Op 30 januari 2026 heeft verdachte in Amsterdam het slachtoffer met een mes in het gezicht gesneden, wat niet tot voltooiing van zware mishandeling leidde, en het slachtoffer bedreigd met een mes. Verdachte werd primair beschuldigd van zware mishandeling, subsidiair poging tot zware mishandeling en meer subsidiair mishandeling met zwaar lichamelijk letsel, alsmede bedreiging.
De rechtbank sprak verdachte vrij van de primair tenlastegelegde zware mishandeling vanwege onvoldoende bewijs van zwaar lichamelijk letsel. Wel achtte de rechtbank bewezen dat verdachte poging tot zware mishandeling heeft gepleegd en het slachtoffer heeft bedreigd. Verdachte voerde noodweerexces aan, maar dit werd verworpen omdat hij weloverwogen handelde en wraak wilde nemen.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van vier maanden op, met aftrek van voorarrest, rekening houdend met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van eendaadse samenloop en dat de straf passend en geboden is.
De inbeslaggenomen messen werden onttrokken aan het verkeer. Het vonnis werd uitgesproken op 12 mei 2026 door de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer.