Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5365

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
11661803 \ CV EXPL 25-6247
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:127 BWArt. 6:160 BWArt. 236 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding helft advocaatkosten voor gezamenlijke belangen tussen franchisenemers

In deze civiele bodemzaak vordert eiser vergoeding van de helft van advocaatkosten die zijn gemaakt in het kader van een gezamenlijk franchiseconflict met gedaagde. Eiser en gedaagde waren overeengekomen de juridische kosten die in hun gezamenlijk belang werden gemaakt, te delen. Na een eerdere procedure waarin een deel van de kosten werd verdeeld, vordert eiser nu vergoeding van kosten die na 17 maart 2023 zijn gemaakt.

De rechtbank oordeelt dat de vordering niet wordt belemmerd door gezag van gewijsde, omdat de facturen na die datum niet in de eerdere procedure aan de orde zijn geweest. Verweren van afstand van recht, rechtsverwerking en misbruik van procesrecht worden verworpen. De kantonrechter beoordeelt per onderdeel van de facturen welke werkzaamheden voor het gezamenlijke belang zijn verricht en welke niet.

De rechtbank wijst toe dat gedaagde de helft moet betalen van de kosten die zien op het voorlopig getuigenverhoor en overleg met advocaten, maar wijst kosten af die betrekking hebben op de verkoop van een vestiging waar belangen tegenstrijdig waren. Ook wordt een deel van de kosten voor vaststellingsovereenkomsten uitgesloten. Het beroep op verrekening door gedaagde wordt afgewezen omdat de vorderingen in verschillende vermogens vallen of niet zijn overeengekomen.

De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van €3.773,51, te vermeerderen met de helft van een eventueel kwijtgescholden bedrag door mr. Janssens, en tot het leveren van bewijs van betaling. Tevens worden wettelijke rente en proceskosten toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €3.773,51 plus wettelijke rente en proceskosten aan eiser voor gedeelde advocaatkosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11661803 \ CV EXPL 25-6247
Vonnis van 15 mei 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
de vennootschap onder firma
V.O.F. [gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. N. Lubach.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 april 2025 met producties I tot en met XI,
- de conclusie van antwoord zonder producties,
- het tussenvonnis van 18 juli 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging producties van [eiser] met producties XII tot en met XXI,
- de akte houdende overlegging nadere producties van [gedaagde] met producties 1 tot en met 5,
- de mondelinge behandeling van 14 oktober 2026 waarvan een verkort proces-verbaal en zittingsaantekeningen zijn opgemaakt,
- de akte na comparitie met producties van [eiser] met producties XXII tot en met XXVI,
- de akte na comparitie tevens inhoudende akte overlegging nadere producties van [gedaagde] met producties 6 tot en met 11,
- de antwoordakte na comparitie met producties van [eiser] met producties XXVII tot en met XXXIV,
- de akte uitlating producties van [gedaagde] zonder producties, waarin zij stelt dat het in strijd met de goede procesorde is dat [gedaagde] slechts op de producties mag reageren, terwijl [eiser] in een eerder stadium die beperking niet opgelegd heeft gekregen en zij een extra gelegenheid heeft gekregen om inhoudelijk te reageren op hetgeen [gedaagde] heeft gesteld.
- de akte houdende herstel van een kennelijke vergissing van [eiser] met productie XXXV.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eiser] is een houdstermaatschappij die via haar dochtermaatschappijen Coffee Company [locatie 1] B.V. en Coffee Company [locatie 2] B.V. koffieschenkerijen exploiteert (hierna: koffiezaken). Daarbij maakt zij gebruik van de franchiseformule Coffeecompany. De enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser] is [naam 1] (hierna: [naam 1] ).
2.2.
[gedaagde] exploiteert een koffieschenkerij en maakt daarbij gebruik van dezelfde franchiseformule. De vennoten van [gedaagde] zijn [vennoot 1] en [vennoot 2] (hierna: [vennoten gedaagde] ).
2.3.
In 2021 zijn zowel [eiser] en [gedaagde] in conflict gekomen met hun franchisegever Albron B.V. (hierna: Albron). Jacobs Douwe Egberts (JDE) is de rechtsvoorganger van Albron.
2.4.
[eiser] en [gedaagde] besloten samen tegen Albron op te trekken. Zij spraken af dat ieder de helft van de juridische kosten zou betalen voor zover het werk in hun gezamenlijk belang werd gedaan.
2.5.
[eiser] is bijgestaan door mr. Kan en ontving in dat verband diens facturen. [gedaagde] is bijgestaan door mr. Janssens en ontving in dat verband diens facturen.
2.6.
Tussen [eiser] en [gedaagde] is een conflict ontstaan. Toen is er geen uitvoering meer gegeven aan de afspraak om de juridische kosten te delen.
2.7.
Op 13 juni 2023 zou in het kader van het conflict met de franchisegever een voorlopig getuigenverhoor plaatsvinden bij rechtbank Midden-Nederland. Dit is op het laatste moment niet doorgegaan omdat partijen hun commerciële conflict met de franchisegever hadden opgelost.
2.8.
[gedaagde] heeft [eiser] al eerder in een rechtszaak betrokken en gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van de helft van drie facturen van mr. Janssen. Twee facturen (van 19 juni 2023 à € 10.188,07 en de factuur van 19 juni 2023 à € 20.180,38) zagen op de periode van 1 december 2022 tot en met 13 april 2023. Een factuur (van 3 oktober 2023 à € 34.022,18) zag op de periode van 1 april 2023 tot en met 3 oktober 2023.
