Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4864

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
11871744 \ CV EXPL 25-12315
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230v BWArt. 6:80 lid 1 sub c BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consumentenrechtelijke toetsing en gedeeltelijke toewijzing vordering warmteleveringsovereenkomst

Eteck Warmte Holding B.V. vordert ontbinding van de warmteleveringsovereenkomst met [gedaagde], afsluiting van de levering en betaling van openstaande bedragen wegens wanbetaling. De leveringsovereenkomst is gesloten in 2021 en betreft warmtelevering aan een woning waar [gedaagde] woont.

De kantonrechter toetst ambtshalve aan het consumentenrecht en de Warmtewet, waarbij wordt vastgesteld dat Eteck niet volledig heeft voldaan aan haar informatieplichten, met name over het ontbindingsrecht. Dit leidt tot een sanctie van gedeeltelijke vernietiging van de hoofdsom met 20%. Het prijsbeding wordt niet als oneerlijk aangemerkt, mede vanwege de regulering door de ACM.

De vordering tot betaling van de hoofdsom en maandelijkse voorschotten wordt grotendeels toegewezen, met een korting van 20%. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dagvaarding. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens een oneerlijk beding. De gevorderde ontbinding en afsluiting worden afgewezen omdat Eteck niet heeft voldaan aan alle cumulatieve voorwaarden uit de Warmteregeling, zoals het informeren over schuldhulpverlening en het aanbieden van een betalingsregeling.

[gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 1.340,40 plus wettelijke rente, maandelijkse voorschotten en proceskosten van € 794,78. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vordering tot betaling grotendeels toegewezen met 20% korting, ontbinding en afsluiting afgewezen wegens niet-naleving Warmteregeling.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11871744 \ CV EXPL 25-12315
Vonnis van 30 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ETECK WARMTE HOLDING B.V.,
gevestigd te Voorburg,
eisende partij,
hierna te noemen: Eteck,
gemachtigde: mr. O.J. Boeder,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 september 2025, met producties,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Eteck is een warmteleverancier in de zin van de Warmtewet, die onder meer het complex van woningen aan het [locatie] voorziet van warmte (hierna: energie). Het is voor een individuele gebruiker in dat pand niet mogelijk een leveringsovereenkomst voor warmte aan te gaan met een andere leverancier.
2.2.
Eteck heeft een handelspraktijk die eruit bestaat dat de aansluiting op het warmtenet in stand wordt gehouden wanneer een consument een eerder bewoonde woning betrekt.
2.3.
Eteck levert vanaf 30 september 2021 energie aan het adres [adres] (hierna: het verbruiksadres), waar [gedaagde] woont.
2.4.
[gedaagde] heeft zich bij Eteck aangemeld en een leveringsovereenkomst ondertekend. In de leveringsovereenkomst is bepaald dat deze ingaat op de datum van de sleuteloverdracht. In de leveringsovereenkomst wordt verwezen naar het Product- en Tarievenblad. In artikel 2.2 van de leveringsovereenkomst is bepaald dat de inhoud daarvan kan worden gewijzigd en de tarieven aan indexatie onderhevig zijn. Verder is in de leveringsovereenkomst bepaald dat het Product- en Tarievenblad, de Algemene leveringsvoorwaarden kleinverbruikers en de Aansluitvoorwaarden consumenten daarvan onlosmakelijk deel uitmaken.
2.5.
[gedaagde] heeft meerdere voorschot- en/of jaarnota’s over de periode juli 2023 t/m mei 2025 onbetaald gelaten.

3.Het geschil

3.1.
Eteck vordert – kort gezegd – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
a. ontbinding van de tussen partijen bestaande warmteleveringsovereenkomst,
b. afsluiting van de leverantie en verzegeling van de meter op het verbruiksadres,
c. veroordeling van [gedaagde] tot het gehengen en gedogen van de afsluitingswerkzaamheden,
d. gedeeltelijke of tijdelijke ontruiming van het verbruiksadres gedurende de afsluitingswerkzaamheden,
e. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 586,73 aan afsluitingskosten,
f. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.675,51 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding, € 97,79 aan incassokosten en € 63,90 aan rente tot aan de datum van de dagvaarding,
g. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 63,03 per maand aan maandelijkse voorschotten vanaf 1 september 2025 tot het moment waarop de energielevering is beëindigd,
h. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Eteck stelt in de dagvaarding dat [gedaagde] ernstig tekortschiet in de nakoming van haar betalingsverplichting voortvloeiend uit de leveringsovereenkomst. Dit tekortschieten rechtvaardigt volgens Eteck ontbinding van de leveringsovereenkomst en beëindiging van de warmtelevering.
3.3.
De overige stellingen van Eteck komen, voor zover van belang, hierna bij de beoordeling aan de orde.

