Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4848

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
C/13/781843 / HA ZA 26-50
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 3:308 BWArt. 157 RvArt. 160 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Religieuze stichting moet leningen van ouders namens kinderen terugbetalen

Eisers, bestaande uit een moeder en haar vijf kinderen, vorderen van Stichting Welzijn voor Moslims in Nederland (SWM) terugbetaling van geldleningen die namens de kinderen aan SWM zijn verstrekt. De leningen zijn vastgelegd in zogenaamde Karz Hasana documenten, geldleningsovereenkomsten volgens islamitisch recht, opgesteld in januari 2020. SWM betwist de geldigheid van deze leningen en stelt dat het om donaties gaat.

De rechtbank oordeelt dat de Karz Hasana documenten rechtsgeldig zijn opgesteld en dat SWM door haar toenmalige bestuur rechtsgeldig is vertegenwoordigd. De documenten en aanvullende administratie, waaronder Excel-sheets en bankafschriften, tonen aan dat de betalingen daadwerkelijk leningen zijn. Het beroep van SWM op verjaring wordt verworpen omdat de terugbetaling op aanvraag is overeengekomen en de vordering binnen de verjaringstermijn is ingesteld.

De rechtbank wijst de vorderingen van eisers grotendeels toe, inclusief wettelijke rente vanaf 20 juli 2023. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden niet per kind toegewezen maar als één bedrag, omdat de incassohandelingen gezamenlijk zijn verricht. De proceskosten worden aan SWM opgelegd. De vorderingen van SWM in reconventie worden afgewezen omdat deze reeds in een eerder vonnis zijn verrekend en onherroepelijk zijn geworden.

Uitkomst: SWM wordt veroordeeld tot terugbetaling van de leningen aan de kinderen met wettelijke rente en proceskosten; vorderingen in reconventie worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/781843 / HA ZA 26-50
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

2.
[eiser 2],
3.
[eiser 3],
4.
[eiser 4],
5.
[eiser 5],
6.
[eiser 6],
allen wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie,
verweerders in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. T.M. Vollbehr,
tegen
de stichting
STICHTING WELZIJN VOOR MOSLIMS IN NEDERLAND,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: SWM,
advocaat: mr. O.J. Hennis.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het procesdossier in de zaak C/13/752710 HA ZA 24-683 waarin is opgenomen:
o de dagvaarding van 11 juni 2024, met producties,
o de conclusie van antwoord, met producties (en waarin ook een eis in reconventie is opgenomen),
o de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,
o het tussenvonnis van 18 december 2024 waarin een mondelinge behandeling is gelast,
o de akte toelichting en overlegging producties van [eisers] ,
o het bezwaar van SWM tegen die producties,
o de eisvermeerdering in conventie, met producties,
o het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 10 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
o de verwijzing van de zaak naar de parkeerrol in afwachting van mediation tussen partijen,
o de ambtshalve doorhaling van de zaak op de parkeerrol van oktober 2025.
  • het B-formulier van 8 december 2025 waarin [eisers] heeft gevraagd de zaak C/13/752710 HA ZA 24-683 weer op de rol te plaatsen voor vonnis,
  • het verzoek van [eisers] bij akte te mogen reageren op de standpunten van SWM tijdens de mondelinge behandeling en de e-mail van 26 februari 2026 van deze rechtbank waarin dit verzoek van [eisers] is geweigerd,
  • de brief van 24 februari 2026 van SWM met de mededeling dat het door SWM ingestelde hoger beroep van het vonnis van 4 september 2024
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in deze zaak. Omdat dat de zaak eerder was doorgehaald is een nieuw rolnummer aangemaakt wat boven aan dit vonnis is vermeld.

2.De feiten in conventie en in reconventie

2.1.
Eisers sub 2 tot en met 6 zijn kinderen van eiseres sub 1 (verder: [eiser 1] ) en haar echtgenoot de heer [naam 2] (verder: [naam 2] ) .
2.2.
SWM is een stichting die onder meer de Taibah Moskee te Amsterdam beheerd. [naam 1] (de vader van [eiser 1] , verder: [naam 1] ), [naam 2] en [naam 3] (de broer van [eiser 1] ) hebben vanaf 24 april 2012 tot [overlijdensdatum] 2020 het dagelijks bestuur van SWM gevormd als respectievelijk Voorzitter, Penningmeester en Secretaris. In de statuten van SWM (verder: Statuten) is, voor zover hier van belang, bepaald:
“(…)
VERTEGENWOORDIGING
Artikel 6
De stichting wordt in een buiten rechte vertegenwoordigd door twee leden van het dagelijks bestuur (…). (…) Indien het dagelijks bestuur uit minder dan drie leden bestaat, vertegenwoordigen alle algemeen bestuursleden tezamen de stichting.
(…)”
2.3.
In het procesdossier bevinden zich vijf zogenaamde “KARZ HASANA” van 12 januari 2020. In ieder van die documenten verklaart SWM een lening (Karz Hasana) te zijn aangegaan met een van de eisers sub 2 tot en met 6 en hun moeder, ten behoeve van de bouw
[locatie].
2.3.1.
Volgens deze documenten heeft SWM op 12 januari 2020 geleend:
-
van [eiser 2] (eiseres sub 2)
22.170,00
-
van [eiser 3] (eiser sub 3)
21.470,50
-
van [eiser 4] (eiseres sub 4)
19.670,00
-
van [eiser 5] (eiser sub 5)
15.250,00
-
van [eiser 6] (eiser sub 6)
4.700,00
2.3.2.
In de Karz Hasana documenten is ook vermeld dat het geld
“ontvangen onder leiding van [naam 1] , [naam 4] , [naam 3] , [naam 2] ”. De laatste drie hebben hun paraaf onder de tekstregel met hun namen geplaatst.
2.3.3.
[naam 2] heeft ieder van de bedoelde Karz Hasana documenten als penningmeester van SWM ondertekend.
