Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4861

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
10970480 \ CV EXPL 24-2336
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 WarmtewetWarmtewetWarmteregelingWarmtebesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot afsluiting warmtelevering wegens ontbreken overeenkomst

Eneco Warmte & Koude Leveringsbedrijf B.V. vordert de afsluiting van de warmtelevering aan gedaagde, omdat gedaagde geen overeenkomst met Eneco heeft gesloten en weigert te betalen voor de afgenomen warmte. De kantonrechter stelt vast dat de vordering niet gebaseerd is op een overeenkomst, waardoor ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht niet aan de orde is.

De Warmtewet, Warmteregeling en het Warmtebesluit zijn van toepassing. De kantonrechter oordeelt dat afsluiting onder de gegeven omstandigheden mogelijk is, omdat gedaagde warmte afneemt zonder te betalen en geen overeenkomst wil sluiten. Afsluiting wordt echter beperkt tot de periode van 1 april tot 1 oktober, conform artikel 4 van Pro de Warmtewet, dat afsluiting in de winterperiode zoveel mogelijk moet voorkomen.

Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van afsluitkosten en een gefixeerde schadevergoeding, die in overeenstemming zijn met de door de ACM vastgestelde tarieven. Gedaagde wordt ook veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de verklaring voor recht.

Uitkomst: Vordering tot afsluiting warmtelevering toegewezen met beperking tot periode 1 april tot 1 oktober en veroordeling tot betaling van kosten en schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10970480 \ CV EXPL 24-2336
Vonnis van 30 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ENECO WARMTE & KOUDE LEVERINGSBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Eneco,
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 februari 2024, met producties,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eneco vordert afsluiting van warmtelevering en daarmee samenhangende nevenvorderingen, zoals nader in de dagvaarding omschreven.
2.2.
Op de vordering zijn de bepalingen uit de Warmtewet, de Warmteregeling en het Warmtebesluit van toepassing.
2.3.
Ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht is niet aan de orde, omdat de vordering niet is gebaseerd op een met [gedaagde] gesloten overeenkomst.
2.4.
Aan het gevorderde is ten grondslag gelegd dat [gedaagde] geen overeenkomst met Eneco heeft of wil en dus niet betaalt voor de warmte en koude die wordt afgenomen. Daardoor ontstaat er voor Eneco een ongerechtvaardigd onderscheid tussen haar verbruikers en dat is op grond van de Warmtewet niet toegestaan. Mede om die reden vordert Eneco afsluiting. Afsluiting is op grond van de Warmteregeling onder de gegeven omstandigheden mogelijk. [gedaagde] neemt warmte af zonder daarvoor te betalen, terwijl [gedaagde] ook weigert een leveringsovereenkomst met Eneco te sluiten. Eneco lijdt hierdoor schade, die steeds blijft oplopen, aldus Eneco.
2.5.
De niet weersproken stellingen van Eneco kunnen de gevorderde afsluiting onder de gegeven omstandigheden in beginsel dragen. Nu geen sprake is van wanbetaling, zijn de bepalingen in de Warmteregeling over schuldhulpverlening niet aan de orde.
2.6.
In artikel 4 van Pro de Warmtewet is bepaald dat afsluiting zoveel mogelijk wordt voorkomen, in het bijzonder in de periode van 1 oktober tot 1 april. Dit geeft de kantonrechter aanleiding om het gevorderde voorwaardelijk toe te wijzen. Afsluiting mag uitsluitend worden bewerkstelligd in de periode 1 april tot 1 oktober. Bij een ongewijzigde situatie, dat wil zeggen zolang [gedaagde] geen overeenkomst met Eneco heeft, blijven [gedaagde], als afsluiting eenmaal is bewerkstelligd, ook afgesloten. Heraansluiting per 1 oktober 2026 is (bij een ongewijzigde situatie) dus niet noodzakelijk. Het is Eneco niet toegestaan af te sluiten als [gedaagde] alsnog een warmteleveringsovereenkomst met Eneco sluit.
2.7.
De gevorderde bedragen aan afsluitkosten en gefixeerde schadevergoeding die met de hoofdvordering verband houden, zijn in overeenstemming met, althans niet hoger dan de geldende door de ACM vastgestelde tarieven en komen daarom voor toewijzing in aanmerking.
2.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Eneco worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
112,99
- griffierecht
130,00
- salaris gemachtigde
87,00
(1 punt × € 87,00)
- nakosten
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
351,49

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verklaart voor recht dat Eneco gerechtigd is om de aansluiting(en) op het verbruiksadres aan [adres] in de periode van 1 april tot 1 oktober te onderbreken door het verrichten van de daarvoor noodzakelijke werkzaamheden en vervolgens onderbroken te houden en [gedaagde] gehouden is tot het gedogen daarvan,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot ontruiming van voornoemd verbruiksadres, welke ontruiming wordt beperkt tot de ruimte(s) die betreden moet(en) worden om toegang tot de meter(s) en/of aansluiting(en) te verkrijgen en voor de duur van de voor de onderbreking van de aansluiting(en) noodzakelijke werkzaamheden,
3.3.
beveelt [gedaagde] om aan Eneco de meter(s) af te geven,
3.4.
bepaalt dat Eneco geen rechten kan ontlenen aan 3.1, 3.2 en 3.3 als [gedaagde] alsnog een warmteleveringsovereenkomst met Eneco sluit,
3.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Eneco van:
- € 211,00 aan afsluitkosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van afsluiting tot de dag van de voldoening,
- € 150,00 aan schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 23 februari 2024 tot de dag van de voldoening,
3.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 351,49, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.7.
verklaart dit vonnis met uitzondering van de verklaring voor recht uitvoerbaar bij voorraad,
3.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.
991