[eiser] heeft in reconventie gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de helft van drie facturen van mr. Kan. Die facturen zagen op de periode van 2 september 2022 tot en met 3 maart 2023.
2.9.
Op 4 december 2024 heeft de kantonrechter van deze rechtbank vonnis gewezen (hierna: het eerdere vonnis) [1] , waarin per factuur van mr. Janssens en mr. Kan is beoordeeld of de kosten die zij aan [gedaagde] en [eiser] in rekening hebben gebracht voor het gezamenlijk belang van [gedaagde] en [eiser] zijn gemaakt.
2.10.
De kantonrechter heeft in conventie en in reconventie als volgt geoordeeld.
De kantonrechter heeft in conventie geoordeeld dat [eiser] in totaal een bedrag van € 20.079,58 inclusief btw moet betalen aan [gedaagde] , vermeerderd met de wettelijke rente. Dat bedrag is als volgt opgebouwd. [eiser] moet de helft van de totale kosten van de eerste factuur van 19 juni 2023 minus € 300,08 inclusief btw aan [gedaagde] betalen. De tweede factuur van 19 juni 2023 hoeft [eiser] niet aan [gedaagde] te betalen, omdat [gedaagde] niet heeft aangetoond dat de onderliggende uren van mr. Janssens mede ten behoeve van [eiser] zijn gemaakt. [eiser] moet wel de helft betalen van de totale kosten van de factuur van 3 oktober 2023 minus € 3.751,00, inclusief btw. Het bedrag dat in mindering komt zijn de door de kantonrechter geschatte kosten van 10 uur voor het opstellen van de vaststellingsovereenkomst tussen [gedaagde] en Albron, waar [eiser] volgens de kantonrechter niet aan hoeft bij te dragen.
De kantonrechter heeft in reconventie geoordeeld dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 7.320,50 inclusief btw moet betalen aan [eiser] , vermeerderd met de wettelijke rente en proceskosten. Dat is de helft van het totaalbedrag van de drie facturen van mr. Kan. [eiser] heeft het saldo van deze bedragen, € 13.022,39, inclusief rente aan [gedaagde] betaald.
2.11.
Mr. Kan heeft vier facturen met betrekking tot de periode na 17 maart 2023 aan [eiser] in rekening gebracht en die facturen die totaal € 23.232 bedragen, zijn door haar voldaan.
2.12.
Mr. Kan heeft op 30 september 2025 schriftelijk, voor zover van belang, het volgende verklaard en ondertekend:
“(...) Na 17 maart 2023 hebben mijn werkzaamheden bestaan uit het volgende:
 Veelvuldig overleg met mr Melanie Janssens (advocaat van [vennoten gedaagde] ), in de urenspecificatie door mij afgekort met “MJ”;
 Tevens overleg met de heren [vennoot 2] en [vennoot 1] en mr Janssens met het oog op het gezamenlijke geschil enerzijds [eiser] en [vennoten gedaagde] (franchisenemers) en anderzijds Albron (franchisegever). Door gezamenlijk optrekken van [eiser] en [vennoten gedaagde] is getracht meer “leverage” te creëren richting Albron bij de poging om tot een totaal oplossing te komen voor alle betrokkenen;
 Het voorbereiden van het voorlopig getuigenverhoor (bevolen op verzoek van [vennoten gedaagde] en [eiser] bij rechtbank Midden-Nederland. De vragen die gesteld zouden worden betroffen o.a. mijn expertise op het gebied van franchise en met mr Janssens was afgesproken de vragen onderling te verdelen. Het was mr Janssens die als penvoerder de processuele handelingen t.b.v. het getuigenverhoor heeft verricht;
 Uiteindelijk kon de zaak op het laatste moment worden geschikt waardoor het getuigenverhoor kon worden ingetrokken via mijn email (namens [eiser] en [vennoten gedaagde] ) d.d. 13 juni 2023 te 08:33 uur (aanvang getuigenverhoor was 09:00). Er is in de dagen voor 13 juni tot en met de nacht van 12 op 13 juni veelvuldig en intensief contact geweest tussen mr Janssens, Albron en mij om de schikking tot stand te brengen;
 Werkzaamheden ten behoeve van het bereiken van overeenstemming met Douwe Egberts (de vroegere franchisegever die de formule had verkocht aan Albron en die uit dien hoofde indirect belanghebbende was bij de uitkomst van het geschil);
 Werkzaamheden ten behoeve van het bereiken van overeenstemming met Albron;
 Het geschil en de belangen tussen [eiser] en [vennoten gedaagde] enerzijds en Albron anderzijds waren zo met elkaar vervlochten dat mijns inziens mijn werkzaamheden zonder meer hebben bijgedragen aan een oplossing voor zowel [eiser] als [vennoten gedaagde] . Als uitzondering hierop zou kunnen gelden de werkzaamheden voor het tot stand brengen van de VSO tussen [eiser] en Albron en Douwe Egberts hoewel ook daarover overleg is geweest tussen mr Janssen en mij. (...)”
2.13.
Mr. Kan heeft op 11 november 2025 een e-mailbericht gestuurd aan [naam 1] waarin hij – samengevat – informatie geeft over de door hem gedeclareerde werkzaamheden. Hij schrijft onder meer:
“(...) Na bestudering van het dossier, de diverse declaraties en bijbehorende urenspecificaties is mijn inschatting dat de werkzaamheden die specifiek verband hielden met het opstellen en beoordelen van de twee vaststellingsovereenkomsten (“VSO”) tussen [eiser] enerzijds en franchisegever Albron en JDE anderzijds, 6 uur en 5 minuten belopen (gelijk aan een honorarium van € 1.794,58 (ex BTW). De vermelde specifieke werkzaamheden heb ik met groen gearceerd in de urenspecificatie behorende bij mij declaratie d.d. 16 juni 2023 (declaratienummer 2023082).