2.4.
[naam 1] is op [overlijdensdatum] 2020 overleden. [naam 2] en [naam 3] zijn op 8 december 2021 ontslagen als bestuurder van SWM. Dit ontslag is in stand gebleven in het vonnis van 22 februari 2023 van deze rechtbank.
2.5.
Bij e-mail van 12 juni 2023 hebben (ieder van de) eisers sub 2 tot en met 4 SWM verzocht de ten gunste van hen betaalde bedragen uit te keren. Diezelfde dag heeft [eiser 1] namens eisers sub 5 en 6 (die toen nog minderjarig waren) een e-mail met hetzelfde verzoek gestuurd aan SWM. Alle kinderen, dan wel [eiser 1] namens de minderjarige kinderen, hebben SWM gevraagd de geldleningen uiterlijk 20 juli 2023 volledig af te lossen.
2.6.
SWM heeft geweigerd te voldoen aan die verzoeken van [eisers] De advocaten van partijen zijn daarna nog in overleg geweest, maar dit heeft uiteindelijk niet geleid tot een regeling tussen partijen. De advocaat van [eisers] heeft in die correspondentie steeds namens alle eisers sub 2 tot en met 6 aangedrongen op aflossingen van de namens hen aan SWM verstrekte geldleningen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eisers] vordert – na eiswijziging – SWM bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van:
I. € 26.944,10, waarvan € 1.034,10 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 25.910, aan [eiser 2] (eiser sub 2);
II. € 27.449,61, waarvan € 1.039,11 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 26.410,50, aan [eiser 3] (eiser sub 3);
III. € 24.419,10, waarvan € 1.009,10 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 23.410, aan [eiser 4] (eiser sub 4);
IV. € 22.132,46, waarvan € 986,46 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 21.146, aan [eiser 5] (eiser sub 5);
V. € 11.218,40, waarvan € 878,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 10.340, aan [eiser 6] (eiser sub 6);
VI. € 109.063,67, waarvan € 1.847,17 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 107.216,50 aan [eiser 1] , met dien verstande dat een betaling van SWM uit hoofde van een veroordeling van I t/m V in mindering strekt op het onder VI gevorderde bedrag;
VII. de proceskosten van dit geding.
[eisers] vordert de vermeerdering met wettelijke rente vanaf 13 juni 2023 dan wel 5 augustus 2023 dan wel 3 januari 2024.
3.2.
[eisers] stelt daartoe – kort gezegd – dat [eiser 1] en haar echtgenoot ( [naam 2] ) maandelijks € 100 per kind hebben gespaard in de vorm van een lening aan SWM. Dit is begonnen in 2003 voor [eiser 2] en bij de anderen in hun eerste levensjaar. Voor [eiser 6] is vanaf mei 2015 (vanaf zijn derde) € 100 per maand gespaard. Die betalingen zijn leningen aan SWM. [naam 1] heeft indertijd geadviseerd aan [eiser 1] en [naam 2] op die wijze te sparen voor de kinderen. Met [naam 1] is ook mondeling afgesproken dat de betaalde bedragen op aanvraag onmiddellijk zouden worden terugbetaald door SWM. De betalingen zijn verricht van de bankrekening ( [IBAN nummer 1] ) van [eiser 1] en van de bankrekening van [naam 2] ( [IBAN nummer 2] ). Tot mei 2015 voor gelijke delen (ieder € 200), daarna heeft [eiser 1] de volledige betaling (€ 500) op zich genomen. De betalingen zijn door de kassier van SWM vastgelegd in Excel-sheets die in een kluis in de moskee zijn opgeborgen. Op die Excel-sheets staat vermeld
“Naam schuldeiser: [naam van het kind van [eiser 1] en [naam 2] , rb]“. Andere personen hebben verklaard dat dit de gebruikelijke gang van zaken is bij SWM bij geldleningen. [eiser 1] beschikt niet over alle of de volledige Excel-sheets die SWM heeft bijgehouden voor de haar kinderen. [eiser 1] heeft zelf ook een overzicht bijgehouden van betalingen per kind aan SWM. In 2020 zijn aan de hand van de Excel-sheets in de kluis van de moskee de tot dan betaalde bedragen per kind vastgelegd in een Karz Hasana, een geldlenings-overeenkomst volgens het islamitische geloof. De reden voor het opstellen van die Karz Hasana’s is dat de afspraak over terugbetaling door SWM op papier moest worden vastgelegd, aldus het toenmalige dagelijks bestuur. Na 12 januari 2020 is per kind nogmaals € 1.300 aan SWM betaald door [eiser 1] . De per kind gevorderde bedragen zijn de bedragen in de Karz Hasana documenten verhoogd met daarna betaalde bedragen (€ 1.300 per kind). De vordering van [eiser 3] is daarnaast nog € 1.200 hoger dan in zijn Karz Hasana is opgenomen. Uit de Excel-sheets van SWM blijkt dat ook voor hem dit bedrag is betaald in het jaar voorafgaand het opstellen van zijn Karz Hasana. Die betalingen uit 2019 zijn niet meegeteld bij het opstellen van de Karz Hasana voor [eiser 3] . Verder is gebleken dat door SWM vanaf mei 2015 tot en met april 2021 ook € 200 per maand is afgeschreven van de bankrekening van [naam 2] . Dit was niet de bedoeling van [eiser 1] en [naam 2] . Zij hebben afgesproken dat vanaf mei 2015 het totaalbedrag voor alle kinderen (€ 500) door [eiser 1] zou worden betaald aan SWM. Dit bedrag werd in twee delen afgeschreven van de bankrekening van [eiser 1] , een deel aan het begin van de maand en een deel aan het eind van de maand. Vanaf 4 september 2017 is het totaalbedrag van € 500 maandelijks in een keer afgeschreven van haar bankrekening. De € 200 per maand die is afgeschreven van de bankrekening van [naam 2] is ook onderdeel van de geldlening die namens de kinderen aan SWM is verstrekt. Dit is over die gehele periode van mei 2015 tot en met april 2021 een totaalbedrag van € 12.200 (61 maanden maal € 200), of per kind € 2.440 (zijnde € 12.200 gedeeld door 5). Dit is met de eisvermeerdering toegevoegd aan de vorderingen van de kinderen. Naast de geleende bedragen dient SWM ook de buitengerechtelijke kosten te vergoeden. Die zijn per kind uitgerekend aan de hand van de staffel uit het Besluit buitengerechtelijke incassokosten en zijn per kind opgeteld bij de hoofdsom aan geldlening. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat de kinderen hebben gevraagd om betaling van de geleende geldsommen, aldus steeds [eisers]
3.3.
