Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5464

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
13/229584-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 285 SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor zware mishandeling en bedreiging met bekkenfractuur als zwaar lichamelijk letsel

Op 29 augustus 2025 werd in het Sarphatipark te Amsterdam een vrouw aangevallen waarbij zij een bekkenfractuur opliep. Verdachte werd aangehouden als dader. De rechtbank oordeelde dat verdachte de vrouw heeft mishandeld en bedreigd met de woorden 'du bist tot'.

De rechtbank kwalificeerde de bekkenfractuur als zwaar lichamelijk letsel, ondanks het ontbreken van volledige medische gegevens, op basis van algemene ervaringsregels en jurisprudentie. Verdachte vertoonde verward gedrag en was mogelijk psychotisch ten tijde van het feit, wat de toerekeningsvatbaarheid enigszins verminderde.

De officier van justitie eiste 4 maanden gevangenisstraf, de verdediging pleitte voor vrijspraak of een straf gelijk aan het voorarrest. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 4 maanden op, met aftrek van voorarrest, rekening houdend met de ernst van het feit en de psychische toestand van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf voor zware mishandeling en bedreiging.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/229584-25
Datum uitspraak: 20 mei 2026 (Promis)
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1994,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.J. van Gils, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij
1
op of omstreeks29 augustus 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, aan een ander, te weten [persoon] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een bekkenfractuur heeft toegebracht, door
- die [persoon] meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te slaan/stompen en/of
- op het lichaam van die [persoon] te zitten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
op of omstreeks 29 augustus 2025te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [persoon] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [persoon] meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of
- op het lichaam van die [persoon] heeft gezeten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
op of omstreeks 29 augustus 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, [persoon] heeft mishandeld, door
- die [persoon] meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te slaan/stompen en/of
- op het lichaam van die [persoon] te zitten;
2
op of omstreeks 29 augustus 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, [persoon] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [persoon] meermalen, althans eenmaal, dreigend de woorden toe te voegen "du bist tot!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder 1 primair ten laste gelegde zware mishandeling en tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de onder 2 ten laste gelegde bedreiging.
Op basis van de aangifte, de verklaring van aangeefster bij de rechter-commissaris en de verklaringen van de getuigen acht de officier van justitie bewezen dat verdachte de persoon is geweest die aangeefster heeft aangevallen en de bedreigende woorden heeft geuit. Het letsel van aangeefster kan naar de maatstaven van de Hoge Raad niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, maar met de geweldshandelingen die verdachte heeft verricht heeft hij wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, nu op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte de persoon is geweest die aangeefster heeft aangevallen en bedreigd. De getuigen hebben de mishandeling niet gezien en aangeefster heeft verdachte niet aangewezen als haar belager. Ook komen de uiterlijke kenmerken van verdachte niet overeen met het door aangeefster opgegeven signalement en waren er ten tijde van het feit nog andere mannen in het park aanwezig.
Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het letsel van aangeefster, te weten de bekkenfractuur, is geconstateerd door een arts, omdat er een onleesbare handtekening is gezet op het aanvraagformulier medische informatie. Daarnaast kan de bekkenfractuur niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, omdat informatie ontbreekt over de aard en noodzaak van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Ook bevat het dossier onvoldoende bewijs voor de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman subsidiair betoogd dat de bewoordingen ‘du bist tot’ niet zonder meer een bedreiging opleveren in de zin van artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Verdachte vertoonde ten tijde van het feit verward gedrag en heeft deze bewoordingen geuit als constatering van een feitelijkheid.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Op 29 augustus 2025 heeft de politie een melding gekregen dat er in het Sarphatipark in Amsterdam een vrouw aangerand zou zijn. Ter plaatse trof de politie een gewonde vrouw aan, aangeefster [persoon] , die schreeuwde van de pijn en angstig oogde. Later bleek dat zij als gevolg van een aanval een bekkenfractuur had opgelopen. Naar aanleiding van de aanval werd een man, die door twee mannen werd vastgehouden, door de politie aangehouden als verdachte.
Is verdachte de dader?
Op basis van de aangifte, de verklaring van aangeefster bij de rechter-commissaris, de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en de verklaring van verdachte zelf, is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die aangeefster op heeft aangevallen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Aangeefster heeft verklaard te zijn aangevallen door een lange Duitssprekende man met kort blond haar. Getuigen hoorden een vrouw schreeuwen, gingen daarop af en hebben een man aangehouden die uit de richting van aangeefster kwam lopen. Deze man bleek verdachte te zijn. Voorts blijkt uit de verklaring van de getuigen dat er op dat moment geen andere mannen in de buurt waren en ook verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij tijdens zijn verblijf in het park behalve de getuigen niemand anders heeft gezien. De spreektaal van verdachte is Duits, zou blijkt uit de verhoren en ter zitting.
Kan het letsel worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel?
De beantwoording van de vraag of met de bekkenfractuur sprake is van zwaar lichamelijk letsel is afhankelijk van de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Bij deze beoordeling kan gebruik worden gemaakt van medische gegevens, maar in evidente gevallen kan ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren (Hoge Raad 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:66). Uit deze jurisprudentie volgt verder dat “als sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, in de regel geldt dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. In dit verband kan relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen” (r.o. 2.4.5) en dat “ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden, van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn als het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, maar ook als het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Verder kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen” (r.o. 2.4.6).
Bovenstaande in aanmerking genomen, is de rechtbank – anders dan de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de bekkenfractuur die verdachte met zijn geweldshandelingen bij aangeefster heeft veroorzaakt, kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Ondanks het ontbreken van medische informatie brengt de aard van het letsel, een bekkenfractuur, naar algemene ervaringsregels mee dat enig medisch ingrijpen noodzakelijk is om herstel te bewerkstellingen (een operatie dan wel intensieve fysiotherapie) en dat (volledig) herstel in ieder geval een aantal weken tot maanden kan duren.
Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging verwijst de rechtbank naar de inhoud van de bewijsmiddelen. Verdachte zou de bewoordingen ‘du bist tot’ meermalen hebben geuit gedurende de uitoefening van hevig geweld op aangeefster. Gelet daarop kon bij aangeefster de redelijke vrees ontstaan dat verdachte deze bedreigende woorden tot uiting zou brengen.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1
op 29 augustus 2025te Amsterdam, aan [persoon] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een bekkenfractuur, heeft toegebracht, door
- die [persoon] meermalen tegen het lichaam te slaan/stompen en
- op het lichaam van die [persoon] te zitten;
2
op 29 augustus 2025 te Amsterdam, [persoon] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [persoon] meermalen dreigend de woorden toe te voegen "du bist tot!".