4.De beoordeling

4.1.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
4.2.
De warmtelevering door Eteck wordt beheerst door de Warmtewet. De informatieplichten waaraan Eteck als warmteleverancier moet voldoen staan in Afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en in artikel 3 van Pro de Warmtewet. Onderdeel van die informatieplichten is volgens artikel 3 van Pro de Warmtewet de informatie genoemd in de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v BW. In artikel 3 lid 1 van Pro de Warmtewet is bepaald dat de gegevens genoemd in artikel 6:230m lid 1 BW en de informatie genoemd in artikel 3 lid 1 sub Pro a t/m c van de Warmtewet door de leverancier aan de gebruiker moeten worden verstrekt voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.
4.3.
Eteck stelt in dit verband dat zij [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op een duurzame gegevensdrager een welkomstpakket heeft toegestuurd, bestaande uit de leveringsovereenkomst, de algemene leveringsvoorwaarden, de aansluitvoorwaarden, een informatie (demarcatie)kaart en een het tarievenoverzicht. Hierin is volgens Eteck alle essentiële informatie te vinden die ingevolge de Warmtewet moet worden verstrekt.
4.4.
Nu [gedaagde] de leveringsovereenkomst heeft ondertekend, heeft zij de informatie gekregen, zodat is voldaan aan de stelplicht op dit punt. De kantonrechter constateert dat Eteck uitsluitend een tarievenoverzicht van het jaar 2024 in het geding heeft gebracht, terwijl de overeenkomst in 2021 is gesloten en de vordering, naast 2024, ook ziet op de jaren 2023 en 2025. De kantonrechter is er ambtshalve mee bekend dat de tarievenoverzichten van andere jaren er hetzelfde uitzien. Uitsluitend de tarieven verschillen, zodat het tarievenoverzicht van 2024 – bij wijze van uitzondering – kan worden betrokken bij de beoordeling van de informatieplichten. Wel wordt Eteck erop gewezen dat zij ook de tarievenoverzichten van de andere jaren die voor de vordering van belang zijn dient te overleggen. De kantonrechter stelt vast dat in de stukken waaruit het welkomstpakket bestaat de meeste essentiële informatie is te vinden, behoudens informatie over het (wel of niet bestaan van het) ontbindingsrecht. Hiervoor zal, gelet op ECLI:NL:HR:2021:1677 en het naar aanleiding van dit arrest tot stand gekomen landelijke sanctiemodel, een sanctie worden opgelegd, bestaande uit gedeeltelijke vernietiging van de leveringsovereenkomst, in die zin dat de hoofdsom wordt gekort met 20%.
4.5.
Naast de informatieplichten moet de kantonrechter ook toetsen aan de richtlijn. De gevorderde hoofdsom is grotendeels gebaseerd op een beding dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, namelijk de door de consument te betalen prijs. Ambtshalve toetsing van die bedingen is ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.
4.6.
In het Product- en Tarievenblad staan prijzen vermeld. De maandelijkse vaste kosten en overige kosten zijn voldoende duidelijk en begrijpelijk geformuleerd. Dit geldt echter niet voor de maandelijkse variabele gebruikskosten. Voor zowel de levering voor ruimteverwarming als voor warm tapwater moet een bepaald bedrag per gigajoule (Gj) worden betaald. Een indicatie van het gemiddelde gebruik bij het type woning van de consument, het historisch verbruik of andere gemiddelden van vergelijkbare huishoudens is echter niet gegeven, zodat de consument geen inzicht heeft in het te verwachten aantal Gj dat hij maandelijks zal verbruiken. Ook wordt het voorschot dat maandelijks in rekening zal worden gebracht niet in de overeenkomst genoemd. Op grond van dit prijsbeding kan de consument dan ook geen inschatting maken van de te verwachten maandelijkse kosten en daarmee ook niet van de economische gevolgen van het sluiten van de overeenkomst (ECLI:EU:C:2023:14). Het prijsbeding wordt daarom als niet transparant aangemerkt, zodat het moet worden getoetst op oneerlijkheid.
4.7.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten.
4.8.
