Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4951

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
11647485
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:82 BWArt. 7:90 BWArt. 7:95 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oneerlijke bedingen in autofinancieringsovereenkomst ongeldig verklaard en schadevergoeding toegewezen

In deze zaak stond de vraag centraal of bepaalde bedingen in de algemene voorwaarden van een autofinancieringsovereenkomst oneerlijk en daarmee nietig zijn. De kantonrechter oordeelde dat het beding dat de kredietgever de overeenkomst per direct kan ontbinden bij betalingsachterstand in strijd is met dwingendrechtelijk recht (art. 7:82 BW Pro). Ook het beding dat de consument bij teruggaaf van de auto alle bijkomende kosten, zoals stallingskosten, moet betalen, is in strijd met art. 7:95 BW Pro en daarmee oneerlijk.

De rechtbank liet deze bedingen buiten toepassing en oordeelde dat de kredietgever de auto zonder betaling van stallingskosten aan de consument moet teruggeven. De kredietgever had de auto pas na betaling van deze kosten willen teruggeven, wat onrechtmatig was. De consument kreeg daarom een schadevergoeding toegewezen voor de waarde van de auto, kosten van vervangend vervoer en verzekering.

Daarnaast werd de kredietgever veroordeeld om een onterechte BKR-registratie te verwijderen en werd een dwangsom opgelegd voor het geval van niet-naleving. De vordering tot betaling van stallingskosten en restant lening werd afgewezen omdat de kredietgever in verzuim verkeerde. De proceskosten werden aan de kredietgever opgelegd.

De uitspraak bevestigt dat afwijkingen van dwingendrechtelijke bepalingen in consumentenovereenkomsten niet kunnen worden gehandhaafd en benadrukt de bescherming van consumenten tegen oneerlijke bedingen in kredietovereenkomsten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de bedingen in de algemene voorwaarden oneerlijk, wijst schadevergoeding toe aan de consument en veroordeelt RCI tot verwijdering van de BKR-registratie.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11647485 CV EXPL 25-5867
vonnis van: 22 mei 2026
fno.: 94

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]
eiser in conventie, verweerder in reconventie
nader te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. R.P. Groot
t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RCI Financial Services B.V.

gevestigd te Amsterdam
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie
nader te noemen: RCI
gemachtigde: mr. H.H.M. Meijroos

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op 13 maart 2026 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis hebben beide partijen een akte in het geding gebracht.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Beoordeling

In bovengenoemd tussenvonnis heeft de kantonrechter vastgesteld dat RCI zich voor de bevoegdheid om de auto in te nemen beroept op artikel 7, 8 en 9 van de algemene voorwaarden. Daarbij heeft zij geoordeeld dat het beding in artikel 7.2 ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling, omdat daarin is bepaald dat RCI de kredietovereenkomst per direct kan ontbinden bij een betalingsachterstand. Dit is in strijd met artikel 7:82 BW Pro, waarin dwingendrechtelijk is bepaald dat ontbinding van een kredietovereenkomst op grond dat de consument is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen slechts kan geschieden door de rechter behoudens artikel 7:90 BW Pro. Ook heeft de kantonrechter geoordeeld dat artikel 9.2 ten nadele van [eiser] afwijkt van de dwingendrechtelijke wettelijke regeling. In artikel 7:95 BW Pro is immers bepaald dat indien de kredietnemer binnen veertien dagen nadat hij de zaak heeft afgegeven het totale uit hoofde van de kredietovereenkomst op het moment van inlossing opeisbare, achterstallige bedrag (inclusief vertragingsschade) voldoet, de zaak door de kredietgever wordt teruggegeven. Door te bedingen dat de kredietnemer ook alle bijkomende kosten (bijvoorbeeld eventuele beslagkosten, revindicatiekosten en stallingskosten) dient te betalen, handelt RCI in strijd met de wet. Nu artikel 7.2 en 9.2 in strijd zijn met dwingend recht zijn deze bedingen oneerlijk. Gevolg daarvan is dat deze bedingen buiten toepassing zullen worden gelaten en RCI daarop geen beroep kan doen.
Omdat de hiervoor genoemde bedingen in de algemene voorwaarden niet ter zitting zijn besproken heeft de kantonrechter partijen in de gelegenheid gesteld zich over de oneerlijkheid en de gevolgen van het buiten toepassing laten uit te laten.
[eiser] heeft zich vervolgens gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.
RCI heeft aangevoerd dat [eiser] mondeling in de gelegenheid is gesteld om de auto bij het sleepbedrijf Delta op te halen. Zij herhaalt het door haar hiertoe gedane bewijsaanbod. Doordat [eiser] de auto niet meteen heeft opgehaald, zijn de kosten opgelopen. Volgens RCI is de richtlijn niet van toepassing indien de kosten onnodig of moedwillig zijn ontstaan. Daarvan is volgens haar in deze zaak sprake. [eiser] kan daarom volgens RCI geen aanspraak maken op een schadevergoeding.