SWM voert – samengevat – aan dat tussen haar en de kinderen (eisers sub 2 tot en met sub 6) geen geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen. De Karz Hasana documenten zijn opgesteld nadat de bedragen zijn overgemaakt door [eiser 1] en [naam 2] . Als SWM een geldlening sluit met een lid van de geloofsgemeenschap dan tekenen zij voordat een bedrag wordt overgemaakt op de bankrekening van SWM een overeenkomst (een Karz Hasana). Dat is in dit geval niet gedaan. De door [eiser 1] en [naam 2] betaalde bedragen zijn daarom donaties. De in het geding gebrachte Karz Hasana zijn geen originele of oorspronkelijke documenten zodat die geen bewijskracht hebben. Voor zover de Karz Hasana als een schuldbekentenis worden beschouwd, zijn ze niet handgeschreven en missen zij daarom ook dwingend bewijskracht. De gevorderde bedragen blijken niet uit de bankafschriften van [eiser 1] die zij in het geding heeft gebracht. De met de eisvermeerdering overgelegde bankafschriften van [naam 2] zijn niet van belang. Daarop is immers ook vermeld
“Moskee karza hasnaa”. Uit niets blijkt dat die betalingen zin bedoeld als geldverstrekking door de kinderen als lening aan SWM. Daarnaast zijn geplande betalingsopdrachten herhaaldelijk niet uitgevoerd vanwege een te laag banksaldo op de bankrekening van [eiser 1] of [naam 2] . En uitgevoerde betalingen zijn herhaaldelijk gestorneerd. De vorderingen van [eisers] tot terugbetaling van de bedragen zijn tot slot verjaard, aldus steeds SWM.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
SWM vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
[eiser 4] te veroordelen tot betaling aan SWM van € 60.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 november 2021, althans een in goede justitie te bepalen datum;
[eiser 2] te veroordelen tot betaling aan SWM van € 42.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2021, althans een in goede justitie te bepalen datum;
[eiser 3] te veroordelen tot betaling aan SWM van € 1.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2021, althans een in goede justitie te bepalen datum;
[eisers] te veroordelen in de proceskosten.
3.6.
SWM stelt daartoe dat zij onder instructie van haar voormalige bestuurders [naam 2] en [naam 3] de gevorderde bedragen heeft uitgekeerd aan [eiser 4] (op 4, 13 en 17 november 2021), [eiser 2] (op 13 september 2021) en [eiser 3] (op 13 september 2021). Deze betalingen hadden geen rechtsgrond en dienen daarom te worden terugbetaald aan SWM.
3.7.
[eisers] voert – kort gezegd – aan dat de door SWM gevorderde bedragen ten gunste van haar zijn verrekend in het vonnis van 4 september 2024 in een eerdere zaak tussen eiseres sub 1 en SWM. Van dat vonnis is door SWM hoger beroep ingesteld maar zij heeft geen appeldagvaarding uitgebracht. Het bedoeld vonnis is daardoor onherroepelijk geworden. De vorderingen van SWM kunnen dus niet worden toegewezen, aldus [eisers]
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
[eisers] heeft haar stellingen ondersteund met de Karz Hasana documenten van 12 januari 2020, door SWM opgestelde sheets (door [eisers] Excel-sheets genoemd, verder: sheets), het door [eiser 1] opgestelde overzicht van betalingen, bankafschriften van haar bankrekening vanaf 2013 tot en met januari 2021, bankafschriften van de bankrekening van [naam 2] vanaf 31 januari 2014 tot en met 13 april 2015 en verklaringen van derden.
Karz Hasana documenten
4.2.
SWM heeft betwist dat deze documenten aantonen dat zij een geldleningsovereenkomst heeft gesloten met [eiser 1] en haar kinderen. Met verwijzing naar artikel 6 van Pro haar Statuten heeft SWM twijfel gestrooid of de Karz Hasana rechtsgeldig zijn opgesteld.
4.3.
Voor zover SWM heeft aangevoerd dat zij op 12 januari 2020 niet rechtsgeldig is vertegenwoordigd bij het opstellen en ondertekenen van de Karz Hasana met de kinderen en [eiser 1] , wordt dat verweer verworpen. Vast staat immers dat de Karz Hasana documenten namens SWM van een paraaf zijn voorzien door de toenmalige Penningmeester [naam 2] , de toenmalige Secretaris [naam 3] en toenmalig algemeen bestuurslid [naam 4] . Verder staat vast dat het dagelijks bestuur van SWM op dat moment bestond uit [eiser 1] Sr (Voorzitter), [naam 2] (Penningmeester) en [naam 3] (Secretaris). Er is dus voldaan aan de eisen aan vertegenwoordiging van SWM zoals is bepaald in artikel 6 van Pro haar Statuten: minimaal twee leden van het dagelijks bestuur als alle posities van het dagelijks bestuur zijn vervuld.
4.4.
SWM heeft verder aangevoerd dat [eisers] een kopie van de Kars Hasana documenten in het geding heeft gebracht en dat die documenten daarom geen schriftelijk bewijs (als bedoeld in artikel 160 lid 1 Rv Pro) zijn. Dit verweer wordt eveneens verworpen. Het is niet noodzakelijk om te beschikken over een origineel om vast te kunnen stellen of een overeenkomst tussen partijen is gesloten.
