Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4811

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
13.074576.25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a SrArt. 37b SrArt. 57 SrArt. 285 SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedreiging familie en mishandeling levensgezel met oplegging TBS-maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor bedreiging van zijn broer en zus op 4 januari 2025 en mishandeling van zijn levensgezel op 30 mei 2024. De bedreigingen betroffen ernstige doodsbedreigingen die reële vrees bij de slachtoffers veroorzaakten, mede door de psychotische toestand van verdachte en zijn eerdere wapenbezit. De mishandeling bestond uit duwen en slaan met een vlakke hand, waarbij het slachtoffer letsel opliep.

De rechtbank oordeelde dat de levensgezel van verdachte voldoet aan de criteria van een nauwe persoonlijke betrekking met een zekere hechtheid, vergelijkbaar met echtgenoten, en kwalificeert als levensgezel in de zin van artikel 304 Sr Pro. Verdachte werd sterk verminderd toerekeningsvatbaar geacht voor de bedreiging en verminderd toerekeningsvatbaar voor de mishandeling, op basis van deskundigenrapporten die een schizofreniespectrumstoornis, antisociale persoonlijkheidsstoornis en cannabisstoornis vaststelden.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van vier maanden op, met aftrek van voorarrest, en een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege. De TBS-maatregel is ongemaximeerd vanwege het geweldsmisdrijf. De rechtbank vond minder ingrijpende maatregelen onvoldoende gezien het hoge recidive- en escalatierisico, het gebrek aan ziekte-inzicht en de ernst van de stoornissen. De vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen werden afgewezen vanwege de opgelegde TBS-maatregel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf en een ongemaximeerde TBS-maatregel met dwangverpleging wegens bedreiging en mishandeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13.074576.25 (zaak A) en 13.180376.24 (zaak B) (eerder ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummers vorderingen tul: 23.002166.20 en 13.076147.22
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
thans gedetineerd te: [detentieadres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 april 2026 en 13mei 2026, op welke zitting het onderzoek (enkelvoudig) is gesloten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.E.A. Duyvendak, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat
zaak A
hij op of omstreeks 4 januari 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen “We moeten zitten, jij, ik, [naam zus] en [slachtoffer 2] . En als we er niet uitkomen dan gaat iemand echt omgelegd worden” en/of “Dit gaat om wie blijft leven of niet” en/of “Als we elkaar tegenkomen is het aan” en/of “Het is ‘war’” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
zaak B
hij op of omstreeks 30 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn levensgezel [slachtoffer 3] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal te duwen en/of te trekken tegen/aan het lichaam en/of (met kracht) met vlakke hand in het gezicht en/of op het hoofd te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten in zaak A en in zaak B wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van zaak A heeft de officier van justitie hiertoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen op basis van de aangiften van de broer en zus van verdachte, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , de uitwerking van het telefoongesprek, de stemherkenning van verdachte als deelnemer aan het gesprek en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 april 2026 dat het zou kunnen zijn dat hij de tenlastegelegde bewoordingen gezegd heeft. Dat [slachtoffer 1] in zijn getuigenverhoor bij de rechter-commissaris is teruggekomen op zijn verklaring afgelegd bij de politie en heeft verklaard dat hij zich niet bedreigd heeft gevoeld door verdachte, ziet de officier van justitie in het licht van de gevolgen die de aangifte voor verdachte heeft gehad. Ook [slachtoffer 2] heeft haar bij de politie afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris afgezwakt. De officier van justitie heeft echter geen reden om te twijfelen aan de inhoud van de aangiften en eerdere verklaringen, waarin de angsten en de mogelijke ernstige gevolgen van het gedrag van verdachte concreet zijn benoemd en gebaseerd zijn op eerdere ervaringen en gebeurtenissen.
Voor zaak B kan tot een bewezenverklaring worden gekomen op basis van de aangifte en verklaring van [slachtoffer 3] , de foto’s van haar letsel, de verklaring van getuige [getuige] , de verklaring van verdachte bij de politie dat hij [slachtoffer 3] heeft geslagen en dat het ook duwen en trekken was, alsmede de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting van 17 april 2026 dat hij het slachtoffer een ‘platte hand’/ klap heeft gegeven.