Als toelichting merk ik nog op dat de eerste concept VSO tussen [eiser] (althans de werkmaatschappijen) en Albron werd ontvangen op zondag 11 juni 2023 om 10:43 uur (per email van [naam 2] van Albron). De definitieve versie werd vastgesteld op dinsdagnacht 13 juni om 02:11 uur. De omvang van de definitieve versie van de VSO was gelijk aan de eerste versie (6 pagina’s) en bevatte dezelfde zes artikelen, zij het dat op een aantal artikelen nog is onderhandeld naar de definitieve versie. Daarnaast zond ik op verzoek van partijen op dinsdagnacht 13 juni 2023 om 02:34 uur drie vrijwel gelijkluidende korte VSO’s namens [vennoten gedaagde] en [eiser] aan JDE (mr Jacobs) waarin ook de finale kwijting is vastgelegd tussen die partijen. Die VSO bestond uit twee pagina’s en feitelijk één relevant artikel terzake van de finale kwijting. De definitieve versie van de VSO tussen [eiser] en JDE wijkt niet of nauwelijks af van de concept versie.
Alle overige werkzaamheden waren m.i. volledig gericht op het gezamenlijke belang van zowel [eiser] en [vennoten gedaagde] , namelijk het bereiken van oplossing voor het totale conflict franchisegever Albron (en indirect JDE).
[vennoten gedaagde] en [eiser] waren uitsluitend bereid het voorlopig getuigenverhoor in te trekken indien er een voor alle partijen bevredigende VSO zou zijn. Albron zowel als JDE waren uitsluitend bereid tot ondertekening van een VSO indien beide franchisenemers hiertoe bereid waren en gezamenlijk het getuigenverhoor zouden intrekken. (...)”

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat [gedaagde] wordt veroordeeld, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, tot:
  • a) betaling van € 10.141,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 december 2024 tot de dag der algehele voldoening,
  • b) levering van bewijs van betaling van de factuur van mr. Janssens van 3 oktober 2023 en daarbij schriftelijk te verklaren dat dit bedrag op geen enkele (in)directe wijze aan [gedaagde] wordt terugbetaald binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn,
  • c) terugbetaling aan [eiser] van het teveel betaalde bedrag, met dien verstande dat de totale vordering, inclusief het gevorderde onder (a), nimmer meer zal bedragen dan € 25.000, als het onder (b) genoemde bewijs niet wordt geleverd,
vermeerderd met kosten.
3.2.
Daar legt [eiser] , samengevat, het volgende aan ten grondslag. De na 17 maart 2023 van mr. Kan ontvangen facturen heeft [eiser] buiten de eerdere procedure gelaten, omdat zij dacht dat de afspraak om de kosten te delen na 17 maart 2023 niet langer gold. Toen had mr. Kan namelijk namens [eiser] te kennen gegeven dat hij niet langer samen met [gedaagde] wenste op te treden. Omdat [eiser] in het eerdere vonnis is veroordeeld in de helft van de kosten van mr. Janssen van na die datum is dit standpunt niet juist gebleken. Daarom vordert [eiser] alsnog de helft van de na 17 maart 2023 ontvangen facturen van mr. Kan, omdat ook die aan het gezamenlijk doel zijn besteed, te weten het oplossen van het conflict tussen de franchisenemers en [eiser] en [gedaagde] enerzijds en hun franchisegever Albron en diens voorganger JDE. Van dat bedrag is € 2.950,00 afgetrokken aan kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de eigen vaststellingsovereenkomst, die neerkomen op 10 uur, waardoor € 20.282,00 te verdelen over blijft. De helft daarvan betreft de vordering onder (a). Subsidiair geldt dat de door [eiser] geel gearceerde regels in de urenspecificaties die horen bij de vier facturen van mr. Kan zijn gericht op het gezamenlijke doel.
Verder wil [eiser] bewijs zien van betaling door [gedaagde] van de factuur van 3 oktober 2023 van mr. Janssens, zoals weergegeven onder (b). In het eerdere vonnis is [eiser] namelijk veroordeeld tot betaling van de helft van die kosten aan [gedaagde] . Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat zij deze factuur slechts voor de helft had betaald en uitstel had verkregen tot na de uitkomst in die procedure. Die procedure is afgelopen. Pas wanneer [gedaagde] de desbetreffende factuur volledig heeft betaald inclusief rente, is er sprake van een verdeling van kosten waartoe het eerdere vonnis partijen heeft veroordeeld, aldus [eiser] .
3.3.
[gedaagde] wil dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Daar legt [gedaagde] , samengevat, het volgende aan ten grondslag. [eiser] komt uit hoofde van het vonnis niet zonder meer een vordering toe tot betaling van andere facturen. [gedaagde] voert als verweer aan dat het vonnis gezag van gewijsde heeft verkregen. [eiser] legt hetzelfde geschilpunt nogmaals voor. Het gaat om dezelfde grondslag en als [eiser] aanspraak zou willen maken op betaling van de onder (a) weergegeven vordering, had zij hoger beroep moeten instellen. De facturen waren toen al bekend en zijn door [eiser] bewust niet gevorderd. [gedaagde] is de kans ontnomen zich op deugdelijke wijze te verweren tegen deze vordering. Ook voert [gedaagde] aan dat [eiser] misbruik van (proces)recht maakt. [eiser] maakt nu pas aanspraak op betaling van de facturen, terwijl zij eerder heeft aangegeven dat de facturen van mr. Kan niet voor rekening van [gedaagde] behoren te komen. Daarmee heeft [eiser] tevens haar rechten verwerkt. Verder betwist zij dat de juridische kosten van mr. Kan in het gezamenlijk belang zijn gemaakt.
Voor zover het voorgaande niet slaagt, doet [gedaagde] een beroep op verrekening. [gedaagde] stelt namelijk dat zij beschikt over facturen waarmee zij de vordering van [eiser] kan verrekenen. Die vordering bestaat allereerst uit facturen uit hoofde van door haar uitgevoerde beheerswerkzaamheden van de twee koffiezaken van [eiser] van € 12.100,00. Daarnaast heeft [gedaagde] ook een franchiseadvocaat ingeschakeld ten behoeve van het geschil met de franchisegever, zijnde mr. Dolphijn. Ook hij heeft werkzaamheden verricht in het gezamenlijk belang. De helft van die kosten bedragen € 4.827,92 en verrekent [gedaagde] ook met de vordering van [eiser] . Wat betreft de vordering weergegeven onder (b) voert [gedaagde] aan dat het geschil met [eiser] nog niet is afgerond, zodat [gedaagde] nog niet hoeft te betalen aan mr. Janssens. Een andere grond op basis waarvan zij gehouden is hieraan te voldoen ontbreekt. Verder is onduidelijk welk belang [eiser] heeft bij die vordering. De grondslag van de betaling door [eiser] aan [gedaagde] is gelegen in het eerdere vonnis, aldus [gedaagde] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De nadere akte van [gedaagde]
4.1.
De kantonrechter laat de akte “akte uitlating producties” van [gedaagde] toe, omdat zij terecht heeft aangevoerd dat [eiser] na de mondelinge behandeling een extra gelegenheid heeft gekregen om inhoudelijk te reageren op hetgeen [gedaagde] heeft gesteld. Met die akte heeft [gedaagde] inhoudelijk kunnen reageren op de stellingen van [eiser] . Als [eiser] daartegen bezwaar had willen maken, had zij dat in haar nadere “akte houdende herstel van een kennelijke vergissing” kunnen doen. Dat heeft zij niet gedaan. De kantonrechter acht het beginsel van hoor en wederhoor niet geschaad.
Het beroep op gezag van gewijsde slaagt niet
4.2.
De kantonrechter heeft in dit geding uit te gaan van de bindende kracht van de in het eerdere vonnis vervatte beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen, nu [gedaagde] zich op dit gezag van gewijsde beroept (artikel 236 lid 1 Rv Pro). Het antwoord op de vraag of in het eerder geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het onderhavige geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust.
4.3.
Het standpunt van [gedaagde] dat de facturen niet opnieuw in rechte mogen worden betrokken acht de kantonrechter onhoudbaar. In het eerdere vonnis is in ieder geval geoordeeld dat werkzaamheden die rond het getuigenverhoor zijn verricht kwalificeren als juridische kosten ten behoeve van het gezamenlijk belang. De vordering van [eiser] onder (a) zien weliswaar op dezelfde rechtsgrond (de juridische grondslag), maar de facturen waar deze vordering op is gegrond zijn niet aan de orde geweest in de eerdere procedure tussen partijen, aangezien [eiser] meende geen facturen meer te mogen overleggen van na 17 maart 2023 (de feitelijke grondslag). Op deze feitelijke grondslag heeft een rechter nog niet geoordeeld. Het voorgaande betekent dat [eiser] ontvankelijk is in haar vordering onder (a) omdat deze niet afstuit op het gezag van gewijsde.
Geen sprake van afstand van recht
4.4.
Om afstand van recht aan te kunnen nemen moet sprake zijn van een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij de schuldeiser (hier [eiser] ) van zijn vorderingsrecht afstand doet (artikel 6:160 BW Pro).
4.5.
[gedaagde] wijst in dat verband op de feitelijke gang van zaken en gedingstukken uit de eerdere procedure, waarin [eiser] volgens [gedaagde] heeft aangegeven geen aanspraak te zullen maken op betaling van facturen van latere datum. Zo schreef [eiser] in haar conclusie van antwoord:
“(...) De facturen hebben betrekking op de periode november 2022 tot en met maart 2023. Gelegen voor het scheiden der wegen. De werkzaamheden van mr. Kan betreffende het addendum is in het belang van zowel [gedaagde] als [eiser] opgesteld. De facturen van latere datum zal [eiser] niet indienen, nu die zonder meer geen betrekking hebben op het gezamenlijke belang van [eiser] en [gedaagde] (...)”en heeft [eiser] verder tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd
“(...) Feit is dat tot een bepaald moment er zowel facturen van mr. Janssens als mr. Kan tussen de franchisenemers zijn gedeeld en voor de helft betaald. Dit zijn vanuit [eiser] nimmer alle facturen van mr. Kan geweest, maar alleen een deel van de facturen die toezagen op de behartiging van beider belang.
(...)”, aldus [gedaagde] .
4.6.