Met inachtneming van het hiervoor weergegeven beoordelingskader wordt het prijsbeding, in navolging van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2025:2469), niet als oneerlijk aangemerkt. Warmteleveringsovereenkomsten als de onderhavige zijn onderworpen aan bijzondere wetgeving en daarop gebaseerde regelingen. Daarbij geldt dat Eteck is gebonden aan de maximumtarieven die de Autoriteit Consument en Markt (ACM) vaststelt, waarbij wordt aangenomen dat de ACM ook de belangen van de consument bij die vaststelling heeft betrokken en Eteck zich aan de maximumtarieven houdt. Onder die omstandigheden kan volgens het gerechtshof niet worden vastgesteld dat het vereiste van goede trouw niet is nageleefd en ook niet dat het evenwicht tussen partijen ten nadele van de consument aanzienlijk is verstoord.
4.9.
De onderhavige vordering van Eteck ziet op de jaren 2023 t/m 2025. De tarieven zijn gewijzigd. Het beding dat hieraan ten grondslag ligt moet daarom eveneens worden getoetst op oneerlijkheid.
4.10.
Vorenbedoeld beding is te vinden in artikel 11.1 t/m 11.6 van de algemene leveringsvoorwaarden, gelezen in samenhang met de bepaling over indexatie en wijziging van de tarieven op het Product- en Tarievenblad. Deze bepalingen moeten cumulatief worden getoetst. Tariefswijzigingen van de door de Warmtewet gereguleerde tarieven worden jaarlijks vastgesteld conform de richtlijnen van de ACM. Tariefswijzigingen van overige kosten die buiten de regulering van de Warmtewet vallen vindt jaarlijks plaats op basis van een objectieve index (SBI 24-30, 33 cao lonen, contractuele loonkosten en arbeidsduur Metal/elektro over de reeks oktober-oktober van het voorgaande jaar). Het beding sluit voor wat betreft de periodieke wijziging van het tarief aan bij wat krachtens de wet- en regelgeving en de besluiten van de ACM is toegestaan. Het prijswijzigingsbeding wordt daarom niet als oneerlijk aangemerkt (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2025:2469, overweging 5.16).
4.11.
Het voorgaande leidt, gelet op de sanctie van 20% (overweging 4.4), tot toewijzing van 80% van de gevorderde hoofdsom. De hoofdsom bij dagvaarding bedraagt € 1.675,51 zodat wordt toegewezen een bedrag van € 1.340,40.
4.12.
De vordering tot betaling van de maandelijkse voorschotten komt met inachtneming van het voorgaande, in combinatie met de stellingen hierover in de dagvaarding waarbij een beroep wordt gedaan op artikel 6:80 lid 1 sub c BW Pro en het eerder aangehaalde arrest van het gerechtshof, niet onrechtmatig of ongegrond voor.
4.13.
Eteck vordert verder wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. In artikel 12.10 van de algemene voorwaarden staan bedingen die daarop zien. Deze moeten daarom worden getoetst op oneerlijkheid. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als Eteck zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
4.14.
De kantonrechter volgt de beoordeling van het gerechtshof Amsterdam van deze specifieke bedingen (ECLI:NL:GHAMS:2025:2469, overwegingen 5.19 en 5.20). Het beding met betrekking tot wettelijke rente is niet oneerlijk en het beding met betrekking tot buitengerechtelijke kosten wel.
4.15.
Gevolg hiervan is dat de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar is. Wel is de rente berekend over een te hoog bedrag, vanwege de sanctie. De wettelijke rente is toewijsbaar over € 1.340,40 vanaf de datum van verzuim. Deze datum is in de dagvaarding niet gesteld. Daarom wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van betekening van de dagvaarding.
4.16.
De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, omdat het beding in de algemene leveringsvoorwaarden dat daarop ziet oneerlijk is. Op grond van het betreffende beding kan Eteck reeds buitengerechtelijke kosten in rekening brengen zonder het versturen van een aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Dat wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn als die beding niet was overeengekomen en bovendien van dwingend recht is.
4.17.