De officier van justitie merkt [slachtoffer 3] als de levensgezel van verdachte aan, nu de relatie tussen hen qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van zaak A heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Op basis van het uitgewerkte fragment uit het telefoongesprek tussen verdachte en zijn broer [slachtoffer 1] kan niet worden gesproken van een specifieke bedreiging tegen aangevers. Er was sprake van familieproblematiek. Van het voor bedreiging vereiste opzet was geen sprake. Bij aangevers ontbrak daarnaast, blijkens hun latere verklaringen bij de rechter-commissaris, de reële vrees dat verdachte hen iets aan zou doen. Aangevers hadden vooral zorgen dat verdachte zichzelf iets zou aandoen. Zij hebben aangifte gedaan om hulp voor verdachte te krijgen.
De raadsman heeft zich ten aanzien van zaak B op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken moet worden van het strafverzwarende bestanddeel ‘levensgezel’ , omdat niet is voldaan aan de door de Hoge Raad genoemde vereisten daarvoor. Hiertoe heeft de raadsman onder meer gewezen op de verklaring die aangeefster [slachtoffer 3] als getuige ter terechtzitting van 17 april 2026 heeft afgelegd. Zij heeft verklaard dat de relatie tussen haar en verdachte ten tijde van het tenlastegelegde nieuw en instabiel was. Daarmee was er destijds geen sprake van een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Voor het overige heeft de raadsman zich ten aanzien van zaak B gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
In zaak A
De rechtbank acht met de officier van justitie, op basis van de in bijlage I opgenomen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 4 januari 2025 schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van zijn zus [slachtoffer 2] en zijn broer [slachtoffer 1] met de dood, zoals ten laste is gelegd.
Reële vrees
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht als bedoeld in artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) onder meer is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht.
Voor een geval waarin de bedreiging op een indirecte manier plaatsvindt, moet verdachte zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de bedreiging terecht zou komen bij degene op wie deze betrekking had.
De rechtbank stelt op basis van de verklaring van [slachtoffer 1] vast dat verdachte op 4 januari 2025 zijn broer [slachtoffer 1] heeft opgebeld en in dat telefoongesprek (doods)bedreigingen heeft geuit aan [slachtoffer 1] en zijn zussen [slachtoffer 2] en [naam zus] . [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat verdachte soms in een psychose zit en dat de drie maanden ervoor zijn gedrag erger was geworden en hij vaker in een psychose kwam dan voorheen. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat ‘ze’
(de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] en andere familieleden)echt bang zijn dat verdachte iemand van de familie iets gaat aandoen of een willekeurig persoon. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte er al jaren van overtuigd is dat er een complot tegen hem is en dat volgens verdachte vooral [slachtoffer 2] hiervan de veroorzaker is.
Hoewel de bedreigingen niet rechtstreeks zijn geuit aan alle personen op wie zij betrekking hadden , heeft verdachte zich, door deze te uiten tegenover zijn broer, ten minste bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn zussen op de hoogte zouden raken van zijn bedreiging. Dat [slachtoffer 2] inderdaad ook op de hoogte is gekomen van de bedreigingen volgt uit haar aangifte van 28 februari 2025. Zij heeft in haar aangifte verklaard zich bedreigd te voelen door die uitingen van verdachte en zich hierdoor gespannen te voelen. Zij heeft verklaard echt heel erg bang te zijn dat het op een gegeven moment gaat escaleren en dat verdachte daadwerkelijk iemand gaat neerschieten. Ook omdat zij weet dat hij al eerder in het bezit is geweest van een vuurwapen. Verder geeft zij in de aangifte aan een contactverbod voor verdachte te willen. De rechtbank leidt hieruit af dat [slachtoffer 2] zich dan ook zeer bedreigd heeft gevoeld door verdachte.