De kantonrechter is van oordeel dat ook dit verweer faalt. Uit de gedingstukken volgt niet zonder meer dat [eiser] afstand heeft gedaan van haar vorderingsrecht. [eiser] heeft aangevoerd dat zij deze uitingen heeft gedaan in de veronderstelling dat zij dacht dat de afspraak om de kosten te delen niet langer gold na 17 maart 2023, omdat [eiser] toen had aangegeven niet langer samen op te willen trekken. De belangen van partijen lagen daarna te ver uit elkaar. De kantonrechter oordeelde anders ten aanzien van delen van de facturen van mr. Janssens die betrekking hadden op de periode daarna. Met dat oordeel heeft [eiser] bij haar standpunt tijdens de eerste procedure geen rekening kunnen houden. Nog steeds ziet de vordering van [eiser] op de werkzaamheden die voor beider belang werden verricht. Gelet hierop mocht [gedaagde] er niet op vertrouwen dat de aangehaalde passages een afstandsverklaring van de vorderingen zouden inhouden voor zover die voor gezamenlijk belang waren.
Het beroep op rechtsverwerking slaagt ook niet
4.7.
Om rechtsverwerking aan te kunnen nemen is nodig dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. [2] Omdat zulke bijzondere omstandigheden door [gedaagde] niet zijn aangevoerd en gelet op hetgeen hiervoor onder 4.6 is overwogen, slaagt dit verweer ook niet.
Misbruik van procesrecht
4.8.
In aansluiting op wat onder 4.6 en 4.7 is geoordeeld, maakt [eiser] geen misbruik van procesrecht. Dat [gedaagde] zich niet kan verweren tegen de vorderingen van [eiser] , is ook niet gebleken. [gedaagde] heeft een conclusie van antwoord kunnen indienen tegen de vordering en is na de mondelinge behandeling nog de gelegenheid geboden voor het nemen van een akte ter onderbouwing van haar beroep op verrekening (zie hierna 4.21 en verder).
De facturen van mr. Kan
4.9.
Aan de vordering tot betaling legt [eiser] ten grondslag dat de facturen zien op kosten die in het gezamenlijk belang zijn gemaakt. Omdat [eiser] zich beroept op het rechtsgevolg, namelijk betaling van de helft van die facturen, is het aan haar om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting te bewijzen, waaruit het voorgaande volgt.
4.10.
De kantonrechter gaat voorbij aan het primaire standpunt van [eiser] , waarbij zij de helft van de door mr. Kan gefactureerde bedragen van [gedaagde] vordert. Tijdens de mondelinge behandeling van 14 oktober 2025 is al geoordeeld dat alleen de werkzaamheden waarvan vast komt te staan dat zij voor gezamenlijk doel zijn besteed voor verdeling bij helfte in aanmerking komen. De kantonrechter blijft bij dat oordeel. [eiser] is de gelegenheid geboden om bij akte te specificeren welke delen van de facturen waarvan zij betaling vordert voor gezamenlijk doel zijn besteed.
4.11.
[eiser] stelt dat de door haar geel gearceerde regels in de opnieuw overgelegde urenspecificaties die bij de vier facturen van mr. Kan horen aan het gezamenlijke doel zijn besteed. Dat onderbouwt [eiser] als volgt:
  • Overal waar “MJ” staat. Dat staat voor Melanie Janssens, door wie [gedaagde] is bijgestaan. [eiser] heeft door de helft bij te dragen aan de factuur van mr. Janssens in de huidige situatie meer dan de helft bijgedragen aan het overleg tussen de advocaten. Het gaat om de volgende data in de urenspecificatie: 6 (twee keer), 7, 8, 9, 10, 14, 27 (twee keer) maart; 14, 19, 20, 24 en 28 april; 1, 2 (twee keer), 3, 4 (twee keer), 25, 26 en 31 mei; 6, 8, 9 (twee keer), 11, 12, 13 en 15 juni in 2023.
  • Overal waar “ [vennoten gedaagde] ” of “ [vennoot 2] ” staat. Ook dat gaat om het gezamenlijk belang. Het gaat om de volgende data in de urenspecificatie: 7 en 9 (tevens voorbereiding Teams) maart; 14 en 24 april 2023.
  • Overal waar “Waarderingsrapport en P&L” staat, alsmede waar “concept brief” staat. De werkzaamheden die hebben plaatsgevonden in het kader van de onderzochte verkoop van [eiser] haar vestiging op het [locatie 1] aan [gedaagde] als mogelijk oplossing voor het conflict. Die werkzaamheden hebben plaatsgevonden in maart 2023. [eiser] wijst in dat verband op twee e-mailberichten van [naam 1] aan mr. Janssen van die maand en haar reactie daarop, alsmede een aan Albron toegezonden brief van mr. Kan van 17 maart 2023. Het gaat om de volgende data in de urenspecificatie: 7, 8, 13 en 14 maart 2023.
  • Overal waar “voorlopig getuigen verhoor” staat. De advocaten zouden de vragen onderling verdelen. De vragen betroffen allen franchise thematiek, het specialisme van mr. Kan. [eiser] wijst in dat verband op het e-mailbericht van 6 juni 2023 van mr. Kan aan [naam 1] , waarin hij schrijft:
Het gaat om de volgende data in de urenspecificatie: 6 en 8 juni 2023.
  • Overal waar “rechtbank” staat. Het is mr. Kan die namens de franchisenemers, derhalve tevens namens [gedaagde] , het voorlopig getuigenverhoor heeft ingetrokken. [eiser] verwijst in dat verband op zijn e-mailbericht van 13 juni 2023 aan rechtbank Midden-Nederland. Het gaat om de volgende data in de urenspecificatie: 12, 13 en 16 juni 2023.
