Uitspraak
1.de commanditaire vennootschap [verzoeker 1] ,
[verzoeker 2],
[verzoeker 3],
[verzoeker 4],
[verzoeker 5],
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een geschil over de toepasselijkheid van het huurrechtregime op een huurovereenkomst voor een pand aan de [adres 1], dat oorspronkelijk als bedrijfsruimte werd verhuurd maar inmiddels als woonruimte in de vorm van studentenkamers wordt gebruikt.
Verzoekers, die het pand aan de [adres 1] hebben verbouwd tot onzelfstandige woonruimtes en deze onderverhuren aan studenten, betogen dat het woonruimteregime van toepassing is en dat de opzegging van de huurovereenkomst door IJtoren niet rechtsgeldig is. IJtoren stelt dat het een bedrijfsruimtehuurovereenkomst betreft en dat de opzegging rechtsgeldig is.
De rechtbank weegt de omstandigheden, waaronder de oorspronkelijke bestemming, de inhoud van de huurovereenkomst, de feitelijke inrichting en het gebruik van het pand, en de verklaring van een bestuurder van IJtoren. Geconcludeerd wordt dat partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst beoogden dat het pand als woonruimte zou worden verhuurd, waardoor het woonruimteregime van toepassing is.
Verder oordeelt de rechtbank dat verzoekers niet schriftelijk hebben ingestemd met de opzegging van de huurovereenkomst, zodat deze niet rechtsgeldig is beëindigd. Het primaire verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring in het verzoek tot verlenging van ontruimingsbescherming wordt daarom toegewezen. IJtoren wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in het verzoek tot verlenging van ontruimingsbescherming en veroordeelt IJtoren in de proceskosten.