Dat de broer en zus van verdachte ruim zeven maanden na hun aangiften bij de rechter-commissaris hebben verklaard dat zij zich niet bedreigd hebben gevoeld door verdachte – waarbij [slachtoffer 2] overigens heeft verklaard dat ze zich weliswaar bedreigd heeft gevoeld, maar niet dat ze bang was dat ze dood zou gaan – komt de rechtbank niet aannemelijk voor. De rechtbank kan dit ‘terugtrekkende gedrag’ niet anders zien dan in het licht van loyaliteits- en mogelijk schuldgevoelens richting verdachte, hun broer, gezien de gevolgen van hun aangiften. Uit de aangiftes blijkt naar het oordeel van de rechtbank ondubbelzinnig dat bij aangevers, gelet op de aard en de omstandigheden waaronder de bedreigingen plaatsvonden (het psychotisch toestandsbeeld van verdachte en het feit dat hij eerder in bezit was geweest van een geladen vuurwapen) de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte zijn bedreigingen ook daadwerkelijk zou uitvoeren. De aangifte van zus [naam zus] ondersteunt ook de vrees die in die periode bestond dat het gedrag van verdachte zou escaleren tot (fysiek) geweld. De rechtbank kent dan ook minder gewicht toe aan de latere verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris alleen al vanwege het tijdsverloop.
Het verweer van de raadsman dat er geen sprake is geweest van een reële vrees wordt gelet op het voorgaande verworpen.
4.3.2
In zaak B
De rechtbank acht – met de officier van justitie en de raadsman – op basis van de in bijlage I opgenomen bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en bij de politie, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 30 mei 2024 schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van zijn vriendin [slachtoffer 3] .
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de vriendin van verdachte kan worden aangemerkt als zijn levensgezel en overweegt daartoe het volgende.
Levensgezel
Bij de beoordeling of sprake is van een ‘levensgezel’ overweegt de rechtbank dat uit de parlementaire geschiedenis (
Kamerstukken II 2002/03, 28 484, nr. 5, p. 5) volgt dat daarbij de volgende aspecten van belang zijn :
  • of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding,
  • de duur van de gemeenschappelijke huishouding,
  • of er een relatie van affectieve aard is, en met name
  • of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid.
Het gaat hierbij om indicaties, niet om cumulatieve noodzakelijke vereisten om van een «levensgezel» te kunnen spreken. Doorslaggevend is in het begrip ‘levensgezel’ de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen.
Uit het dossier en de verklaringen ter zitting leidt de rechtbank het volgende af.
Verdachte en aangeefster verklaren beiden sinds juni 2023 een relatie te hebben. Verdachte heeft aangeefster sinds december 2023 meermalen mishandeld, blijkens de aangifte. Aangeefster verklaart hierover het volgende bij de politie: “Elke keer als [verdachte] mij had mishandeld, dan ging ik naar mijn eigen huis. Na een paar dagen namen we weer contact met elkaar op en besloten we weer bij elkaar te komen.” Zij verklaart ter terechtzitting van 17 april 2026 in 2024 veelvuldig bij verdachte te hebben verbleven en dat zij persoonlijke spullen in zijn huis had liggen. Zij hadden in mei 2024 ook een gezamenlijke vakantie geboekt.. Verdachte verklaarde op 3 juni 2024 bij de rechter-commissaris dat aangeefster al een jaar gratis bij hem woonde.
Op 6 maart 2025 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte aan de [adres], waar aangeefster op dat moment bij aanwezig was, zo blijkt uit het daaromtrent opgemaakte proces-verbaal in het dossier van zaak A. Zij heeft toen tegenover de politie verklaard twee jaar een relatie te hebben met verdachte en voornamelijk bij hem te verblijven. Op basis van voornoemde stukken en verklaringen stelt de rechtbank vast dat aangeefster en verdachte – in ieder geval een groot deel van de tijd sinds juni 2023– samenwoonden en een (liefdes)relatie hadden ten tijde van het tenlastegelegde.
