De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de kinderrechter om een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige te verlenen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling. De minderjarige verbleef recentelijk bij een tante, maar deze plek kwam per 10 maart 2026 te vervallen. Momenteel verblijft de minderjarige bij een zorginstelling waar het goed gaat.
Er is sprake van een ernstig verstoorde relatie tussen de minderjarige en haar moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De moeder verzet zich niet tegen het verzoek, maar maakt zich zorgen over het contact en de begeleiding van haar kind. De minderjarige is recent van school verwijderd na een incident en staat open voor contact met een coach. Plaatsing binnen het netwerk is niet mogelijk en therapie is nog niet gestart.
De kinderrechter heeft tijdens een zitting met gesloten deuren de minderjarige gesproken en de standpunten van de GI en moeder gehoord. Gelet op de ernst van de situatie en het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, is de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. De beschikking van 9 maart 2026 wordt gehandhaafd en de machtiging wordt verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 25 november 2026, met onmiddellijke werking ook bij hoger beroep.