4.5.
De vraag is vervolgens welke juridische betekenis de Karz Hasana documenten hebben. Bij de beantwoording van die vraag is van belang wat partijen indertijd over en weer hebben gezegd, geschreven en gedaan, hoe zij dit toen hebben begrepen en hoe zij dat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten begrijpen.
4.6.
De letterlijke tekst van Karz Hasana documenten luidt, voor zover hier van belang:
“(…) Hierbij verklaart
Stichting Welzijn voor Moslims in Nederlandeen lening (karz hasana) te zijn aangegaan ten bedrage van [bedrag, rb] Zegge: [uitgeschreven bedrag, rb]
Met: [kind, rb] /moeder [eiser 1]
(…)
voor de termijn van:
onbepaald
Voorwaarde van terugbetaling:
Teruggave direct op aanvraag.
4.7.
Deze tekst is op zichzelf duidelijk: tussen SWM en kind/ [eiser 1] is een geldleningsovereenkomst tot stand gekomen waaronder SWM gehouden is het aan haar betaalde bedrag onmiddellijk terug te betalen op vraag daartoe van een kind, dan wel [eiser 1] , zoals ook [eisers] heeft betoogd.
4.8.
Deze uitleg wordt ondersteund door de volgende achtergrond. Tussen partijen is niet in geschil dat leden van de geloofsgemeenschap van SWM geldbedragen ter beschikking stellen aan SWM voor de verbouwing of de bouw van een moskee, en dat die geldbedragen op een later moment geheel of gedeeltelijk kunnen worden teruggevraagd. Verder zijn partijen bekend met Karz Hasana documenten en de rol die deze documenten spelen in de praktijk zoals hier aan de orde. Dit ondersteunt de uitleg dat het hier om een lening gaat.
4.9.
[eisers] heeft verder gewezen op de naamgeving op de sheets die SWM heeft opgesteld van betalingen aan haar. Op die sheets is de betaler – dan wel de persoon voor wie wordt betaald – aangeduid als
“schuldeiser”. Daaruit volgt dat de betalingen zijn bedoeld als geldlening. Om dit te formaliseren zijn uiteindelijk de Karz Hasana documenten opgesteld, waarin het verstrekken van geld als lening is bevestigd, aldus [eisers]
4.10.
Uit het verweer van SWM blijkt dat zij de Karz Hasana documenten niet heeft opgevat als geldleningsovereenkomst omdat de documenten zijn opgesteld nadat het overgrote deel van de geldverstrekking al heeft plaatsgevonden. Dit verweer leidt niet tot een andere uitleg dan hierboven omschreven. Er is immers geen juridische grondslag voor de conclusie dat een geldleningsovereenkomst pas een rechtsgeldige geldleningsovereenkomst kan zijn als die is gesloten voordat het geld wordt verstrekt. Dat dit wel de praktijk binnen SWM was volgens SMW, die thans nog consequenter wordt toegepast door het huidige bestuur, maakt dat niet anders. Bovendien is dit verweer de mening van de huidige bestuurders van SWM en zegt het niets over de bedoelingen van SWM in 2020 (vertegenwoordigd door de toenmalige bestuursleden) bij het opstellen van de Karz Hasana ten gunste van [eisers]
4.11.
Verder blijkt uit het verweer van SWM dat zij erkent dat leden van haar geloofsgemeenschap wel geld aan haar lenen, maar dat dit altijd grotere bedragen ineens zijn. Dit leidt evenmin tot een uitleg dat de Karz Hasana – waarin de geldontvanger (SWM) heeft verklaard een aanzienlijk bedrag te hebben geleend van de wederpartij ( [eisers] ) – geen geldlening is.
4.12.
SWM heeft redelijkerwijs dus moeten begrijpen zij door haar bestuur in 2020 is verbonden tot het terugbetalen aan kind/ [eiser 1] van het in de Karz Hasana document genoemde totaalbedrag als daarom wordt gevraagd door het betreffende kind of [eiser 1] .
4.13.
Deze uitleg van de Karz Hasana documenten van 12 januari 2020 komt overeen met de verklaringen van derden, onder wie [naam 2] , die [eisers] in het geding heeft gebracht en die verklaren bedragen aan SWM beschikbaar te hebben gesteld als geldlening, de wijze waarop de betalingen zijn geadministreerd (door de kassier van SWM in sheets op naam van de betaler, die
“schuldeiser”wordt genoemd) en hoe dit werd terugbetaald (op vraag van de geldverstrekker).
4.14.
Verder wordt vastgesteld dat de Karz Hasana authentieke akten zijn die dus dwingend bewijskracht hebben tussen partijen (artikel 157 Rv Pro).
4.15.
Partijen hebben verder geen feiten en omstandigheden gesteld waarmee de Karz Hasana documenten in redelijkheid op een andere wijze kan worden uitgelegd dan die volgt uit het bovenstaande. Dat geldt dus ook voor de stelling van SWM dat het steeds om donaties gaat waarmee ouders ten behoeve van hun kinderen zegeningen willen vergaren als onderdeel van de geloofsbelijdenis binnen de sunnie-stroming van de Islam. De gestelde feiten en omstandigheden wijzen veeleer op een geldlening dan op een donatie.
de hoogte van de verstrekte geldleningen (sheets en bankafschriften)
4.16.
SWM heeft de hoogte van de verstrekte leningen betwist. Zij heeft betoogd dat de bijschrijvingen op de sheets niet steeds zijn getekend en in ieder geval niet door twee leden van het dagelijks bestuur. Uit de sheets blijkt niet dat de daarin genoemde bedragen uit het vermogen van [eiser 1] zijn gekomen. Verder tellen de betalingen op de bankafschriften van [eisers] niet op tot het gevorderde totaalbedrag, aldus steeds SWM.
4.17.