  • Overal waar “JDE” of de advocaten welke namens JDE optraden staat, zijnde “M. Jacobs”, “Ploum advocaten” of “mr. Koenders”. De vaststellingsovereenkomst tussen partijen en JDE is inhoudelijk hetzelfde. De kosten voor de onderhandeling welke mr. Kan en mr. Janssens hebben verricht komen daarom voor verdeling in aanmerking. In het verlengde hiervan voert [eiser] aan dat zij heeft bijgedragen aan de kosten voor de werkzaamheden welke mr. Janssens hieraan heeft verricht en wijst in dat verband op data die staan op de urenspecificatie die hoort bij de factuur van mr. Janssens van 3 oktober 2023. Het gaat om de volgende data in de urenspecificatie: 2, 8, 10 (drie keer), 11, 12, 13 (twee keer) en 15 juni 2023,
aldus steeds [eiser] .
De werkzaamheden die zien op “voorlopig getuigenverhoor” en “rechtbank”
4.12.
Dat er werkzaamheden rond het getuigenverhoor zijn verricht en dat die kwalificeren als advocaatkosten ten behoeve van het gezamenlijke belang is reeds beslist in het eerdere vonnis. De kantonrechter ziet geen aanleiding daarvan af te wijken. [eiser] heeft namelijk voldoende onderbouwd gesteld met mr. Janssen te zijn overeengekomen de vragen gelijkelijk te verdelen, gelet op het e-mailbericht van 6 juni 2023 (zie 4.11). Dat mr. Kan dan ook voorbereidingswerkzaamheden heeft verricht komt de kantonrechter niet onaannemelijk voor. Verder blijkt uit het e-mailbericht van 13 juni 2023 dat hij namens beide partijen contact heeft gehad met de rechtbank (zie 4.11). Dat (zoals betoogd door [gedaagde] ) nergens uit blijkt dat mr. Kan werkzaamheden heeft verricht met betrekking tot de rechtbank is gelet op het voorgaande dus onjuist. De kantonrechter is van oordeel dat voor vergoeding in ieder geval in aanmerking komt:
  • 6 juni 2023:
  • 8 juni 2023:
  • 13 juni 2023:
  • 16 juni 2023:
4.13.
Dat betekent dat [gedaagde] de helft van deze werkzaamheden van € 1.081,66 (€ 295,00 + € 737,50 + € 24,58 + 24,58) aan [eiser] moet betalen. Dat komt neer op een bedrag van € 540,83.
De werkzaamheden die zien op “Waarderingsrapport en P&L” en “concept brief”
4.14.
Dat de werkzaamheden die zien op “Waarderingsrapport en P&L” en “concept brief” in het gezamenlijk belang zijn gemaakt wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat er juist sprake was van een tegengesteld belang, nu [eiser] verkoper was van haar vestiging op het [locatie 1] en [gedaagde] koper dan wel geïnteresseerde. Weliswaar heeft [eiser] het door haar gestelde gezamenlijk belang onderbouwd door te verwijzen naar citaten uit de onder 4.11 aangehaalde e-mailberichten, maar uit de door mr. Kan aan Albron verzonden brief van 17 maart 2023 (waar [eiser] zelf naar verwijst ter onderbouwing van het gezamenlijk belang van deze werkzaamheden) volgt dat – ook al zou het op verzoek van [vennoten gedaagde] zijn opgesteld – het waarderingsrapport niet is gedeeld met [gedaagde] , dat er meerdere potentiële kandidaat kopers waren en dat [eiser] met Albron (heeft) onderzocht of zij deze vestiging mogelijk wilde overnemen:
“(...) Ten behoeve van een toekomstgerichte totaaloplossing heeft [vennoten gedaagde] geopperd om de vestiging [locatie 1] over te nemen. Dat zou als voordeel hebben dat de vestiging behouden kan blijven voor de CoffeeCompany franchiseformule, de rebranding wellicht zonder discussies kan worden uitgevoerd en dat sluitende afspraken over de toekomst met [vennoten gedaagde] en cliënten kunnen worden gemaakt.Aangezien er meerdere potentiële kandidaat kopers interesse hebben getoond in een overname van [locatie 1] lijkt een oplossing in deze richting voor alle partijen gunstig. Er is een waarderingsrapport beschikbaar met onderbouwing. Na summiere oriënterende gesprekken over een overname, zonder dat daarbij het waarderingsrapport of alle onderliggende cijfers zijn uitgewisseld, zijn er twijfels of een overname door [vennoten gedaagde] haalbaar is. Met het oog op een toekomstgerichte totaaloplossing, mede gezien de interesse van derden, lijkt het logisch om de optie verkoop [locatie 1] met Albron te onderzoeken, inclusief nadere afspraak over inkoopprijzen voor koffie, de te hanteren franchisefees en het Addendum.(...)” [onderstreping kantonrechter]. Hieruit volgt tevens dat de (voorbereidende) werkzaamheden van mr. Kan die zien op deze brief in ieder geval niet (geheel) in het gezamenlijk belang zijn geweest. Dat betekent dat de geel gearceerde regels die [eiser] in verband brengt met deze werkzaamheden “concept brief” niet voor vergoeding in aanmerking komen.
De werkzaamheden die zien op “MJ” en “ [vennoten gedaagde] ” of “ [vennoot 2] ”
4.15.
Dat MJ staat voor mr. Janssens en niet voor mr. M. Jacobs blijkt voldoende uit de urenspecificatie zelf, omdat deze laatste naam meermaals is uitgeschreven op de urenspecificatie. [eiser] stelt dat zij de helft van de facturen van mr. Janssens heeft moeten dragen aan het overleg tussen de advocaten. [eiser] heeft dit verder onderbouwd met de overgelegde verklaringen (zie 2.12 en 2.13) en de urenstaten van de werkzaamheden van mr. Kan. Ook daaruit blijkt voldoende het gezamenlijk belang van
allegeel gearceerde regels op de urenspecificatie waar “MJ”, “ [vennoten gedaagde] ” of “ [vennoot 2] ” staat. Tenslotte komen tijdstippen waarop het overleg heeft plaatsgehad overeen met overleg dat in de urenspecificaties van mr. Janssens voorkomt. Dan komt voor vergoeding in ieder geval in aanmerking:
  • 6 maart 2023:
  • 6 maart 2023:
  • 7 maart 2023:
  • 8 maart 2023:
  • 9 maart 2023:
  • 10 maart 2023:
  • 14 maart 2023: “
  • 27 maart 2023:
  • 27 maart 2023:
  • 14 april 2023: “
  • 19 april 2023:
  • 20 april 2023:
  • 24 april 2023:
  • 24 april 2023:
  • 28 april 2023:
  • 28 april 2023:
  • 1 mei 2023:
  • 2 mei 2023: “
  • 2 mei 2023:
  • 3 mei 2023:
  • 4 mei 2023:
  • 4 mei 2023:
  • 25 mei 2023: “
  • 26 mei 2023:
  • 31 mei 2023:
  • 9 juni 2023:
  • 9 juni 2023:
  • 11 juni 2023: “
  • 12 juni 2023: “
  • 15 juni 2023:
4.16.
Dat betekent dat [gedaagde] de helft van deze werkzaamheden van € 6.465,36 (€ 98,33 + € 24,58 + € 885,00 + € 24,58 + € 590,00 + € 49,17 + € 73,75 + € 24,58 + € 24,58 + € 221,25 + € 24,58 + € 24,58 + € 24,58 + € 24,58 + € 24,58 + € 24,58 + € 49,17 + € 24,58 + € 122,92 + € 24,58 + € 24,58 + € 24,58 + € 172,08 + € 24,58 + € 295,00 + € 24,58 + € 442,50 + € 98,33 + € 2.950,00 € 24,58) moet betalen. Dat komt neer op een bedrag van € 3.232,68.
De werkzaamheden die zien op “JDE” of de advocaten welke namens JDE optraden staat, zijnde “M. Jacobs”, “Ploum advocaten” of “mr. Koenders”
4.17.
Volgens [eiser] komen de kosten die zien op de vaststellingsovereenkomst met JDE die mr. Kan heeft verricht voor verdeling in aanmerking, omdat deze vaststellingsovereenkomst inhoudelijk hetzelfde is. [gedaagde] betwist het gezamenlijk belang. Volgens haar dienden de overleggen met (de advocaten van) JDE die door mr. Kan zijn uitgevoerd het gezamenlijk belang in het geheel niet. Zij wijst in dat verband op de brief van 17 maart 2023 waarin mr. Kan – samengevat – schrijft dat [eiser] vanaf dat moment door hem wordt vertegenwoordigd in gesprekken over een mogelijke oplossing.
4.18.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De mededeling van mr. Kan betekent niet zonder meer dat (enige) werkzaamheden van mr. Kan niet in het gezamenlijk belang zouden kunnen zijn verricht. Uit het latere e-mailbericht van mr. Kan volgt dat hij onder meer namens [vennoten gedaagde] ( [gedaagde] ) “drie vrijwel gelijkluidende korte VSO’s” aan JDE heeft gestuurd (zie 2.13), maar zoals betoogd door [gedaagde] betekent dat niet dat mr. Kan in dit verband ook (inhoudelijke) werkzaamheden heeft verricht. Uit de toelichting van mr. Kan en de declaraties kan worden opgemaakt dat het eerste concept van de VSO op 10 juni 2023 door Albron/JDE is aangeleverd en dat mrs. Janssens en Kan daar opmerkingen op hebben doorgegeven.
4.19.
[eiser] stelt in haar dagvaarding dat partijen de advocaatkosten in het kader van de vaststellingsovereenkomst met Albron in hun eigen belang hebben gemaakt en dat de inhoud hiervan onbekend is voor de andere partij. In haar akte na comparitie met producties stelt [eiser] dat er sprake is van gezamenlijk belang omdat de vaststellingsovereenkomst tussen
partijen en JDEinhoudelijk hetzelfde zou zijn. In het e-mailbericht van mr. Kan staat echter dat “6 uur en 5 minuten aan werkzaamheden buiten de vergoeding moet blijven omdat deze zien op de vaststellingsovereenkomsten tussen [eiser] enerzijds en
Albron en JDE anderzijds” [onderstreping kantonrechter], met verwijzing naar door hem groen gearceerde regels in de urenspecificatie, wat haar eerdere stelling(en) weerspreekt. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van het eerdere vonnis, zijnde dat de werkzaamheden voor de vaststellingsovereenkomst niet voor gezamenlijke rekening zijn. Het voorgaande betekent dat overal waar “
JDE”,
“M. Jacobs”,
“Ploum advocaten”of
“mr. Koenders”staat in de urenspecificaties, niet voor vergoeding in aanmerking komt. Naar de kantonrechter begrijpt dient 6 uur en 5 minuten van de op 10, 11, 12 en 13 juni 2023 verrichte werkzaamheden te worden afgetrokken. Uit de omschrijving op de urenspecificatie bij de datum 12 juni 2023 volgt dat er gemengde werkzaamheden zijn verricht (zie 4.15) en dat 5 uur moet worden afgetrokken van de op die dag verrichte werkzaamheden (van totaal 15 uur), omdat die aan de VSO zijn besteed. De overige 1 uur en 5 minuten is het totaal van de andere groen gearceerde werkzaamheden op 10, 11 (vier keer), 13 en 15 juni, en die komen evenmin voor vergoeding in aanmerking. Samen is dat 6 uur en 5 minuten.