Beoordeling

5. Nu partijen geen verweer hebben gevoerd tegen het voornemen het beding in artikel 7.2 van de algemene voorwaarden oneerlijk te verklaren, zal dit beding buiten toepassing worden gelaten omdat dit ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling, omdat daarin is bepaald dat RCI de kredietovereenkomst per direct kan ontbinden bij een betalingsachterstand, hetgeen in strijd is met dwingend recht.
6. RCI heeft met betrekking tot artikel 9.2 van de algemene voorwaarden aangevoerd dat zij [eiser] in de gelegenheid heeft gesteld de auto zonder het betalen van extra kosten op te halen. Uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) volgt dat RCI, als een beding oneerlijk is, ongeacht of daar een beroep op is gedaan, niet kan terugvallen op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn als het beding niet in de voorwaarden zou staan. Wat partijen dus daadwerkelijk gedaan hebben om de auto terug te halen, is derhalve niet van belang.
7. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat nu RCI niet heeft voldaan aan haar verplichting de auto na betaling van de achterstand aan [eiser] terug te geven en ten onrechte pas bereid was deze na het voldoen van de stallingskosten terug te geven, RCI de schade die [eiser] hierdoor heeft geleden dient te voldoen. Nu RCI de hoogte van de schadebedragen niet heeft betwist, zal de vordering tot betaling van de waarde van de auto, de kosten voor het huren van een vervangende auto en de kosten van het tweemaal schorsen en van de verzekering worden toegewezen. RCI heeft nog wel gesteld dat de auto uiteindelijk niets waard bleek omdat niemand deze wilde kopen, maar dit was pas in 2024, bijna een jaar na de ontbinding, zodat dit standpunt verder terzijde zal worden gelaten.
8. Nu gelet op het bovenstaande RCI [eiser] ten onrechte in het BKR heeft ingeschreven, zal RCI worden veroordeeld de BKR-registratie uit het CKI van BKR te verwijderen. De dwangsom zal ook worden toegewezen, zij het dat deze zal worden gemaximeerd tot € 25.000,00.
9. De vordering van RCI tot betaling van de stallingskosten zal gelet op het bovenstaande worden afgewezen. Nu RCI in schuldeisersverzuim verkeerde door de auto niet terug te geven, zal de vordering tot betaling van het restant van de lening eveneens worden afgewezen.
10. RCI zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten zowel in conventie en in reconventie. Deze laatste kosten zullen in verband met het nauwe verband met de vordering in conventie worden begroot op nihil.

BESLISSING

De kantonrechter:
In conventie:
veroordeelt RCI tot betaling aan [eiser] van:
- € 7.350,00 aan waarde auto vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2026 tot aan de voldoening;
- € 2.816,76 aan schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2026 tot aan de voldoening;
gebiedt RCI om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis de BKR-registratie van [eiser] uit het CKI van het BKR te verwijderen, te doen verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 25.000,00;
veroordeelt RCI in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op:
€ 90,00 voor het griffierecht
€ 864,00 voor salaris gemachtigde
-----------------
€ 954,00 voor zover van toepassing, inclusief btw;
veroordeelt RCI in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 72,00 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
In reconventie
wijst de vorderingen af;
veroordeelt RCI in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser] gevallen, tot heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.