Uit de standpunten van partijen en verklaringen van anderen onder wie de voormalige kassier van SWM, volgt dat een betaling aan SWM wordt bijgeschreven in een sheet op naam van de betaler. [eisers] heeft ter ondersteuning van haar stellingen over de hoogte van de geldleningen per kind gewezen op een groot aantal van dergelijke sheets waarop de naam van een van de kinderen staat. Voor ieder kind is een sheet overgelegd waarop de stand van betalingen op 12 januari 2020 is opgenomen. Die komen voor eiseres sub 2, eiseres sub 4, eiser sub 5 en eiser sub 6 overeen met de bedragen die in de Karz Hasana voor dat kind is opgenomen. In de Karz Hasana voor eiser sub 3 ( [eiser 3] ) is opgenomen het bedrag van 10 april 2019 zoals geadministreerd in de hem betreffende sheet.
4.18.
Dat de bijschrijvingen in die sheet moeten worden ondertekend – zoals SWM heeft betoogd – blijkt uit niets. De administratie van betalingen aan SWM is geen onderwerp van externe vertegenwoordigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 van Pro de Statuten, zodat niet noodzakelijk is dat twee leden van het dagelijks bestuur die bijschrijvingen moeten ondertekenen, dan wel parafraseren.
4.19.
De betwisting van SWM van de hoogte van de betaalde bedragen roept nog meer vragen op. SWM heeft de betalingen verricht door [naam 2] niet meegeteld. Daarnaast heeft zij de incasso’s van de bankrekening van [eiser 1] meegeteld maar niet de overschrijvingen die [eiser 1] tussen mei 2015 en september 2017 heeft uitgevoerd (en die uit productie 48 van [eisers] blijken, waarover hierna meer). Onder deze omstandigheden wordt het verweer van SWM dat de betalingen door [eiser 1] en [naam 2] niet optellen tot de bedragen als opgenomen in de sheets en de Karz Hasana als onvoldoende gemotiveerd verworpen.
4.20.
SWM heeft ter zitting gewezen op een aantal niet uitgevoerde incasso-opdrachten en storneringen (teruggave van betalingen) door [eiser 1] en [naam 2] in de periode tot 12 januari 2020.
4.20.1.
De opdrachten met omschrijving
“Moskee donatie lte”lijken van een andere bankrekening ( [IBAN nummer 3] ) te zijn dan vanwaar de betalingen voor de kinderen zijn geïncasseerd in 2014 ( [IBAN nummer 1] ). [eisers] heeft slechts terugbetaling gevorderd van bedragen die zij heeft betaald van de persoonlijke bankrekeningen van [eiser 1] bij de ING bank.
4.20.2.
De kennelijk gestorneerde of niet uitgevoerde opdrachten (uit de periode 2 april 2014 tot en met 2 april 2015) van de rekening van [naam 2] tellen op tot een bedrag van
€ 1.200. SWM heeft geen conclusies verbonden aan de betalingen door [naam 2] op 29 en 31 december 2014 van in totaal € 800 en op 13 april 2015 van € 200. SWM heeft verder betoogd dat mogelijk nog meer betalingen zijn gestorneerd of niet zijn uitgevoerd maar dat ze dat niet meer kan controleren voor de periode van voor 2017 omdat ING Bank die gegevens niet bewaart. Dit komt niet overeen met haar betoog over de storneringen en niet uitgevoerde opdrachten uit 2014 waarop zij een beroep heeft gedaan. Daarnaast heeft SWM dus kennelijk wel over de periode na 2017 nader onderzoek kunnen doen ter ondersteuning van haar stellingen over storneringen en niet uitgevoerde betalingsopdrachten.
4.20.3.
Het verweer van SWM dat de sheets mogelijk onjuist zijn omdat betalingsopdrachten van [eiser 1] en [naam 2] mogelijk niet zijn uitgevoerd dan wel zijn gestorneerd wordt op basis van het voorgaande als onvoldoende gemotiveerd verworpen.
4.21.
Vastgesteld wordt dat de bedragen genoemd in de door SWM opgestelde sheets daadwerkelijk door [eiser 1] en [naam 2] zijn betaald aan SWM. Daaruit volgt dat de bedragen opgenomen in de Karz Hasana documenten ook juist zijn.
4.22.
Dat SWM twijfels heeft of het toenmalige dagelijks bestuur en kassier (de heer [naam 4] ) correct hebben gehandeld is, zonder nadere onderbouwing, onvoldoende om de juistheid van de bedragen genoemd in de sheets en in de Karz Hasana documenten te betwisten.
beweerde betalingen na 12 januari 2020 voor alle kinderen
4.23.
[eisers] heeft gesteld dat [eiser 1] na het opmaken van de Karz Hasana documenten 13 keer een bedrag van € 100 per kind heeft overgemaakt als geldlening door de kinderen. De in de Kars Hasana opgenomen geldsommen dienen daarom per kind te worden verhoogd met € 1.300 als nadere geldlening namens dat kind, aldus [eisers]
4.24.
Dit blijkt ook uit de sheets die SWM heeft opgesteld. Die rij van betaling van dat bedrag na 12 januari 2020 is van een paraaf voorzien door secretaris [naam 3] .
4.25.
De bedragen vermeld op de verschillende Karz Hasana’s worden dus per kind verhoogd met € 1.300.
de € 1.200 van [eiser 3]
4.26.
[eisers] heeft onweersproken gesteld dat uit de sheet op naam van [eiser 3] blijkt aanvullend bedrag van € 1.200 is betaald aan SWM. Dit bedrag is in zijn geval niet meegenomen in zijn Karz Hasana document. De bijschrijving van € 1.200 op 12 januari 2020 (door 12 betalingen van ieder € 100) staat vermeld op de sheets van ieder kind en is op dezelfde geadministreerd als op de sheet op naam van [eiser 3] . Verder is het bedrag dat in de sheet op naam van [eiser 3] is opgenomen op 10 april 2019 het bedrag genoemd op de Karz Hasana van [eiser 3] . Uit dit alles volgt dat de stelling van [eisers] over deze € 1.200 wordt ondersteund door de sheets van SWM en dat in de Karz Hasana van [eiser 3] een onjuist bedrag is opgenomen en door [eisers] terecht is toegevoegd aan de vordering van [eiser 3] op SWM.
de geldleningen volgens de eisvermeerdering
4.27.