Aangeefster heeft de rechtbank op 5 mei 2025 een brief doen toekomen waarin zij het volgende schrijft over de relatie:
“Twee jaar geleden ontmoette ik deze prachtige man
(de rechtbank begrijpt: verdachte), we hebben dezelfde doelen en begrijpen elkaar meer dan wie dan ook. We hebben een moeilijke tijd gehad, toen beide onze dierbaarste vrouwen uit het leven verdwenen. […] Na enige tijd hebben wij elkaar weer gevonden, leven wij gelukkiger en sterker dan ooit met elkaar. We communiceren en zijn daar voor elkaar, zoals echte partners dat doen. De band die wij hebben is bijzonder. […] Ik leef praktisch 24/7 met [verdachte] , hij had een vaste baan, helaas nu in de Ziektewet.”
Vervolgens heeft aangeefster de officier van justitie op 26 oktober 2025 een brief doen toekomen die onder andere het volgende inhoudt:
“ [verdachte] en ik delen ons leven samen, al bijna 2,5 jaar. Als hij niet bij mij is, dan ben ik wel bij hem. Zo zijn wij bijna 24/7 samen. Als iemand hem kent en hoe hij zijn leven leidt ben ik het wel. We doen de ‘normale’ dingen, boodschappen doen op een vaste dag, koken, leuke dingen ondernemen, dingen doen die gedaan moeten worden, hij ontwikkeld zich al jaren in muziek maken, ik in fotograferen, we motiveren elkaar in het juiste te doen en het beste uit jezelf te halen, elkaar vooral lief te hebben en positief te blijven, etc. etc. We hebben plannen liggen. We werken naar de toekomst. Een huis samen, kinderen, trouwen, een catering/restaurant op te starten en verdere ontwikkelingen. Hele mooie dromen, die wij werkelijkheid willen gaan maken.”
De rechtbank vindt in voornoemde brieven ondersteuning voor wat uit het dossier blijkt over de gemeenschappelijke huishouding van verdachte en aangeefster en voor de hechte en emotionele relatie tussen hen ten tijde van het tenlastegelegde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking van een duidelijke hechtheid en merkt aangeefster aan als de levensgezel van verdachte in de zin van artikel 304 Sr Pro.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage Ivervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in zaak A:
op 4 januari 2025 te Amsterdam, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen “We moeten zitten, jij, ik, [naam zus] en [slachtoffer 2] . En als we er niet uitkomen dan gaat iemand echt omgelegd worden” en “Dit gaat om wie blijft leven of niet” en “Als we elkaar tegenkomen is het aan” en “Het is ‘war’”;
in zaak B:
op 30 mei 2024 te Amsterdam, zijn levensgezel, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door te duwen tegen het lichaam en met kracht met vlakke hand in het gezicht te slaan.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigenrapportages over en acht verdachte op basis daarvan in zaak A sterk verminderd toerekeningsvatbaar en in zaak B verminderd toerekeningsvatbaar.

8.Motivering van de straf en maatregel

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten in zaak A en zaak B zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: tbs-maatregel met dwangverpleging). De duur van deze maatregel is, gelet op het feit dat in zaak B sprake is van een geweldsmisdrijf, niet gemaximeerd. In het geval de rechtbank van oordeel is dat de tbs-maatregel met dwangverpleging gemaximeerd is, moet aansluitend aan de tbs met dwangverpleging een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd worden. Gelet op zijn eis heeft de officier van justitie gevorderd de twee vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een tbs-maatregel met dwangverpleging in onderhavige zaak disproportioneel is gelet op de ernst van de feiten. Naar de mening van de raadsman hadden deze feiten ook door de politierechter kunnen worden behandeld. De adviezen van de psychiater en psycholoog in het NIFP-rapport zijn gebaseerd op een vertekend beeld dat niet aansluit op de realiteit van de situatie van verdachte. In de rapporten van de deskundigen wordt bijvoorbeeld een gebrek aan beschermende factoren (waaronder familie) genoemd, terwijl verdachte juist heel hecht is met zijn familie. Daarnaast zijn zaken die hem niet ten laste zijn gelegd ook betrokken bij de beoordeling en advisering, hetgeen ontoelaatbaar is. De adviezen van de deskundigen moeten dan ook niet worden gevolgd. De raadsman verzoekt de rechtbank verdachte een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Als de rechtbank overweegt een tbs-maatregel aan verdachte op te leggen dan zou dit een tbs-maatregel met voorwaarden moeten zijn. Meest subsidiair, als de rechtbank wel een tbs-maatregel met dwangverpleging aan verdachte zou opleggen, heeft de raadsman bepleit dat deze gemaximeerd moet zijn.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Motivering van de op te leggen gevangenisstraf en maatregel
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn broer en zus. De bedreigende woorden die verdachte heeft geuit hebben hen angst aangejaagd en hun gevoel van veiligheid is aangetast. Vanwege de psychotische toestand van verdachte en het feit dat hij eerder een geladen vuurwapen in bezit heeft gehad, hebben de slachtoffers er rekening mee gehouden dat verdachte de geuite bedreigingen daadwerkelijk zou kunnen uitvoeren. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn partner. Het slachtoffer heeft daarbij pijn en letsel opgelopen. Door zijn handelen heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en op haar gevoel van veiligheid, hetgeen bij uitstek in het geval van een levensgezel vanzelfsprekend moet zijn. Dit zijn ernstige strafbare feiten die de rechtbank verdachte aanrekent.
