Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4936

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
13-143840-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks niet-dubbele strafbaarheid en afwezigheid verdachte in hoger beroep

De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 mei 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteiten voor de overlevering van een verdachte die een gevangenisstraf van zes maanden moet ondergaan. De verdachte was niet persoonlijk aanwezig bij de procedure in hoger beroep, maar had een advocaat gemachtigd die in zijn plaats verscheen.

De verdediging voerde aan dat de overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), omdat de verdachte niet persoonlijk aanwezig was in hoger beroep. De rechtbank oordeelde echter dat de verdachte afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht door een advocaat te machtigen en op de hoogte was van de procedure, waardoor geen schending van verdedigingsrechten plaatsvond.

Daarnaast werd betoogd dat het feit waarvoor de straf is opgelegd, namelijk het rijden op een fiets ondanks een rijverbod, niet dubbel strafbaar is in Nederland. Hoewel dit een weigeringsgrond kan vormen, besloot de rechtbank af te zien van weigering omdat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft en de straf door een Poolse rechter is opgelegd.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en geen beletselen bestaan voor overlevering. De overlevering wordt daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks het ontbreken van dubbele strafbaarheid en de afwezigheid van de verdachte in hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-143840-25
Datum uitspraak: 21 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 10 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 mei 2020 (en aangevuld op 8 juni 2020 en aangepast op 24 maart 2021) door
the Regional Court in Bydgoszcz,
3rd Penal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 mei 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist
zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Inowrocławvan 15 april 2013, referentie II K 49/12
,aangepast bij het arrest van
the Regional Court in Bydgoszczvan
14 augustus 2013, referentie IV Ka 576/13.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verklaard dat de weigeringsgrond van artikel 12 niet Pro van toepassing is, omdat opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij bij de procedure in eerste aanleg aanwezig was en in de procedure in hoger beroep een gemachtigd raadsman had.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de procedure in hoger beroep getoetst moet worden. De opgeëiste persoon was in die procedure niet aanwezig, maar er is sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW, omdat de opgeëiste persoon een gemachtigd raadsman had in de procedure van het hoger beroep.
Het oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal gelet op de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 7 april 2026 de procedure in hoger beroep, die geleid heeft tot het arrest van 14 augustus 2013 van
the Regional Court in Bydgoszcz, aan artikel 12 OLW Pro toetsen.
Uit de aanvullende informatie van
the District Court in Inowrocławvan 2 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was op de zitting die geleid heeft tot het arrest. Anders dan de raadsman en officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De rechtbank stelt op grond van de aanvullende informatie van 7 april 2026 vast dat onderdeel D van het EAB is ingevuld voor de procedure in eerste aanleg. Door de uitvaardigende justitiële autoriteit is niet een ingevuld onderdeel D voor de procedure in hoger beroep toegezonden, ook niet bij de aanvullende informatie van 2 en 7 april 2026. Ten aanzien van de procedure in hoger beroep kan op grond van de aanvullende informatie van 2 april 2026 enkel worden vastgesteld dat de advocaat van de opgeëiste persoon in zijn plaats is verschenen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarmee ten aanzien van de procedure in hoger beroep niet worden vastgesteld dat aan alle vereisten zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW is voldaan. Weliswaar heeft de opgeëiste persoon zelf verklaard dat hij een advocaat heeft gemachtigd om voor hem de verdediging in hoger beroep te voeren, maar niet kan worden vastgesteld dat deze advocaat daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd.
De rechtbank stelt daarom vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest op de zitting van de procedure in eerste aanleg, alsook bij de uitspraak in die procedure. Hij heeft instructies ontvangen over de termijn en procedure in hoger beroep maar is zelf niet in beroep gegaan. Het openbaar ministerie is wel in beroep gegaan. In de aanvullende informatie van 2 april 2026 is vermeld dat de advocaat van de opgeëiste persoon op de zitting in hoger beroep, die al enkele maanden na het vonnis in eerste aanleg plaatsvond, in zijn plaats is verschenen. De opgeëiste persoon heeft dit alles bevestigd ten tijde van de voorgeleiding en bovendien verklaard dat hij wist van de procedure in hoger beroep, dat hij een advocaat heeft gemachtigd om hem te verdedigen, dat deze advocaat aanwezig was in hoger beroep en dat hij contact heeft onderhouden met deze advocaat van wie hij de opgelegde straf heeft vernomen. De verklaring van de opgeëiste persoon bevestigt voornoemde aanvullende informatie.
De rechtbank stelt daarmee vast dat de opgeëiste persoon van de procedure op de hoogte was en ervoor gekozen heeft niet zelf naar de zitting te gaan, maar een advocaat in zijn plaats te sturen. Daarmee heeft hij afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.

5.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De opgeëiste persoon is in Polen veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf wegens het op
15 maart 2011 te Pakosz, Polen, rijden op een fiets op de openbare weg, ondanks een aan hem door
the District Courtin Inowroclaw opgelegd rijverbod. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. Indien aan het daarin genoemde vereiste van dubbele strafbaarheid niet wordt voldaan, kan de overlevering op grond van artikel 7, tweede lid onder b OLW geweigerd worden.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat het feit niet dubbel strafbaar is, nu naar Nederlands recht het handelen van de opgeëiste persoon geen strafbaar feit oplevert. Hij heeft de rechtbank verzocht om op grond van artikel 7 OLW Pro over te gaan tot weigering van de overlevering. Van de weigeringsgrond moet in het onderhavige geval niet worden afgezien omdat het feit dateert uit 2011, het bovendien een feit van geringe ernst is en de opgeëiste persoon al een aanzienlijke periode – sedert 2017 - in Nederland verblijft.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit niet dubbel strafbaar is, zodat de weigeringsgrond van artikel 7, tweede lid OLW van toepassing is. Volgens de officier van justitie moet echter worden afgezien van de weigeringsgrond om straffeloosheid te voorkomen. Het feit heeft namelijk geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde. Het feit is begaan in Polen door een onderdaan van Polen. De straf is opgelegd door een Poolse rechter. Ook kan de opgeëiste persoon niet met een Nederlander gelijk worden gesteld, zodat de straf ook niet door Nederland hoeft te worden overgenomen.
Het oordeel van de rechtbank
Het rijden op een fiets gedurende een opgelegd rechterlijk verbod kan naar Nederlands recht niet als een strafbaar feit worden gekwalificeerd. Dit brengt met zich mee dat de overlevering op grond van artikel 7, tweede lid onder b geweigerd kan worden.
Artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, OLW betreft een facultatieve weigeringsgrond. Dat betekent dat de rechtbank kan afzien van weigering van de overlevering, ook als niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om van de weigering af te zien. De rechtbank vindt daarbij redengevend dat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft. Het feit ziet immers op een door een Poolse rechter opgelegd rijverbod en is begaan in Polen, door een onderdaan van Polen. Het verweer wordt verworpen.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Bydgoszcz,
3rd Penal Division, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mr. B.M. Vroom–Cramer en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (Tupikas), ECLI:EU:C:2017:628.