Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5195

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
13-077923-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en toepassing gelijkstellingsverweer

De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 mei 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteit tegen een Poolse verdachte die in Nederland verblijft. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van twee jaar en acht maanden, waarvan nog ruim twee jaar resteert.

De rechtbank constateerde dat de verdachte niet in persoon aanwezig was bij het hoger beroep in Polen, maar dat zijn advocaat wel aanwezig was en handelde met zijn toestemming. Hierdoor werd besloten af te zien van de weigeringsgrond op grond van artikel 12 OLW Pro. Tevens werd het gelijkstellingsverweer op grond van artikel 6a OLW toegewezen, omdat de verdachte ten minste vijf jaar rechtmatig in Nederland verblijft en zijn verblijfsrecht niet zal verliezen door de straf.

De rechtbank besloot het onderzoek te heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het benodigde certificaat en het onderliggende arrest op te vragen bij de Poolse autoriteiten, conform een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De beslistermijn werd met 60 dagen verlengd tot 14 augustus 2026, met gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie. De zaak wordt opnieuw op zitting gepland, waarbij ook een tolk in de Poolse taal zal worden opgeroepen.

Uitkomst: De rechtbank heropent het onderzoek, wijst het gelijkstellingsverweer toe en verlengt de beslistermijn met 60 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-077923-26 (EAB II)
Datum uitspraak: 27 mei 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 17 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 september 2025 door
the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Pruszkówvan 15 maart 2019, met kenmerk II K 316/17.
Uit de toelichting onder D.2) van het EAB en de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 22 april 2026 blijkt dat sprake is geweest van een procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van
the Regional Court in Warsaw, Tenth Criminal Appellate Divisionvan 7 november 2019.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren, zeven maanden en 23 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van 7 november 2019.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
Op grond van de toelichting onder D.2) van het EAB en de aanvullende informatie van
22 april 2026 stelt de rechtbank vast dat alleen het arrest van
the Regional Court in Warsaw, Tenth Criminal Appellate Divisionvan 7 november 2019 moet worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De rechtbank kan, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 21 mei 2026 [5] , op grond van de huidige informatie in onderdeel D.2) van het EAB en de aanvullende informatie van 22 april 2026 niet vaststellen of voldaan is aan alle voorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Evenmin is gebleken dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder c, OLW en ook is geen garantie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
De opgeëiste persoon heeft blijkens onderdeel D.2) van het EAB meerdere zittingen in eerste aanleg bijgewoond, samen met zijn advocaat. Op de zittingen dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was, was de advocaat dat wel. Nadat de rechtbank uitspraak had gedaan, hebben de opgeëiste persoon en zijn advocaat een aanvraag ingediend voor een “
judgement justification” die zij daarna hebben ontvangen. Vervolgens heeft de advocaat hoger beroep ingesteld - naar de rechtbank uit het voorgaande afleidt: met medeweten en toestemming van de opgeëiste persoon - en is de oproeping voor de zitting in hoger beroep verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Uit de aanvullende informatie van 22 april 2026 blijkt verder dat de advocaat van de opgeëiste persoon aanwezig was bij de zitting in hoger beroep en handelde naar aanleiding van instructies van de opgeëiste persoon.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, voor zover hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces in hoger beroep, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Het toestaan van de overlevering levert daarom geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op.

5.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. Zij hebben verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om toezending van het certificaat en het arrest door de Poolse autoriteiten af te wachten.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De opgeëiste persoon staat vanaf 27 juli 2021 ingeschreven in de Basisregistratie personen. Daarnaast heeft hij ter onderbouwing van zijn beroep op gelijkstelling met een Nederlander onder meer aanslagen Inkomstenbelasting overgelegd waaruit de hoogte van zijn verzamelinkomen vanaf 2020 tot en met 2023 blijkt. Daarnaast zijn er jaaropgaven van werkgever over 2024 en 2025 overgelegd. Voorts heeft de opgeëiste persoon een overzicht van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt waarin staat hoeveel uur per jaar de opgeëiste persoon vanaf 2020 tot en met 2025 in Nederland heeft gewerkt. Gelet op het aantal gewerkte uren vanaf 2020 kan het niet anders dan dat de opgeëiste persoon vanaf dat jaar in Nederland woont. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 14 april 2026 volgt dat de beschreven strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [6] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
Het arrestC.J.
van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU)
Op 4 september 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) arrest gewezen in de zaak
C.J. [7] In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ wenst toe te passen. Het betreft de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen [8] volgt uit dat arrest - samengevat - dat voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen, daarvoor toestemming van de beslissingsstaat vereist is. Die toestemming wordt uitgedrukt door toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen om in navolging van het arrest
C.J.van het HvJ EU de officier van justitie te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest van
the Regional Court in Warsaw, Tenth Criminal Appellate Divisionvan 7 november 2019 op te vragen bij of via de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen in dat arrest opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.
Verlenging van de beslistermijn
De beslistermijn die op de zitting van 13 mei 2026 is verlengd, verstrijkt op 15 juni 2026. Artikel 22, vierde lid, OLW bepaalt dat de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen kan verlengen. De rechtbank ziet de nieuwe lijn zoals uitgezet in het arrest
C.J.van het HvJ EU nog steeds als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW en daarom verlengt zij de beslistermijn met 60 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

7.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het certificaat en het onderliggende arrest op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (
eindigend op 14 augustus 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak uiterlijk op
28 juli 2026(vanwege het verstrijken van de beslistermijn in EAB I op 11 augustus 2026) opnieuw op zitting wordt gepland, tezamen met de zaak met parketnummer 13-312850-25 (EAB I).
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (
5.HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24 (
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (
8.Rb Amsterdam 30 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7371.