[eisers] heeft gesteld dat in de periode van mei 2015 tot en met april 2021 per maand een bedrag van € 200 is afgeschreven van de bankrekening van [naam 2] . Dit was niet de bedoeling omdat het geld dat namens de kinderen zou worden verstrekt aan SWM vanaf mei 2015 volledig door [eiser 1] zou worden betaald. De geldleningen van ieder kind dient daarom te worden verhoogd met € 2.440. Daarnaast blijkt uit een bankafschrift van 17 mei 2017 van de bankrekening van [naam 2] dat hij toen € 50 heeft overgemaakt aan SWM met als omschrijving
“ [eiser 5] spaarpot umrah”, aldus steeds [eisers]
4.28.
Uit de verschillende sets van overzichten van bankbetalingen van de bankrekening van [eiser 1] blijkt het volgende:
- In de periode 1 juni 2015 tot en met 30 augustus 2017 is maandelijks € 215 [2] betaald aan SWM met een incassobetaling (productie 9 bij dagvaarding).
  • In de periode 4 mei 2015 tot en met 2 augustus 2017 is maandelijks € 315 betaald aan SWM met een overschrijving met online bankieren (productie 48 bij akte nadere producties).
  • Vanaf 4 september 2017 is maandelijks € 530 betaald aan SWM met een incassobetaling (productie 9 bij dagvaarding).
4.29.
Anders dan SWM heeft betoogd staat daarmee vast dat [eiser 1] vanaf mei 2015 het gehele totaalbedrag voor de vijf kinderen (€ 500) heeft betaald aan SWM.
4.30.
Verder blijkt uit de bankafschriften van [naam 2] dat ook na mei 2015 maandelijks een bedrag van € 200 is betaald aan SWM, eerst met omschrijving
“Eerste incasso”, later met omschrijving
“Moskee Karz hazana”.
4.31.
[eisers] gaat er kennelijk vanuit dat het de bedoeling van de ouders van de kinderen – en dan vooral van [naam 2] – is geweest dat de vader vanaf mei 2015 niet langer maandelijks een bedrag aan SWM zou betalen.
4.32.
Die stelling van [eisers] over de bedoeling van [naam 2] blijkt echter uit niets. SWM heeft die stelling betwist, zodat het op de weg van [eisers] heeft gelegen om die bedoeling nader te onderbouwen en te bewijzen. Dat heeft zij nagelaten zodat niet kan worden vastgesteld dat [naam 2] na mei 2015 niet meer een maandelijks bedrag aan SWM wilde betalen. Evenmin kan worden vastgesteld dat hij die maandelijkse betalingen na mei 2015 heeft bedoeld als geldlening van de kinderen. Dit blijkt ook niet uit de omschrijving op de latere afschrijvingen:
“Moskee Karz hazana”. Dit kan ook duiden op een door [naam 2] aan SWM verstrekte Karz Hasana voor de bouw van een moskee.
4.33.
Bovendien gaat [eisers] met deze stelling voorbij aan het feit dat [naam 2] als bestuurder van SWM in januari 2020 per kind een Karz Hasana heeft opgesteld en die door hem betaalde bedragen vanaf mei 2015 daarin niet heeft betrokken. Die betalingen zijn ook niet opgenomen in de sheets van de kinderen die de kassier van SWM heeft bijgehouden.
4.34.
Dit alles geldt ook voor de afschrijving van € 50 op 17 mei 2017 van de bankrekening van [naam 2] .
4.35.
Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat [naam 2] na mei 2015 geen betalingen meer zou verrichten aan SWM of dat zijn betalingen aan SWM van na die datum zijn bedoeld als geldlening van de kinderen. Evenmin kan worden vastgesteld dat [naam 2] het op 17 mei 2017 betaalde bedrag van € 50 voor de spaarpot van [eiser 5] onderdeel is van de namens hem verstrekte geldlening aan SWM. De stellingen van [eisers] over haar eisvermeerdering worden daarom verworpen, zodat het in de eisvermeerdering gevorderde bedrag van € 2.440 per kind, en € 50 voor [eiser 5] , wordt afgewezen.
beroep op verjaring
4.36.
SWM heeft een beroep op verjaring gedaan. Zij heeft betoogd dat tussen de eerste uitleningen en de sommatie van 21 november 2023 tot terugbetaling meer dan twintig jaar is verstreken. Dan zijn rechtsvorderingen die zien op terugbetaling extinctief verjaard. Verder zijn alle vorderingen tot terugbetaling van voor 21 november 2018 betaalde bedragen verjaard (artikel 3:308 BW Pro), aldus SWM.
4.37.
Met dit verweer gaat SWM voorbij aan de Karz Hasana van 12 januari 2020. Naast de daarin opgenomen schuldbekentenis van SWM dat zij geld dient terug te betalen aan het genoemde kind dan wel [eiser 1] , staan in die documenten de voorwaarden voor die terugbetaling: direct nadat het kind dan wel [eiser 1] daarom heeft gevraagd. In de e-mails van juni 2023 hebben eisers sub 2 tot en met 4 en [eiser 1] voor eisers sub 5 en 6 gevraagd om aflossing van de aan SWM beschikbaar gestelde bedragen – en wel uiterlijk 20 juli 2023. Pas daarna begint de verjaringstermijn van de rechtsvordering van [eisers] tot terugbetaling van de door hen beschikbaar gestelde bedragen te lopen. Die rechtsvordering is ingesteld bij dagvaarding van 11 juni 2024, dus binnen de verjaringstermijn van 5 jaren.
4.38.
