt omgezet in een gelijkwaardige taakstraf. De raadsman zal na de uitspraak van deze rechtbank met de Minister in overleg treden over de strafmodaliteit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd onder gelijktijdige overname van de resterende vrijheidsstraf van 150 dagen door Nederland. Uit het certificaat volgt dat de opgeëiste persoon in Polen het recht heeft om te vragen om voorwaardelijke invrijheidsstelling nadat hij de helft van de opgelegde straf heeft uitgezeten, maar er wordt geen garantie gegeven dat een dergelijk verzoek zal worden toegekend. Verder heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak van 30 december 2025 al geoordeeld over de dubbele strafbaarheid en afgezien van toepassing van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 7, eerste lid, OLW. In artikel 2:13, eerste lid, WETS is geen sprake van een facultatieve weigeringsgrond. Dit is ook niet in overeenstemming met het Kaderbesluit 2008/909/JBZ. [5] Bovendien is een gratieverzoek hier niet aan de orde.
Oordeel van de rechtbank
In de tussenuitspraak van 30 december 2025 heeft de rechtbank al geoordeeld dat - ondanks het ontbreken van de dubbele strafbaarheid - aanleiding bestaat om de (facultatieve) weigeringsgrond van artikel 7, eerste lid, OLW niet toe te passen en ook de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf over te nemen. Ondanks dat aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde bestaan, omdat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, heeft de rechtbank geoordeeld dat het feit met name aanknopingspunten heeft met de Poolse rechtsorde. Het feit is immers begaan in Polen, door een Poolse onderdaan tegen een andere Poolse onderdaan en het betreft een verplichting die is opgelegd door een Poolse rechter. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het in het belang van de opgeëiste persoon is om zijn sociale re-integratie in Nederland te laten plaatsvinden, omdat hij duurzaam verblijf in Nederland heeft opgebouwd. Het oordeel dat het ontbreken van dubbele strafbaarheid in dit geval in de weg zou kunnen staan aan overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en dus - gelet op artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW in verbinding met artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, WETS - aan de tenuitvoerlegging van die straf in Nederland, zou de nagestreefde sociale re-integratie van de opgeëiste persoon kunnen doorkruisen.
Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is voor de rechtbank geen reden om op de uitspraak van 30 december 2025 terug te komen. De rechtbank merkt op dat in het kader van een gratieverzoek een beroep kan worden gedaan op de Poolse regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling. Dit is dus niet iets waarover de rechtbank op dit moment - in het kader van dit overleveringsverzoek - kan oordelen of adviseren. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman af.
Conform het arrest van het HvJ EU van 4 september 2025 in de zaak
C.J.heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit toestemming gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland door het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd toe te sturen.
De rechtbank zal in verband met het voorgaande de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

5.Schorsingsverzoek

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht om het bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW, na uitspraak te schorsen, zodat de raadsman in overleg kan treden met de Minister van Justitie en Veiligheid over de overgenomen straf en de op te leggen strafmodaliteit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft hierover geen standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot schorsing van het bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW af, nu een dergelijke schorsing slechts in uitzonderlijke omstandigheden aan de orde is en hier niet van dergelijke omstandigheden is gebleken.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW.

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the 2nd Criminal Division of the Regional Court in Ostrołęka, Polen.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in de tussenuitspraak van 30 december 2025 in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[de opgeëiste persoon].
BEVEELTde gevangenhouding van
[de opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rb. Amsterdam 30 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10798.
4.De raadsman heeft verwezen naar Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:89, r.o. 3.4.1 en artikel 6:2:10 lid 4 Wetboek Pro van Strafvordering (Sv).
5.De officier van justitie heeft verwezen naar HvJ EU 29 juni 2017, C-579/15, ECLI:EU:C:2017:530 (Popławski I) en HvJ EU 24 juni 2019, C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530 (Popławski II).