Tussenconclusie
4.20.
De conclusie van dit alles is dat een bedrag van € 3.773,51 (€ 540,83 + 3.232,68) in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt.
Het beroep op verrekening slaagt niet
4.21.
[gedaagde] doet een beroep op verrekening. [gedaagde] stelt dat zij beschikt over vorderingen op [eiser] , enerzijds bestaande uit de helft van een factuur die ziet op juridische werkzaamheden van mr. Dolphijn en anderzijds uit door haar uitgevoerde beheerswerkzaamheden in koffiezaken van [eiser] , waarmee zij de vordering van [eiser] kan verrekenen.
4.22.
[eiser] betwist dat de afspraak tot kostenverdeling betrekking had op de kosten van mr. Dolphijn. Die afspraak had uitsluitend betrekking op de door mr. Janssens en mr. Kan gedeclareerde kosten. [eiser] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [gedaagde] zien op haar voormalige dochtervennootschappen Coffee Company [locatie 1] B.V. en Coffee Company [locatie 2] B.V. en dat daarom niet verrekend kan worden.
4.23.
Op grond van artikel 6:127 lid 2 BW Pro bestaat de bevoegdheid tot verrekening wanneer de schuldenaar een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en zij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Verder bepaalt artikel 6:127 lid 3 BW Pro dat de bevoegdheid tot verrekening niet bestaat ten aanzien van een vordering en een schuld die in van elkaar gescheiden vermogens vallen.
4.24.
De kantonrechter overweegt als volgt. Ten aanzien van de factuur van mr. Dolphijn geldt dat [gedaagde] onvoldoende heeft toegelicht dat partijen ook over de kosten van mr. Dolphijn zijn overeengekomen of een andere afspraak hebben dat deze kosten gedeeld zouden moeten worden, voor zover deze in gezamenlijk belang zijn verricht. Zonder deze overeenkomst bestaat geen grond voor betaling van de helft door [eiser] en kan dus niet verrekend worden.
4.25.
Ten aanzien van de gestelde facturen uit hoofde van de beheerswerkzaamheden van twee koffiezaken van [eiser] geldt het volgende. [eiser] heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de bevoegdheid van [gedaagde] tot verrekening niet bestaat. De gestelde vorderingen van [gedaagde] uit hoofde van de beheerswerkzaamheden en de schuld van [gedaagde] vallen in van elkaar gescheiden vermogens, het gaat om verschillende schuldenaren. Dan kunnen deze bedragen niet met elkaar worden verrekend.
Conclusie
4.26.
De slotsom is dat het verweer van [gedaagde] dat ziet op verrekening wordt verworpen. De vordering weergegeven onder (a) wordt toegewezen tot een bedrag € 3.773,51.
Vorderingen onder (b) en (c)
4.27.
[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag van de betaling door [eiser] aan [gedaagde] is gelegen in het eerdere vonnis. [gedaagde] is dan ook niet gehouden enig bewijs van doorbetaling aan mr. Janssens te voldoen, of bij gebrek daarvan het van [eiser] ontvangen bedrag terug te betalen aan [eiser] . [eiser] stelt dat [gedaagde] de helft van de factuur van mr. Janssens van 3 oktober 2023 nog niet heeft betaald. De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de weergave van het telefoongesprek van 17 september 2025 blijkt dat er een mogelijkheid is dat mr. Janssens een deel van de facturen aan [gedaagde] zal kwijtschelden of crediteren. Als een deel van die factuur niet door [gedaagde] aan mr. Janssens betaald hoeft te worden omdat zij daar een nadere afspraak over maken, heeft [eiser] een te hoog bedrag betaald. De vordering onder (b) zal dan ook worden toegewezen onder aanpassing van de over te leggen verklaring binnen een termijn van 4 weken en de vordering onder (a) zal worden verhoogd met de helft van een eventueel kwijtgescholden bedrag omdat dat bedrag dan eventueel onverschuldigd is betaald. In zoverre vult de kantonrechter de rechtsgronden aan. Vordering (c) wordt daarmee op een andere wijze al toegewezen. Daarom heeft [eiser] daarbij geen belang meer.
Wettelijke rente
4.28.
[eiser] vordert vergoeding van de wettelijke rente vanaf 11 december 2024 tot de dag van betaling. [eiser] heeft onvoldoende toegelicht waarom de wettelijke rente vanaf die ingangsdatum verschuldigd is. De kantonrechter zal daarom de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum van dagvaarding, zijnde 8 april 2025 tot de dag van volledige betaling.
Proceskosten
4.29.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
684,00
(3 punten × € 228,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.493,35

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.773,51, te verhogen met de helft van een door mr. Janssens eventueel aan [gedaagde] kwijtgescholden of gecrediteerd (of te crediteren) bedrag als dat blijkt uit de schriftelijke verklaring van mr. Janssens zoals bedoeld onder 5.2,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot het leveren van bewijs in de vorm van een schriftelijke verklaring van mr. Janssens waarin staat dat de factuur van 3 oktober 2023 op geen enkele (in)directe wijze aan [gedaagde] wordt kwijtgescholden of (zal worden) gecrediteerd, binnen een termijn van 4 weken na dit vonnis,
5.3.
het onder 5.1 genoemde toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 8 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.493,35 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart de veroordelingen onder rov. 5.1 tot en met 5.4 uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, kantonrechter, bijgestaan door mr. L. M. Garritsen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 4 december 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:7397
2.HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574