Het strafblad
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 22 januari 2026 blijkt dat verdachte al tweemaal eerder is veroordeeld voor mishandeling van twee verschillende ex-partners. Verdachte liep ten tijde van de tenlastegelegde feiten nog in een proeftijd bij één van deze veroordelingen. De rechtbank neemt dit mee in het nadeel van verdachte. Verdachte liep daarnaast ook nog in een proeftijd bij een veroordeling voor munitie- en wapenbezit. Dit weegt de rechtbank, gelet op het bewezenverklaarde in zaak A, in strafverzwarende zin mee.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van de eis van de officier van justitie.
Alles overwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden.
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte onder meer acht geslagen op de volgende stukken:
  • een NIFP consult rechtspleging van 14 april 2025, opgesteld door psycholoog G. Veen;
  • een Pro Justitia psychologisch onderzoek van 14 oktober 2025, opgesteld door N.P.A. van der Weegen,
  • een Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van 17 oktober 2025, opgesteld door M.M. Sprock;
  • een advies van GGZ Reclassering Inforsa van 11 december 2025, opgesteld door
Op de terechtzitting van 17 april 2026 hebben de deskundigen Van der Weegen en Sprock hun rapporten toegelicht en de daarin vermelde conclusies gehandhaafd. Van der Weegen en Sprock (hierna: de deskundigen) concluderen dat bij verdachte vanaf zijn vijftiende jaar gedragsproblemen optreden. Vanaf 2018 zijn bij hem psychotische verschijnselen aanwezig in de vorm van stemmen horen, het idee hebben dat er (een) zender(s) in zijn hoofd zit(ten) en complottheorieën. Er is. sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, met daarnaast een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in cannabisgebruik. Verdachte laat een patroon zien van een gebrek aan respect voor en schending van de rechten van anderen. Hij bagatelliseert en externaliseert, maar kan geweld ook goedpraten voor zichzelf. Hij kan prikkelbaar en vijandig zijn hetgeen lijkt samen te hangen met de psychotische stoornis. Gezien het disfunctioneren op alle levensgebieden kan gesproken worden van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Beide deskundigen zijn van oordeel dat deze stoornissen bij verdachte aanwezig waren ten tijde van het tenlastegelegde en in aanzienlijke mate ten grondslag liggen aan het tenlastegelegde. Ten aanzien van de in zaak A bewezen geachte bedreiging vermelden de deskundigen dat verdachte voornamelijk gestuurd is door zijn paranoïde psychotische belevingen, waarbij hij vanwege zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis weinig remming kent rondom agressieve impulsen. Ten aanzien van de in zaak B ten laste gelegde mishandeling speelde de persoonlijkheidsstoornis een leidende rol, waarbij de (sluimerende) psychotische belevingen van invloed zijn geweest op zijn impulscontrole en prikkelbaarheid. De deskundigen adviseren dan ook om verdachte voor hetgeen in zaak A ten laste is gelegd sterk verminderd toerekeningsvatbaar te achten en voor hetgeen in zaak B ten laste is gelegd hem verminderd toerekeningsvatbaar te achten.
