Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4860

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
11147075 \ CV EXPL 24-6814
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230v BWArt. 6:96 lid 6 BWRichtlijn 93/13 EGECLI:EU:C:2023:14
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing consumentenrecht bij vordering tot betaling voor online cursussen

Eisende partij, NEXT LEVEL B.V., vordert betaling van gedaagde voor online cursussen die via een portaal zijn aangeboden. Gedaagde heeft een kennismakingsgesprek gehad, een formulier ingevuld en de eerste termijn betaald, maar daarna niet meer betaald. Eisende partij stelt de diensten te hebben geleverd.

De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst een consumentenovereenkomst op afstand betreft en dat ambtshalve moet worden getoetst of aan de informatieplichten uit Boek 6 BW is voldaan en of de algemene voorwaarden oneerlijke bedingen bevatten. Eisende partij heeft niet voldoende onderbouwd hoe zij aan de informatieplichten heeft voldaan en heeft een cruciaal formulier niet overgelegd.

De kantonrechter beoordeelt dat het rentebeding van 1% per maand vermoedelijk oneerlijk is omdat het rentepercentage hoger is dan de wettelijke rente en dat het incassokostenbeding afwijkt van dwingend recht, waardoor ook dit beding vermoedelijk oneerlijk is. Eisende partij krijgt de gelegenheid om zich hierover uit te laten en ontbrekende stukken te overleggen.

De zaak wordt aangehouden en verwezen naar een rolzitting voor nadere stukken en uitlatingen. Eisende partij moet de stukken tijdig aan gedaagde sturen met een mededeling over de mogelijkheid tot reageren of uitstel. De kantonrechter houdt verdere beslissing aan.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden en verwezen voor nadere stukken en uitlatingen over informatieplichten en oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11147075 \ CV EXPL 24-6814
Vonnis van 23 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NEXT LEVEL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: Straetus Incasso Kampen B.V. h.o.d.n. Straetus Legal,
tegen
[gedaagde],
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 maart 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij faciliteert opleidingen en trainingen en stelt dat gedaagde partij zich via de website van eisende partij heeft aangemeld. Om toegang te krijgen tot het portaal waarop eisende partij haar cursussen aanbiedt, heeft gedaagde partij via de website eerst een online kennismakingsgesprek met eisende partij gehad. De kosten voor online cursussen bedragen € 1.800,00 exclusief btw. Dat is met gedaagde partij besproken tijdens het kennismakingsgesprek. Gedaagde partij wilde betalen in termijnen en heeft daartoe een formulier ingevuld. Gedaagde partij is nadrukkelijk akkoord gegaan met de algemene voorwaarden van eisende partij. De eerste termijn van € 544,50 is aanvankelijk betaald, maar daarna gestorneerd. Gedaagde partij heeft uiteindelijk geen betalingen verricht. Eisende partij heeft de overeengekomen diensten wel geleverd, aldus – steeds – eisende partij.
2.2.
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 2.178,00 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 februari 2024, € 98,34 aan vervallen wettelijke rente tot 22 februari 2024, € 326,80 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
2.3.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.4.
Eisende partij heeft gesteld op welke wijze de overeenkomst is gesloten, maar niet dat zij heeft voldaan aan de informatieplichten van Afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Gelet op de gestelde totstandkomingswijze, is sprake van een overeenkomst op afstand, waarop de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v BW van toepassing zijn. Eisende partij wordt opgedragen gemotiveerd te stellen op welke wijze zij aan deze informatieplichten heeft voldaan. Deze stellingen moeten worden onderbouwd met schermafdrukken van het bestelproces en het portaal uit het jaar waarin de overeenkomst is gesloten.
2.5.
Eisende partij verwijst naar een door gedaagde partij ingevuld formulier, dat achter productie 1 zou moeten zitten, maar de kantonrechter beschikt daar niet over. Productie 1 is een blanco A4-tje. Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld het ontbrekende formulier in het geding te brengen.
2.6.
Eisende partij heeft zich in de dagvaarding niet (voldoende) uitgelaten over de transparantie van het prijsbeding (artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn). Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft gedaagde partij kennis moeten kunnen nemen van de kosten daarvan, in lijn van het arrest van het Europese Hof van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14), zodat de kantonrechter kan beoordelen of de prijs transparant is in de zin van de richtlijn.
2.7.
In de op de overeenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden staan bedingen die aan de onderhavige vordering ten grondslag zouden kunnen liggen. Deze bedingen moeten worden getoetst op oneerlijkheid. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.8.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen.
2.9.
De bedingen staan in artikel 5 van Pro de algemene voorwaarden en luiden, voor zover van belang:
Betaalt de klant niet binnen de overeengekomen termijn, dan is nextlevelamazon.nl gerechtigd een rente van 1% per maand in rekening te brengen vanaf de dag dat de klant in verzuim is, waarbij een gedeelte van een maand voor een hele maand wordt gerekend.
Wanneer de klant in verzuim is, is hij bovendien buitengerechtelijke incassokosten en eventuele schadevergoeding verschuldigd aan nextlevelamazon.nl.
De incassokosten worden berekend aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
2.10.
Het geciteerde gedeelte van artikel 5 bestaat Pro uit een beding met betrekking tot rente en een beding met betrekking tot incassokosten. Nu deze bepalingen geen zodanig verband met elkaar hebben dat zij niet van elkaar kunnen worden gescheiden zonder de inhoud van de bedingen te herzien, worden deze afzonderlijk getoetst.
2.11.
Het rentebeding bepaalt dat gedaagde partij bij te late betaling een rente van 1% per maand in rekening kan brengen. Dat beding wordt vermoed oneerlijk te zijn, omdat het rentepercentage aanzienlijk hoger is dan de ten tijde van het sluiten van de overeenkomst geldende wettelijke rente en daarmee een onevenredig hoge schadevergoeding kan worden gevraagd. Het beding is daarmee oneerlijk zodat het buiten toepassing moet worden gelaten. Gevolg hiervan is dat eisende partij daarop geen beroep meer kan doen en ook geen aanspraak kan maken op wettelijke rente.
2.12.
Het beding over incassokosten wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is. Weliswaar wordt voor de berekening van de incassokosten verwezen naar het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, maar op grond van het beding zijn de incassokosten al verschuldigd bij het niet binnen de overeengekomen termijn betalen van een verschuldigd bedrag. Op grond van de wet moet ook een vruchteloze aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW Pro worden verstuurd. Nu wordt afgeweken van dwingend recht, levert dat oneerlijkheid op (zie ECLI:NL:HR:2023:198).
2.13.
Voordat de kantonrechter de hiervoor besproken bedingen die als oneerlijk zijn aangemerkt buiten toepassing laat, mag eisende partij zich over de oneerlijkheid en de gevolgen daarvan uitlaten.
2.14.
De zaak wordt naar de rol verwezen voor akte uitlating en overlegging stukken door eisende partij, zoals bepaald in overwegingen 2.4 (informatieplichten), 2.5 (overlegging formulier), 2.6 (transparantie prijsbeding) en 2.13 (oneerlijkheid van bedingen).
2.15.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.16.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
donderdag 28 mei 2026 om 10.00 uurvoor het nemen van een akte door eisende partij,
3.2.
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet sturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.15,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
991