Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4769

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
11346301 \ CV EXPL 24-12906
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230t lid 1 BWArt. 6:230t lid 2 BWArt. 6:230i lid 1 BWArt. 3:40 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing consumentenrecht energieleveringsovereenkomst gesloten buiten verkoopruimte

Eisende partij, Intrum Nederland B.V., vordert betaling van openstaande bedragen voortvloeiend uit een energieleveringsovereenkomst die gedaagde partij op 11 juni 2021 met Essent Retail Energie B.V. sloot in een filiaal van BCC. De overeenkomst betrof levering van gas en stroom voor drie jaar, met maandelijkse voorschotten en een jaarafrekening die aanzienlijk hoger uitviel dan vooraf ingeschat.

De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst buiten de verkoopruimte is gesloten, waardoor de informatieplicht uit artikel 6:230m en 6:230t BW ambtshalve moet worden getoetst. Eisende partij moet aantonen dat gedaagde partij heeft ingestemd met schriftelijke bevestiging op een duurzame gegevensdrager, wat niet is gebleken. Hierdoor is de overeenkomst vernietigbaar op grond van artikel 6:230i lid 1 BW in samenhang met artikel 3:40 lid 2 BW Pro.

Daarnaast wordt het prijsbeding getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen. De vooraf verstrekte prijsinformatie was onjuist en onvoldoende transparant, aangezien de werkelijke kosten meer dan vijf keer hoger waren dan de inschatting. Dit leidt tot een vermoeden van oneerlijkheid van het prijsbeding.

De kantonrechter geeft eisende partij de gelegenheid om zich schriftelijk uit te laten over de instemming met bevestiging op duurzame gegevensdrager en over de oneerlijkheid van het prijsbeding, waarna de zaak wordt voortgezet. Tot die tijd wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden en verwezen voor nadere uitlatingen van eisende partij over bevestiging op duurzame gegevensdrager en oneerlijkheid van het prijsbeding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11346301 \ CV EXPL 24-12906
Vonnis van 14 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INTRUM NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 september 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij stelt in de dagvaarding dat gedaagde partij op 11 juni 2021 met Essent Retail Energie B.V. (hierna: Essent) een energieleveringsovereenkomst voor de duur van drie jaren heeft gesloten. De overeenkomst is in een filiaal van BCC tot stand gekomen. Precontractuele informatie staat gedeeltelijk in de overeenkomst die gedaagde partij heeft ondertekend. Voor zover de informatie daar niet in staat, is deze mondeling verstrekt in het filiaal van BCC. De levering van gas en stroom is gestart op 25 juni 2021. Maandelijks is steeds een voorschot van € 85,00 in rekening gebracht. Na een jaar, op 16 juni 2022, is de jaarrekening gestuurd, gebaseerd op het werkelijke energieverbruik. Deze jaarrekening bedroeg na een verrekening € 4.941,72 en is door gedaagde partij onbetaald gelaten. De overeenkomst is door Essent beëindigd in verband met wanbetaling. Op 6 augustus 2022 heeft Essent de eindafrekening gestuurd. Essent heeft de vordering op gedaagde partij verkocht aan eisende partij.
2.2.
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 5.533,72 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 februari 2024, € 370,68 aan wettelijke rente tot 5 februari 2024, € 651,69 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
2.3.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.4.
Gelet op de gestelde wijze van totstandkoming van de overeenkomst is sprake van een overeenkomst buiten de verkoopruimte, zodat moet worden getoetst of is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230t van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een afschrift van een buiten verkoopruimte gesloten overeenkomst moet ingevolge artikel 6:230t lid 2 BW schriftelijk worden bevestigd, of indien de consument hiermee instemt op een andere duurzame gegevensdrager. Hetzelfde geldt voor de informatie als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 BW, gelet op artikel 6:230t lid 1 BW.
2.5.
Gesteld noch gebleken is dat gedaagde partij heeft ingestemd met een bevestiging op een duurzame gegevensdrager. Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld toe te lichten en te onderbouwen dat gedaagde partij heeft ingestemd met een bevestiging van de overeenkomst op een duurzame gegevensdrager. Als eisende partij deze onderbouwing niet geeft of kan geven, dan zal de kantonrechter het ervoor moeten houden dat gedaagde partij hiermee niet heeft ingestemd en ten nadele van de consument is afgeweken van het bepaalde in Afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6 BW. Dat maakt de overeenkomst ingevolge artikel 6:230i lid 1 BW (ambtshalve) vernietigbaar op grond van artikel 3:40 lid 2 BW Pro. Nu het hier gaat om een verstekzaak, kan uitsluitend de betalingsverplichting van gedaagde worden vernietigd, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.6.
De overeenkomst moet ook worden getoetst aan de richtlijn. De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een beding dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. Ambtshalve toetsing van dergelijke bedingen is ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk (transparant) zijn geformuleerd.
2.7.
Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft gedaagde partij kennis moeten kunnen nemen van de kosten daarvan, in lijn van het arrest van het Europese Hof van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14). Uit voornoemd arrest volgt dat de handelaar de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die hem in staat stelt om bij benadering de totale kosten te ramen. Anders gezegd en toegespitst op het onderhavige geval: gedaagde partij moet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst hebben kunnen voorzien dat de energielevering (ongeveer) zoveel zou gaan kosten als uit de jaarrekening blijkt. Als voor het sluiten van de overeenkomst over de prijs onvoldoende of onjuiste informatie is verstrekt, zal het prijsbeding op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn moeten worden getoetst.
2.8.
In dat verband is van belang dat in de door gedaagde partij ondertekende energieleveringsovereenkomst variabele leveringskosten en overige tarieven staan vermeld. In de overeenkomst staat dat de te verwachten jaarlijkse kosten € 1.314,41 zullen zijn en dat de maandelijkse kosten naar verwachting € 109,54 zullen bedragen. Essent heeft het maandelijkse voorschotbedrag vastgesteld op € 85,00. Op basis van genoemde bedragen mocht gedaagde partij er redelijkerwijs vanuit gaan dat haar maandelijkse energiekosten ongeveer € 110,00 per maand zouden gaan bedragen.
2.9.
De door Essent gegeven inschatting bleek in de realiteit niet te kloppen. De daadwerkelijke kosten bleken meer dan vijf keer zo hoog te liggen dan bij de BCC werd voorgespiegeld. De jaarlijkse verbruikskosten bedroegen € 6.884,85, zodat een maandelijks voorschotbedrag van om en nabij € 573,73 reëel was. Essent heeft ten tijde van het sluiten van de overeenkomst dan ook een onjuiste voorstelling van zaken gegeven.
2.10.
Nu niet is gebleken dat Essent, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft geïnformeerd over de (juiste) bij benadering te verwachten prijs, wordt het beding over de prijs als niet transparant aangemerkt, zodat het op oneerlijkheid moet worden getoetst.
2.11.
Eisende partij krijgt de gelegenheid zich bij akte over de oneerlijkheid van het prijsbeding uit te laten, alsmede over de gevolgen van eventuele vernietiging van dat beding.
2.12.
De zaak wordt verwezen naar onderstaande rol voor akte uitlating door eisende partij over het bepaalde in overwegingen 2.5 en 2.11.
2.13.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.14.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
dinsdag 12 mei 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating eisende partij,
3.2.
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.13,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
991