De rechtbank is het eens met de goed onderbouwde conclusies en adviezen van de deskundigen over de stoornissen van verdachte en de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte voor de bewezen verklaarde feiten.
Advies van de deskundigen
De deskundigen stellen een hoog recidiverisico bij verdachte vast. Zijn ernstige stoornissen vormen de grootste risicofactoren. De oplossingsvaardigheden van verdachte zijn beperkt en bij overbelasting of opvlammen van de psychotische belevingen komt zijn impulscontrole onder druk te staan en loopt het risico op agressieve impulsdoorbraken op.
De verdachte heeft geen inzicht in zijn eigen gedrag en geen ziektebesef. De uitlating tegen zijn vriendin dat zijn jongere ik haar zou hebben omgelegd is ernstig en wordt door hem gebagatelliseerd. Verdachte had eerder een vuurwapen en een mes in zijn bezit vanuit de psychotische overtuiging zichzelf te moeten verdedigen tegen mensen die hem kwaad willen doen. De deskundigen zien daarom zowel recidive- als escalatiegevaar.
Behandeling van verdachte is noodzakelijk om dit recidive- en escalatierisico terug te dringen. Die behandeling dient volgens de deskundigen langdurig en intensief te zijn en plaats te vinden binnen een instelling met expertise op het gebied van persoonlijkheidsstoornissen, psychotische stoornissen, middelengebruik en forensische problematiek. De deskundigen adviseren daarom een klinische behandeling in een forensische kliniek. Het vervolgtraject richting ambulante behandeling moet langzaam en weloverwogen vorm krijgen, om het risico op agressief gedrag zo veel mogelijk in te perken.
Een voorwaardelijk juridisch kader wordt door de deskundigen bij verdachte niet haalbaar geacht. Verdachte is niet gemotiveerd voor behandeling. Eerdere ambulante behandelingen in 2020, 2021, 2022 en 2024 zowel bij De Waag als bij Inforsa zijn niet van de grond gekomen wegens gebrek aan medewerking van verdachte. In 2024 werd verdachte agressief tijdens de gesprekken met de psycholoog en psychiater van Inforsa. Bij de reclassering gedroeg hij zich zo verward en agressief dat men besloot hem niet meer uit te nodigen op kantoor.
Verdachte moet medicatie innemen en abstinent blijven van middelen. Een behandeling in het kader van een zorgmachtiging is zowel volgens de NIFP-rapporteurs als volgens de GGZ niet toereikend om het recidiverisico af te wensen. Er rest naar de mening van de deskundigen niets anders dan een behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging.
De reclassering schaart zich in het rapport van 11 december 2025 achter het advies van de deskundigen en ziet geen mogelijkheden voor een ander kader dan behandeling binnen een tbs-maatregel met dwangverpleging.
Terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging, zoals geadviseerd door de gedragsdeskundigen en gevorderd door de officier van justitie, passend en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Minder vergaande alternatieven vindt de rechtbank niet toereikend. Het volgende is hiervoor van belang.
Gelet op de aard van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dat is begaan en de inhoud van de gedragskundige rapportages, waaronder de ernst van de stoornissen, het als hoog ingeschatte recidive- en escalatierisico en het gebrek aan zelfinzicht bij verdachte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gevaar vormt voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen en dat behandeling van zijn stoornis noodzakelijk en vereist is om een herhaling van soortgelijke of ernstigere geweldsdelicten te voorkomen. De rechtbank acht het onverantwoord om verdachte zonder adequate behandeling in de maatschappij te laten terugkeren.
Gelet op de inhoud van de rapporten van voornoemde deskundigen heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat behandeling middels extern risicomanagement met veel toezicht en monitoring en geleidelijke resocialisatie binnen een voorwaardelijk kader of in het kader van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel, zoals gesuggereerd door de raadsman, voldoende veiligheid en kans op een effectieve behandeling biedt. Mede gelet op de problematiek van de verdachte is behandeling binnen een steviger kader nodig en dat kan niet geboden worden binnen een kader met een voorwaardelijk karakter, noch in het kader van een deels voorwaardelijke straf, noch in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden. De rechtbank wordt in deze overtuiging gesterkt doordat verdachte ter zitting heeft verklaard het niet nodig te vinden naar een kliniek te gaan.
