Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5503

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
12166758 CV EXPL 26-4935
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningRichtlijn 93/13 EGArt. 6:96 BWArt. 237 RvArt. 555 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand met toetsing oneerlijke bedingen

Eiser, Van Meeuwen Beleggingsmaatschappij B.V., vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning vanwege huurachterstand. Gedaagde verschijnt niet, verstek wordt verleend. De kantonrechter toetst ambtshalve de huurovereenkomst aan Richtlijn 93/13 EG over oneerlijke bedingen.

De kernbedingen omtrent huurprijs en servicekosten worden als transparant en niet oneerlijk beoordeeld. De bepalingen over huurprijswijziging zijn eveneens geaccepteerd. Echter, de renteclausule van 1% per maand en de bepalingen over buitengerechtelijke incassokosten worden als oneerlijk aangemerkt en buiten toepassing gelaten.

De ontruiming wordt bevolen binnen twee weken na betekening, met mogelijkheid tot executie door deurwaarder. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige huur en lopende huur tot ontruiming, alsmede proceskosten. De vordering tot ontruimingskosten wordt afgewezen omdat deze kosten nog niet vaststaan.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, ontruiming binnen twee weken bevolen en gedaagde veroordeeld tot betaling van huurachterstand en proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12166758 CV EXPL 26-4935
vonnis van: 7 mei 2026
fno.: 506

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Van Meeuwen Beleggingsmaatschappij B.V.
gevestigd en kantoorhoudende te Aerdenhout
eisende partij
gemachtigde: van Twuijver Incasso B.V.
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen

Verloop van de procedure

Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.

Gronden van de beslissing

1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.
Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening
2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ) 30 juli 2003 (verder: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht.
5. Eisende partij stelt in de dagvaarding dat zij van mening is dat de algemene voorwaarden redelijk zijn. Voorts stelt eisende partij dat indien de kantonrechter de algemene voorwaarden ambtshalve toetst en sommige bedingen vernietigt met tot gevolg dat onderdelen van haar vordering worden afgewezen, zij afziet van de mogelijkheid om zich hierover uit te laten.
6. Het huurprijs- en servicekostenbeding (artikel 4.4) in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
7. Het betreft geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten artikel 5.2 (Huurprijswijzing) van de huurovereenkomst en artikel 18 (Huurprijswijziging) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.
8. Tot slot zijn de artikelen 20.2, 20.3 en 20.4 van de algemene voorwaarden getoetst.
Deze artikelen luiden als volgt:

20. In verzuim zijn/boetebeding

(…)
20.2.
Voor elk geval dat huurder in verzuim is met de tijdige en volledige betaling van een geldsom, is hij
1% rente per maand verschuldigd over de verschuldigde hoofdsom vanaf de vervaldatum tot aan de dag van
algehele voldoening van de hoofdsom. Hierbij wordt een gedeelte van een maand als een volle maand
aangemerkt.
20.3
Indien een van partijen toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van enige verplichting welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op haar rust en de andere partij daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moet nemen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij.
20.4
Ingeval het tekortschieten bestaat uit de niet tijdige betaling van een geldsom en in verband met de incassering daarvan buitengerechtelijke kosten moeten worden gemaakt, worden deze hierbij bepaald op tenminste 15% van het verschuldigde bedrag met een minimum van € 125,00. (...)”
9. Ten aanzien van artikel 20.2 van de algemene voorwaarden, zoals hierboven geciteerd, geldt dat de afgesproken rente van 1% per maand aanzienlijk hoger is dan de wettelijke rente. Het rentebeding is daarmee oneerlijk. Het beding wordt daarom buiten toepassing gelaten en de gevorderde wettelijke rente wordt afgewezen.
10. De hiervoor onder r.o. 8 geciteerde bedingen over buitengerechtelijke incassokosten (artikel 20.3 en 20.4 van de algemene voorwaarden) zijn oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan. De bedingen over buitengerechtelijke incassokosten worden daarom buiten toepassing gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.
11. Artikel 20.3 van de algemene voorwaarden is voorts ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv Pro kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
De vordering
12. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de ontruimingstermijn, de ontruimingskosten en het griffierecht nog is overwogen.
13. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.
14. De (voorwaardelijke) vordering ter zake van de ontruimingskosten is niet toewijsbaar. Weliswaar houdt de proceskostenveroordeling een executoriale titel in ten aanzien van alle kosten, ook ten aanzien van verschotten zoals ontruimingskosten, maar het betreft hier kosten die (mogelijk) pas na de uitspraak ontstaan en waarvan de omvang en de verschuldigdheid nu nog niet vast staan.
15. Gelet op het feit dat een deel van de vordering is afgewezen wordt de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van griffierecht corresponderende met het toegewezen deel van het gevorderde. Het (eventueel) meer betaalde aan griffierecht blijft voor rekening van eisende partij.

BESLISSING

De kantonrechter:
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak (de woning) aan het adres [adres];
veroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
€ 4.748,93 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 maart 2026;
€ 1.196,79 per maand vanaf 1 april 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 288,00 aan salaris gemachtigde, € 529,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.