Uit het bovenstaande volgt ook dat in dit geval geen toepassing kan worden gegeven aan de extinctieve verjaring van 20 jaren voor rechtsvorderingen.
4.39.
Het beroep van SWM op verjaring van een deel van de vorderingen van [eisers] houdt geen stand.
tussenconclusie over gevorderde betalingen door [eisers]
4.40.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van SWM dat [eiser 1] niet heeft aangetoond gemachtigd te zijn geweest om
“namens”haar kinderen betalingen aan SWM te doen als geldlening. Er is geen rechtsregel die vereist dat een kind – ongeacht zijn leeftijd – zijn ouder machtigt om betalingen voor dat kind te verrichten. Ook niet als die ouder die betaling omschrijft als een betaling
“namens”het kind en die betaling wordt beschouwd als het verstrekken van een geldlening.
4.41.
Het debat van partijen over de in het geding gebrachte donatievolmachten die [eiser 1] en [naam 2] in 2002 zouden hebben afgegeven is niet van belang voor de beslissing in deze zaak.
4.42.
De tussenconclusie is dat de vorderingen van [eisers] op SWM grotendeels toewijsbaar zijn. Daarbij wordt uitgegaan van het per kind in de Karz Hasana genoemde bedrag, vermeerderd met € 1.300 voor de betalingen na het opstellen van de Karz Hasana tot eind februari 2021, en in geval van [eiser 3] met een bedrag van € 1.200 die kennelijk is vergeten bij het opstellen van zijn Karz Hasana:
Een bedrag van € 22.170 + € 1.300 = € 23.470 te betalen aan [eiser 2] ;
Een bedrag van € 21.470,50 + € 1.300 + € 1.200 = € 23.970,50 te betalen aan [eiser 3] ;
Een bedrag van € 19.670 + € 1.300 = € 20.970 te betalen aan [eiser 4] ;
Een bedrag van € 15.250 + € 1.300 = € 16.550 te betalen aan [eiser 5] ;
Een bedrag van € 4.700 + € 1.300 = € 6.000 te betalen aan [eiser 6] .
4.43.
Het onder VI gevorderde (betaling van een totaal aan [eiser 1] ) wordt afgewezen omdat de kinderen de aflossing van de geldleningen hebben opgeëist en daarom aan hen dienen te worden afgelost en niet aan [eiser 1] .
gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente
4.44.
[eisers] vordert per kind de buitengerechtelijke incassokosten. Volgens [eisers] heeft ieder kind op grond van artikel 6:96 BW Pro daar recht op, ongeacht of daarvoor werkzaamheden zijn verricht.
4.45.
In het procesdossier bevinden zich de e-mails van 12 juni 2023 die ieder kind heeft gestuurd – of die namens de minderjarige kinderen door [eiser 1] zijn gestuurd – aan SWM met het verzoek tot aflossing van de geldlening en een aantal brieven van de advocaat van [eisers]
4.45.1.
De e-mails van 12 juni 2023 van eisers sub 2 tot en met 4 luiden, voor zover van belang:
“Momenteel heeft SWM een schuld open staan ad € [bedrag, rb] op naam van [naam kind, rb]. Deze schuld is toendertijd vastgelegd in onder andere Excel sheets door het bestuur. Dit geld werd maandelijks overgeschreven door mijn ouders of door u geïncasseerd via de bank als kars hasana/geldlening onder vermelding van “Kars hasna”, “Karz Hasana” (…) of een incasso code aangemaakt door swm die de karz hasana incasseerde in de afgelopen jaren. (…).
Ik zou graag de volgende data willen voorstellen om het door u verschuldigde bedrag op te halen, namelijk 1 juli 2023, 8 juli 2023 en 19 juli 2023.
Mocht u andere data willen voorstellen dan hoor ik dat graag. Ten alle tijden geldt dat de schuld door u afgelost dient te zijn voor 20 juli 2023.
Tevens is het ook mogelijk het verschuldigde bedrag over te maken naar [bankrekening kind, rb] (…).”
4.45.2.
De e-mails van 12 juni 2023 die [eiser 1] voor haar toen minderjarige kinderen (eisers sub 5 en sub 6) luiden voor zover van belang:
“Momenteel heeft SWM een schuld open staan ad € [bedrag, rb] op naam van mijn minderjarige zoon [naam kind, rb].
Deze schuld is toendertijd vastgelegd in onder andere Excel sheets door het bestuur. Dit geld werd maandelijks overgeschreven door mijn ouders of door u geïncasseerd via de bank als kars hasana/geldlening onder vermelding van “Kars hasna”, “Karz Hasana” (…) of een incasso code aangemaakt door swm die de karz hasana incasseerde in de afgelopen jaren. (…).
Ik zou graag de volgende data willen voorstellen om het door u verschuldigde bedrag op te halen, namelijk 1 juli 2023, 8 juli 2023 en 19 juli 2023.
Mocht u andere data willen voorstellen dan hoor ik dat graag. Ten alle tijden geldt dat de schuld door u afgelost dient te zijn voor 20 juli 2023.
Tevens is het ook mogelijk het verschuldigde bedrag over te maken naar [bankrekening, rb] onder vermelding van Terugbetaling lening [naam kind, rb].”
4.45.3.
De brief van 21 november 2023 is van de advocaat van [eisers] en betreft een sommatie namens alle kinderen tot betaling van de in die brief gestelde bedragen.
4.45.4.
De verdere correspondentie is geweest tussen de advocaten van partijen waarbij de advocaat van [eisers] in ieder schrijven namens alle kinderen tegelijkertijd heeft gehandeld.
4.46.
Uit het bovenstaande volgt dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten per kind niet kan worden toegewezen. De e-mails van 12 juni 2023 zijn zo goed als volledig gelijkluidend en worden – voor zover van belang – als een enkele handeling beschouwd en niet als een incassohandeling van of voor ieder kind.
4.46.1.