Eteck vordert ontbinding van de leveringsovereenkomst en afsluiting van de leverantie. In artikel 4 lid 3 van Pro de Warmtewet staat dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over afsluiting van de levering van een verbruiker van warmte en over preventieve maatregelen om de afsluiting van een verbruiker waar mogelijk te voorkomen. Die regels zijn vastgelegd in de Warmteregeling. Hiervan bestaan verschillende versies. Overgangsrecht is niet van toepassing. De datum waarop de dagvaarding is uitgebracht is bepalend voor de vraag welke versie van de Warmteregeling van toepassing is. De onderhavige dagvaarding is uitgebracht op 3 september 2025, zodat de huidige versie van de Warmteregeling (geldend vanaf 1 januari 2025) van kracht is.
4.18.
In de Warmteregeling is bepaald wanneer een warmteleverancier de energielevering mag beëindigen. Dit mag onder andere bij wanprestatie door de verbruiker, zoals een betalingsachterstand zoals hier aan de orde is. In dat geval moet wel voldaan zijn aan de voorwaarden die uit artikelen 4b t/m 6 van (voornoemde versie van) de Warmteregeling volgen. Daarvoor is – onder meer – nodig dat Eteck [gedaagde] heeft gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening en dat zij heeft aangeboden om met haar toestemming of uitblijven van een reactie haar contactgegevens en de hoogte van haar schuld door te geven aan een instantie ten behoeve van schuldhulpverlening. Ook moet Eteck aan [gedaagde] tenminste drie schriftelijke aanmaningen sturen met een nakomingstermijn van tenminste veertien dagen, moeite doen om persoonlijk met haar in contact te treden en haar een redelijke en passende betalingsregeling aanbieden.
4.19.
Eteck heeft in de dagvaarding gesteld dat zij aan vorenbedoelde verplichtingen voortvloeiend uit de Warmteregeling heeft voldaan en verwijst ter onderbouwing van die stelling naar de producties bij dagvaarding. Uit deze stukken kan echter niet worden afgeleid dat Eteck heeft voldaan aan alle voorwaarden voortvloeiend uit de Warmteregeling. Uit de stukken blijkt niet dat de contactgegevens van [gedaagde], zijn klantnummer en informatie over de hoogte en ontwikkeling van zijn schuld, na toestemming of een uitblijvende reactie, zijn doorgegeven aan een schuldhulpverlenende instantie. Het overzicht dat als productie E7 is overgelegd volstaat in dit verband zonder enige toelichting niet. Welke instantie dit overzicht heeft opgemaakt en wie het heeft ingevuld is niet toegelicht. Welke gegevens zijn doorgegeven is niet gesteld en onderbouwd. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde] daadwerkelijk is aangemeld en zo ja, of bij die aanmelding is voldaan aan alle voorwaarden die volgen uit artikel 5a lid 2 van de Warmteregeling. Verder kan weliswaar worden vastgesteld dat Eteck meerdere schriftelijke herinneringen met een nakomingstermijn van 14 dagen heeft verstuurd, maar in die herinneringen wordt niet de mogelijkheid tot het treffen van een betalingsregeling benoemd, zoals artikel 5 lid 3 onder Pro a van de Warmteregeling voorschrijft. Evenmin is in de betalingsherinneringen voldaan aan het bepaalde in artikel 5 lid 3 onder Pro c van de Warmteregeling.
4.20.
Nu de voorwaarden voortvloeiend uit de Warmteregeling om te mogen afsluiten cumulatief zijn en niet kan worden vastgesteld dat aan al deze voorwaarden is voldaan, kunnen de vorderingen met betrekking tot ontbinding van de overeenkomst en afsluiting van de leverantie niet worden toegewezen.
4.21.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Eteck worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
217,00
(1 punt × € 217,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
794,78

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Eteck te betalen een bedrag van € 1.340,40 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 3 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Eteck te betalen de maandelijkse voorschotten ter grootte van € 63,03 per maand, vanaf 1 september 2025 tot de datum waarop de levering van warmte en/of koude zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van de voldoening,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 794,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.
991