De rechtbank overweegt dat uit de stukken blijkt dat bij verdachte sprake is van langdurige, ernstige en diepgewortelde stoornissen. Sinds 2018 wordt gesproken van psychotische belevingen bij verdachte. Familieleden van verdachte geven al vele jaren aan een gedragsverandering te hebben gezien bij verdachte, zich veelvuldig bedreigd te hebben gevoeld door hem en zich zorgen te maken over hem. De deskundigen hebben geconcludeerd dat geen sprake is van enig ziektebesef of -inzicht bij verdachte. Hij ontkent het horen van stemmen en als hij ermee geconfronteerd wordt dat hij dit zelf vele malen heeft verklaard in de afgelopen jaren, geeft hij aan dat hij inmiddels weet dat hij lijdt aan tinnitus. Hierover zijn echter geen objectieve gegevens van een arts voorhanden. Als doorgevraagd wordt over de verschillen tussen het horen van stemmen en tinnitus is verdachte ontwijkend en zegt hij in de war te zijn geweest.. Ook na meer dan een jaar detentie heeft verdachte onvoldoende afstand genomen van zijn paranoïde-psychotische belevingen. De rechtbank merkt daarbij op dat verdachte op de zitting heeft verklaard dat hij nu twee keer is aangevallen door zijn zus [slachtoffer 2] “en haar groep”, en dat hij bang is dat zij hem weer gaan aanvallen.
De rechtbank stelt verder vast dat de paranoïde psychotische belevingen van verdachte zich uiten in een gevoel zich te moeten verdedigen tegen anderen, waaronder zijn familie. Verdachte had de dag na de mishandeling in zaak B een mes in zijn tas toen hij aangeefster opzocht op haar werk. Hij is eerder veroordeeld voor munitie- en vuurwapenbezit, en daarover is gerapporteerd dat hij dat wapen had aangeschaft omdat hij zich bedreigd voelde vanuit paranoïde ideeën. De rechtbank is van oordeel dat hieruit blijkt dat de kans op escalatie een reëel risico is.
Door de deskundigen is onderbouwd naar voren gebracht dat sprake is van weinig beschermende factoren. De raadsman heeft bepleit dat de familie van verdachte wél een beschermende factor vormt en dat verdachte t heel hecht is met zijn familie. De rechtbank ziet dit anders. Hoewel uit de aangiftes en de latere verklaringen van zijn broer en zussen volgt dat zij veel om verdachte geven, blijkt ook uit de stukken dat de relatie tussen verdachte en zijn familie is verstoord vanwege zijn psychische problematiek. Ter terechtzitting verklaart verdachte weinig tot geen contact te hebben met zijn familie. Over het algemeen wordt de aanwezigheid van familieleden in het sociaal netwerk tot een van de beschermende factoren gerekend. In het geval van verdachte is de rechtbank van oordeel dat zijn familie echter een risicofactor vormt, gelet op de connectie met zijn psychose, waarbij verdachte van mening is dat er een complot tegen hem is, waarin met name zijn zus [slachtoffer 2] een, in zijn ogen zeer kwalijke, rol speelt.
De rechtbank neemt in ogenschouw dat verdachte gedurende zijn periode in detentie abstinent is gebleven van cannabis. Hij heeft echter verklaard het kinderachtig te vinden volledig te moeten stoppen met het roken van cannabis. De rechtbank ziet een hoog risico dat verdachte vervalt in middelengebruik bij het wegvallen van externe structuur en controle. De psychiater heeft beschreven dat cannabisgebruik door verdachte wordt ingezet als zelfmedicatie om zijn psychotische symptomen te dempen. Bij psychosegevoeligheid werkt cannabisgebruik echter juist uitlokkend voor psychoses.
