Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5342

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
11980166
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:686a BWArt. 7:681 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vorderingen wegens niet tijdig verzoekschrift ontslag

Eiser was werkzaam bij Evean op basis van een leerwerkovereenkomst die op 1 september 2024 werd beëindigd vanwege twee onvoldoende beoordelingen. Eiser vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige daad en een billijke vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag.

Evean voerde verweer dat eiser niet tijdig een verzoekschrift had ingediend, wat vereist is binnen het gesloten ontslagstelsel. De kantonrechter oordeelde dat eiser binnen twee maanden na het ontslag een verzoekschrift had moeten starten en daarbij om een billijke vergoeding had kunnen verzoeken. Dit is niet gebeurd, waardoor het recht om dit alsnog te doen is vervallen.

De kantonrechter verklaarde eiser niet-ontvankelijk in haar vorderingen en veroordeelde haar tot betaling van de proceskosten. De procedure werd mondeling behandeld op 11 mei 2026 in de rechtbank Amsterdam.

Uitkomst: Eiser is niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen wegens het niet tijdig starten van een verzoekschriftprocedure binnen het ontslagstelsel.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11980166 \ CV EXPL 25-16390
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 11 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.J. Engelsma (AKDP Advocaten),
tegen
de stichting
STICHTING EVEAN ZORG,
gevestigd te Purmerend ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Evean ,
gemachtigde: mr. M. Broeders (Hanze Advocaat)
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
1. De mondelinge behandeling
1.1. Op 11 mei 2026 zijn voor mr. L. van Berkum, kantonrechter, en mr. H. Heida, griffier, verschenen:
  • [eiser] bijgestaan door de gemachtigde; en
  • namens Evean [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde.
1.2. Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekening, en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter na een korte schorsing de volgende mondeling uitspraak gedaan.

2.De beoordeling

2.1.
[eiser] was werkzaam bij Evean per 1 augustus 2023 op basis van een leerwerkovereenkomst als leerling verzorgende IG, naast haar opleiding bij het ROC . Op
26 juni 2024 is de overeenkomst als gevolg van twee onvoldoende beoordelingen op grond van een beding in de arbeidsovereenkomst door Evean opgezegd per 1 september 2024. [eiser] heeft Evean op 17 november 2025 gedagvaard.
2.2.
[eiser] vordert in deze procedure primair € 30.000,00 aan schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad en subsidiair een billijke vergoeding van € 25.000,00 vanwege kennelijk onredelijk ontslag.
2.3.
Evean voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid omdat [eiser] niet tijdig een verzoekschrift hiertoe heeft ingediend.
2.4.
Ter zitting heeft [eiser] haar standpunten toegelicht en verklaard dat zij van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst niet had mogen worden beëindigd. Evean heeft haar ten onrechte onvoldoende beoordelingen gegeven, haar daarbij ten onrechte beschuldigd van diefstal en onheus bejegend. Hierdoor heeft zij de gevorderde schade geleden.
2.5.
Gelet op het gesloten ontslagstelsel en de omstandigheid dat de schadevergoedingsvordering dus kennelijk alleen ziet op het ontslag en de wijze waarop dit ontslag tot stand is gekomen, had [eiser] ingevolge artikel 7:686a juncto 7:681 van het Burgerlijk Wetboek binnen twee maanden na het ontslag per 1 september 2024 een verzoekschriftprocedure moeten starten en daarbij om een billijke vergoeding kunnen verzoeken. Dat heeft zij niet gedaan, hoewel zij ook toen al werd bijgestaan door haar gemachtigde. Door dit niet te doen is het recht om dit nu alsnog te doen vervallen. [eiser] is dan ook niet ontvankelijk in haar primaire en subsidiaire vorderingen, nog los van de omstandigheid dat de kennelijk onredelijk ontslagprocedure op 1 juli 2015 met de invoering van de Wet Werk en Zekerheid is vervallen.
2.6.
[eiser] is niet-ontvankelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Evean worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.158,00

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in haar vorderingen,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.158,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Waarvan proces-verbaal,