In die e-mails is bovendien gevraagd aan SWM om de aan haar verstrekte leningen door eisers sub 2 tot en met sub 6 af te lossen. Daarvoor kan geen buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. Tussen partijen is immers overeengekomen dat de geldleningen op aanvraag worden terugbetaald (zie ook onder 4.6). De e-mails verstuurd door de kinderen en [eiser 1] (namens de minderjarige kinderen) betreffen die aanvraag. Dat zijn geen werkzaamheden ter verkrijging van voldoening buiten rechte.
4.46.2.
De verdere correspondentie namens [eisers] is verricht door haar advocaat en steeds namens alle kinderen. Er is geen correspondentie per kind gevoerd, en er zijn dus ook geen incassokosten per kind gemaakt.
4.46.3.
Onder deze omstandigheden worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toegewezen over het in totaal toegewezen bedrag aan hoofdsommen (zijnde € 90.960,50), en dus niet per kind zoals gevorderd door [eisers] Aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten vastgesteld op € 1.684,61.
4.47.
De gevorderde vermeerdering met wettelijke rente zal worden toegewezen met toepassing van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf 20 juli 2023 – de datum waarop SWM had moeten voldoen aan haar betalingsverplichtingen jegens [eisers]
proceskosten
4.48.
SWM zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van de kinderen ( [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] en [eiser 6] ) tot op heden begroot op – waarbij wordt aangesloten bij het totaal toegewezen bedrag (€ 90.960,50):
- explootkosten
139,42
- griffierecht
1.325,00
(vordering tot € 100.000)
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten vordering tussen € 40.000 en € 98.000)
Totaal
4.044,42
De na dit vonnis te ontstane kosten zullen worden begroot nadat is beslist in reconventie.
in reconventie
4.49.
SWM heeft erkend dat de in reconventie gevorderde bedragen ook onderdeel zijn geweest van het debat in een eerdere zaak tussen [eiser 1] en SWM en dat die zijn
verrekend in het vonnis van 4 september 2024 in de zaak C/13/740110 HA ZA 23-881.
4.50.
[eisers] heeft onweersproken aangevoerd dat van het vonnis van 4 september 2024 geen hoger beroep aanhangig is gemaakt (SWM heeft uiteindelijk geen appeldagvaarding uitgebracht) en daarom inmiddels onherroepelijk is geworden.
4.51.
Uit dit alles volgt dat de vorderingen van SWM op [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] niet langer bestaan omdat die betalingen door SWM in het vonnis van 4 september 2024 zijn verrekend met de vordering van [eiser 1] op SWM in de zaak C/13/740110 HA ZA 23-881. De vorderingen van SWM worden daarom als ongegrond afgewezen.
4.52.
Dit is voldoende aanleiding SWM in reconventie in de proceskosten te veroordelen. Omdat SWM direct ter zitting heeft erkend dat haar vorderingen onderdeel zijn van het vonnis van 4 september 2024 zijn die vorderingen ter zitting niet verder behandeld. Wel heeft [eisers] een conclusie van antwoord in reconventie opgesteld. Daarom worden de kosten aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 2.051 (een punt vordering tussen € 98.000 tot € 195.000) aan salaris advocaat. De wettelijke rente zal worden toegewezen als gevorderd.
in conventie en reconventie voorts
4.53.
SWM wordt zowel in conventie als in reconventie in de kosten veroordeeld. Daarom worden de na dit vonnis ontstane kosten begroot op een bedrag van € 296, te vermeerderen met € 98 aan salaris advocaat plus de betekeningskosten indien SWM niet aan dit vonnis voldoet binnen 14 dagen na aanschrijving van dit vonnis en dit vonnis dient te worden betekend.
4.54.
[eisers] heeft, anders dan in reconventie, in conventie niet gevorderd de proceskosten (inclusief de nakosten) te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarom zal over na dit vonnis ontstane kosten, die gezamenlijk worden begroot, geen wettelijke rente worden toegewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt SWM tot betaling aan [eiser 2] (eiseres sub 2) van een bedrag van € 23.470, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 20 juli 2023 tot de dag van voldoening,
5.2.
veroordeelt SWM tot betaling aan [eiser 3] (eiser sub 3) van een bedrag van € 23.970,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 20 juli 2023 tot de dag van voldoening,
5.3.
veroordeelt SWM tot betaling aan [eiser 4] (eiseres sub 4) van een bedrag van € 20.970, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 20 juli 2023 tot de dag van voldoening,
5.4.
veroordeelt SWM tot betaling aan [eiser 5] (eiser sub 5) van een bedrag van € 16.550, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 20 juli 2023 tot de dag van voldoening,
5.5.
veroordeelt SWM tot betaling aan [eiser 6] (eiser sub 6) van een bedrag van € 6.000, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 20 juli 2023 tot de dag van voldoening,
5.6.
veroordeelt SWM tot betaling aan [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] en [eiser 6] in totaal een bedrag van € 1.684,61 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 14 dagen na aanschrijving van dit vonnis tot de dag van voldoening,
5.7.
veroordeelt SWM in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] en [eiser 6] in totaal tot op heden begroot op € 4.044,42,
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.10.
wijst het gevorderde af,
5.11.
veroordeelt SWM in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 2.051, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten vanaf 14 dagen na aanschrijving van dit vonnis,
5.12.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in conventie en reconventie voorts
5.13.
veroordeelt SWM tot betaling aan [eisers] van € 296 aan na dit vonnis te ontstane kosten, te vermeerderen met € 98 aan salaris advocaat en de betekeningskosten indien SWM niet binnen 14 dagen na aanschrijving van dit vonnis voldoet aan dit vonnis en dit vonnis moet worden betekend,
5.14.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, rechter, bijgestaan door mr. R.E.R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam, 4 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5542
2.[eisers] heeft betoogd dat zij tot mei 2015 iedere maand een bedrag van € 15 heeft gedoneerd aan SWM en dat dit vanaf mei 2015 € 30 (of 2 maal € 15) is.