Tot slot slaat de rechtbank stil bij het feit dat het gedrag van verdachte in detentie ook de noodzaak van een klinische behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met verpleging illustreert. Verdachte verblijft sinds juni 2025 op [afdeling] , een kleine afdeling in [detentieadres] waar gedetineerden worden geplaatst die wegens psychosociale problematiek niet op een meerpersoonscel kunnen verblijven. Hij werd daar naartoe overgeplaatst vanwege een conflict met zijn celgenoot, waarbij verdachte zich naar zijn zeggen bedreigd, uitgelokt en opgefokt voelde en de celgenoot heeft geslagen. Na terugkomst uit de isoleercel was volgens verdachte van een schaakstuk een galgje gemaakt “als een duidelijke boodschap”. Daarna heeft hij op advies van de inrichtingspsycholoog vanwege psychotische kwetsbaarheid een enkelcelstatus gekregen. In juni 2025 werd hem op deze afdeling door de inrichtingspsychiater olanzapine (een antipsychoticum; 7,5mg) voorgeschreven. Er waren vervolgens in detentie geen twijfels over zijn medicatietrouw. Verdachte heeft echter aan psychiater Sprock verteld dat de olanzapine hem niet hielp om in slaap te vallen. en dat hij toen om een hogere dosering heeft gevraagd. Dit werd geweigerd en hem werd uitgelegd dat het een antipsychoticum was. Verdachte besloot toen dat hij geen antipsychoticum nodig had en heeft het middel daarna niet meer geslikt, maar steeds weggegooid, zonder dit aan de behandelaar te melden.
De deskundigen bevestigen ter terechtzitting dat het gebruik van medicatie cruciaal is in de behandeling van de steeds fluctuerende psychotische klachten van verdachte. Ondanks een lange periode in een prikkelarme detentie-omgeving zonder cannabis heeft verdachte nog onvoldoende afstand van zijn psychotische overtuigingen genomen en toont hij geen ziektebesef. Verdachte heeft desgevraagd ter terechtzitting bevestigd dat hij het gebruik van een antipsychoticum niet nodig vindt.
De rechtbank overweegt dat verdachte ter beschikking gesteld moet worden en van overheidswege verpleegd moet worden, en dat aan de voorwaarden voor oplegging van die maatregel is voldaan voor de in zaak A en in zaak B bewezenverklaarde feiten. Aan de wettelijke voorwaarden voor het kunnen opleggen van tbs is dan ook voldaan. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van de bewezen geachte feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zo stelt de rechtbank vast. De feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel zijn een van de specifieke feiten genoemd in artikel 37a Sr, te weten bedreiging, en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van die maatregel.
De rechtbank zal daarom aan de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege opleggen. De rechtbank zal gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en zal bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.
Ongemaximeerde tbs-maatregel
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt de rechtbank vast dat het in zaak B bewezen geachte feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.
Gelet hierop zal de rechtbank niet overgaan tot aansluitende oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.

9.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

9.1.
Vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13.076147.22
Bij de stukken bevindt zich de op 6 oktober 2025 op de griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13.076147.22. Dit betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 3 januari 2023 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, namelijk 86 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
9.2.
Vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 23.002166.20
Bij de stukken bevindt zich de op 6 oktober 2025 op de griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 23.002166.20. Dit betreft het onherroepelijk geworden arrest van 31 januari 2023 van het gerechtshof Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte,30 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
9.3.
De standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat als de rechtbank hem volgt in zijn eis de vorderingen tot tenuitvoerlegging afgewezen moeten worden, aangezien de uitvoering ervan geen redelijk doel meer dient.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen afgewezen moeten worden, omdat verdachte inmiddels al geruime tijd in voorarrest verblijft voor de feiten in zaak A en zaak B.
9.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde twee proeftijden aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de inhoud van dit vonnis. De rechtbank zal beide vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen echter afwijzen, nu aan verdachte, naast een gevangenisstraf, de tbs-maatregel met dwangverpleging wordt opgelegd en de rechtbank toewijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging in dat licht niet opportuun acht.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd
Ten aanzien van zaak B:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
vier maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.
Wijst af de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken met parketnummers 23.002166.20 en 13.076147.22.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis in zaak B.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. C.C.J. Maas-van Es en C.M. Noomen, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 mei 2026.
[…]
[…]
[…]

6.[…]