ECLI:NL:RBAMS:2026:550

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
13/255438-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal met ISD-maatregel opgelegd aan verdachte

Op 23 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van diefstal gepleegd op 20 augustus 2025 in Amsterdam. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op goede gronden door de politie is herkend op camerabeelden, ondanks de betwisting door de raadsman. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van meerdere kledingstukken van een benadeelde partij. De officier van justitie had gevorderd dat de verdachte de ISD-maatregel opgelegd zou krijgen voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest, wat de rechtbank heeft toegewezen. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van het feit, de recidive van de verdachte en de noodzaak voor langdurige professionele zorg. De rechtbank oordeelde dat de ISD-maatregel noodzakelijk is om de vicieuze cirkel van problemen van de verdachte te doorbreken en om de veiligheid van de maatschappij te waarborgen. De verdachte is veroordeeld tot een ISD-maatregel van twee jaar, zonder aftrek van voorarrest, en is strafbaar verklaard voor de diefstal.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/255438-25 (
Promis)
Datum uitspraak: 23 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
thans gedetineerd te: [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Firet, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Kuipers, advocaat te Arnhem, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal op 20 augustus 2025 in Amsterdam bij de [benadeelde partij] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde. Het dossier bevat, behalve de herkenningen die zien op een gezichtsvergelijking van iemand die een zonnebril en een muts draagt, geen bewijs.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op grond van de verklaring van de manager van de winkel over de gepleegde diefstal en de bevindingen van de politie bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De politie verbaliseert dat op de camerabeelden van 20 augustus 2025 te zien is dat een persoon in de winkel meerdere kledingstukken in zijn tas stopt en met deze tas wegloopt. Deze persoon heeft dezelfde hoed en bril op en dezelfde schoenen aan als de persoon die de politie op 29 september 2025 in de winkel heeft staande gehouden. Ook komen de gelaatstrekken van de persoon op de camerabeelden overeen met de persoon die zij staande hebben gehouden. De politie herkent op basis hiervan verdachte als de persoon die te zien is op de camerabeelden. Aan het dossier zijn stills van de camerabeelden en foto’s van de aanhouding van verdachte toegevoegd die deze bevindingen van de politie bevestigen. Er bestaat voor de rechtbank dan ook geen enkele aanleiding om te concluderen dat er geen herkenning van verdachte heeft kunnen plaatsvinden en dat aldus niet kan worden vastgesteld dat verdachte de persoon is die te zien is op de camerabeelden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verbalisant op goede gronden tot een positieve herkenning van verdachte kunnen komen. Verdachte is degene geweest die zich op 20 augustus 2025 de goederen in de winkel wederrechtelijk heeft toegeëigend.

5.Het bewijs

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 20 augustus 2025 te Amsterdam meerdere kledingstukken die aan [benadeelde partij] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

8.1
De eis van de officier van justitieDe officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij een bewezenverklaring van het ten laste gelegde de zaak aan te houden en de reclassering opdracht te geven te rapporteren over de mogelijkheid tot het opleggen van bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijk strafdeel. Indien de rechtbank wel overgaat tot opleggen van de ISD-maatregel, is verzocht om deze voorwaardelijk aan verdachte op te leggen. Indien de rechtbank de ISD-maatregel wel onvoorwaardelijk aan verdachte oplegt, is primair verzocht om deze te beperken tot de duur van één jaar en subsidiair om deze maatregel op te leggen met aftrek van voorarrest.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel, gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dit is een hinderlijk feit waarbij vaak financiële schade voor de winkelier ontstaat. Verdachte heeft hierbij geen oog gehad voor de belangen van het bedrijf waar hij de goederen heeft gestolen.
Persoon van de verdachte
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 29 december 2025 volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar meermalen tot een gevangenisstraf voor winkeldiefstal is veroordeeld.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Inforsa van 24 december 2025, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker 1] , reclasseringswerker en [reclasseringsmedewerker 2] , unitmanager. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
Verdachte ervaart problemen op vrijwel alle leefgebieden. Hij is dakloos, heeft geen werk of dagbesteding, er is sprake van overmatig alcoholgebruik, een verstandelijke beperking en een indicatie via Wet Langdurige Zorg. Verdachte zit in een vicieuze cirkel waarbij hij geen werk/dagbesteding heeft, rondhangt met een negatief sociaal netwerk, middelen gebruikt en (vermogens)delicten pleegt. In het verleden zijn verschillende begeleid woontrajecten en reclasseringstoezichten negatief verlopen, doordat verdachte uit beeld was, zijn afspraken niet nakwam en zich onvoldoende conformeerde aan de regels. Vanwege het negatieve verloop van het drangkader is de reclassering van mening dat verdachte momenteel zowel aan de harde-, als zachte criteria voor opleggen van de ISD-maatregel voldoet. De reclassering is van mening dat alles is geprobeerd in de tot nu toe beschikbare kaders en dat een ISD-maatregel een positieve gedragsverandering zou kunnen bewerkstelligen. De ISD-maatregel kan op dit moment de beste kansen bieden voor het stabiliseren van verdachte zijn situatie, vooral met betrekking tot zijn woonsituatie, middelengebruik en dagbesteding. Zo kan de vicieuze cirkel doorbroken worden waar verdachte makkelijker kan werken aan een stabielere basis en het automatiseren van nieuwe patronen.
De reclassering acht de kans op recidive hoog indien verdachte in de vicieuze cirkel van problemen op het gebied van wonen, middelen en werken blijft. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt eveneens hoog ingeschat.
De rechtbank heeft ter terechtzitting reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker 3] , collega van reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker 1] , als deskundige gehoord. Zij heeft verklaard achter het reclasseringsrapport te staan, benadrukte dat er langdurige professionele zorg voor verdachte nodig is en dat ten behoeve van de uitvoering hiervan gedurende de ISD-maatregel diagnostiek bij verdachte moet plaatsvinden. Gelet op de verwachte duur die hiervoor nodig is, dient de ISD-maatregel niet beperkt te worden tot één jaar. Tot slot heeft de deskundige verklaard dat een voorwaardelijke strafdeel te vrijblijvend wordt geacht voor verdachte en het risico op recidive dan hoog is.
Motivering van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 29 december 2025 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 29 december 2025 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
Verdachte is recent meermalen veroordeeld voor vermogensdelicten. De (deels) voorwaardelijke straffen die hierbij aan verdachte zijn opgelegd hebben niet geleid tot gedragsverandering en verdachte is niet in staat gebleken om zich te houden aan de voorwaarden binnen een voorwaardelijk strafdeel teneinde gedragsverandering te realiseren. Gelet op het advies van de reclassering, die van mening is dat alles is geprobeerd in de tot nu toe beschikbare kaders, acht de rechtbank het niet zinvol om de reclassering opdracht te geven om te rapporteren over de mogelijkheid tot het opleggen van bijzondere voorwaarden.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan de harde en zachte criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel is voldaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist. De rechtbank zal de ISD-maatregel niet voorwaardelijk aan verdachte opleggen, omdat de rechtbank gelet op het voorgaande niet verwacht dat verdachte in staat zal zijn om zich aan voorwaarden te houden.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek, waarvoor ten behoeve van het uitvoeren van diagnostiek een langdurig kader nodig als ook voor het bewerkstelligen van de benodigde professionele hulp, alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Legt op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatigedaders voor de duur van
2 (twee) jaren.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mr. D. Bode en mr. I. Timmermans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.M. Zoetelief, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2026.
[...]