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden met aftrek van voorarrest.
8.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte gelet op de psychotische ontregeling die door de gedragsdeskundigen is geconstateerd en verdachte een straf op te leggen die niet langer is dan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en bedreiging. Het betrof een willekeurige aanval van een vrouw in het park waarbij hevig geweld op haar is uitgeoefend waardoor zij een bekkenfractuur heeft opgelopen. Tijdens deze aanval heeft verdachte meermalen geroepen: “du bist tot”. Het geweld speelde zich af rond middernacht, achter een bosschage, in een park waar op dat moment niemand anders aanwezig was. Bovendien gedroeg verdachte zich verward en zag hij er onverzorgd uit, omdat hij al een aantal dagen op straat verbleef. De rechtbank begrijpt dat deze situatie zeer beangstigend voor het slachtoffer moet zijn geweest en neemt het verdachte kwalijk dat hij haar lichamelijke integriteit op deze grove manier heeft aangetast.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 19 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten in Nederland.
Gelet op de verwarde toestand waarin de politie verdachte ter plaatse heeft aangetroffen en de onsamenhangende en filosofische wijze waarop hij vragen tijdens de verschillende verhoren beantwoordde, is verdachte in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) geplaatst en door gedragsdeskundigen onderzocht. De rechtbank heeft kennis genomen van de onderzoeksbevindingen van deze deskundigen.
Uit de psychiatrische rapportage opgemaakt door drs. O.M. den Held van 17 maart 2026, blijkt dat op basis van alle informatie in retrospectie kan worden gesteld dat ten tijde van de feiten waarschijnlijk sprake is geweest van psychotische ontregeling, maar dat een diagnose niet kan worden gesteld, nu diagnostische informatie ontbreekt en tijdens het onderzoek geen aanwijzingen meer zijn voor symptomatologie op grond waarvan psychiatrische ontregeling kan worden vastgesteld.
Uit de psychologische rapportage opgemaakt door drs. R.A. Sterk van 3 april 2026, volgt eveneens dat tijdens de gesprekken geen aanwijzingen zijn voor psychische problematiek, maar dat er te weinig informatie is verkregen om psychische problematiek uit te sluiten. Met betrekking tot realiteitsverstoringen kan opgemerkt worden dat in het proces-verbaal van verhoor staat beschreven dat is geconstateerd dat verdachte onverstaanbaar sprak, lachte en in zichzelf sprak. Hij was niet in staat om inhoudelijk te reageren op vragen. Bij de rechter-commissaris gaf verdachte aan niet te weten wie hij is en dat hij nooit geboren zou zijn. Hij zou geen verblijfplaats hebben in [geboorteland]. Hij begon tijdens het verhoor steeds meer te lachen en te mompelen. Verdachte krijgt in het PPC antipsychotica voorgeschreven, maar verder is geen informatie over hem verstrekt. Ook heeft verdachte geen toestemming gegeven om referenten te raadplegen. De psycholoog acht het waarschijnlijk dat bij verdachte ten tijde van de feiten sprake is geweest van psychotische problematiek, maar kan hierover geen gefundeerde uitspraken doen. Daarom onthoudt de deskundige zich over het doen van uitspraken over de mate waarin het tenlastegelegde aan verdachte kan worden toegerekend en is het niet mogelijk een behandeladvies te geven.
De rechtbank ziet op basis van de inhoud van het dossier en de bevindingen van de gedragsdeskundigen, aanleiding om aan te nemen dat verdachte ten tijde van de feiten kampte met psychische problemen die zijn handelen in enige mate hebben beïnvloed. Daarom zal de rechtbank de feiten in enigszins verminderde mate aan hem toerekenen.
De op te leggen straf
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht in aanmerking genomen. Deze oriëntatiepunten hanteren bij een zware mishandeling zonder gebruik te maken van een wapen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden als uitgangspunt. Gelet op de ernst van het feit zoals reeds hierboven uiteen is gezet, acht de rechtbank die straf geen recht doen aan de situatie en zal aan verdachte, rekening houdende met de enigszins verminderde toerekenbaarheid, een gevangenisstraf opleggen van vier maanden, met aftrek van voorarrest.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
zware mishandeling.
Ten aanzien van feit 2:
bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. C.P.E. Meewisse en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2026.