Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5532

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
AMS 25/108
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 25 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 117 WaterschapswetArt. 121 WaterschapswetArt. 122d Waterschapswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing aanslag waterschapsbelasting met schending hoorplicht en motiveringsbeginsel

De heffingsambtenaar legde aan eiser een aanslag waterschapsbelasting 2024 op, die eiser betwistte via bezwaar en beroep. De rechtbank constateert dat de hoorplicht is geschonden omdat eiser niet is gehoord ondanks zijn verzoek, en dat de motivering van de bestreden uitspraak onvoldoende was doordat deze slechts verwees naar een andere zaak.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was en dat de bezwaarfase niet zorgvuldig is verlopen. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden uitspraak en verklaart het beroep gegrond. De inhoudelijke beoordeling van de aanslag leidt echter tot de conclusie dat deze bevoegd, terecht en naar de juiste hoogte is opgelegd, zodat de rechtsgevolgen van de bestreden uitspraak in stand blijven.

Verder behandelt de rechtbank diverse beroepsgronden van eiser, waaronder de bevoegdheid van het waterschap, de ligging van het object binnen het beheersgebied, de grondwettelijkheid van de belastingheffing, de belangenafweging bij verordeningen, de kostentoerekening en de tariefstelling op basis van ramingen. Geen van deze gronden slaagt.

De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten en draagt op het griffierecht te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 19 mei 2026.

Uitkomst: Beroep gegrond verklaard wegens schending hoorplicht en motiveringsbeginsel, bestreden uitspraak vernietigd, rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/108

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

(gemachtigde: mr. D.R. de Vries)
en
de heffingsambtenaar van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht,de heffingsambtenaar.

Procesverloop

Met het besluit van 24 september 2024 (het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar aan eiser een aanslag waterschapsbelasting 2024 opgelegd van in totaal € 504,22.
Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 2 januari 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 3 juli 2025. Daarbij was de gemachtigde van eiser aanwezig. Namens de heffingsambtenaar was mr. A.J. van Griethuysen aanwezig.
Het onderzoek ter zitting is geschorst, omdat de stukken zoals deze door partijen zijn ingediend een efficiënt en zorgvuldig onderzoek en oordeel in de weg staan. De rechtbank heeft partijen daarom opgedragen over en weer inhoudelijk op elkaars standpunten te reageren.
Bij brief van 29 juli 2025 heeft de heffingsambtenaar gereageerd. Bij brief van 9 september 2025 heeft de gemachtigde van eiser gereageerd. Hierop heeft de heffingsambtenaar bij brief van 9 oktober 2025 gereageerd.
Op 6 februari 2026 heeft de rechtbank de zaak doorverwezen ter behandeling door de meervoudige kamer.
Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 7 april 2026. De gemachtigde van eiser was aanwezig. Namens de heffingsambtenaar waren [de persoon 1] en [de persoon 2] aanwezig.

Wat aan deze procedure voorafging

1. De heffingsambtenaar heeft aan eiser een aanslag waterschapsbelasting voor het belastingjaar 2024 opgelegd voor het object [object] (hierna: het object). De aanslag bestaat uit een watersysteemheffing gebouwd van € 58,97 (gebaseerd op de WOZ-waarde voor belastingjaar 2024 van € 386.000,- maal 0,015279 %), een watersysteemheffing ingezetenen van € 170,30 (gebaseerd op één huishouden maal € 170,30) en een zuiveringsheffing woonruimten van € 274,95 (gebaseerd op drie vervuilingseenheden maal € 91,65).
2. Met de bestreden uitspraak heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard, omdat de gemachtigde van eiser uit eerdere procedures bekend is met het feit dat de aangevoerde bezwaargronden onmogelijk tot herziening van de aanslagen kan leiden. Daarom is ook afgezien van het horen. De heffingsambtenaar meent verder dat de aanslagen naar het juiste bedrag zijn opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Het beroepschrift van 3 januari 2024
3. Eiser heeft in zijn beroepschrift van 3 januari 2024 drie meer formele beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank behandelt deze gronden hieronder.
De hoorplicht, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel
4. Volgens eiser is de bestreden uitspraak niet zorgvuldig voorbereid, niet heroverwogen en niet deugdelijk gemotiveerd. De bestreden uitspraak wordt enkel gemotiveerd met een verwijzing naar een weerlegging van een bezwaar in een procedure van een andere belanghebbende met dezelfde gemachtigde over een ander belastingjaar. Eiser meent daarnaast dat het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard. Daarom is hij ten onrechte niet gehoord, terwijl hij daar wel om heeft verzocht.
5. Dat het bezwaar kennelijk ongegrond is verklaard betekent volgens de heffingsambtenaar niet dat geen zorgvuldige heroverweging heeft plaatsgevonden. De door eiser aangedragen gronden zijn beoordeeld en de conclusie van deze beoordeling is net als in de andere zaken van deze gemachtigde geweest dat de aangevoerde gronden geen aanleiding geven om de opgelegde aanslag aan te passen. Dergelijke standaard bezwaargronden van de gemachtigde kunnen afgedaan worden met een verwijzing naar een weerlegging in die andere zaak, aldus de heffingsambtenaar.
6. Niet in geschil is dat eiser in de bezwaarfase niet is gehoord en wel om een hoorzitting heeft verzocht. De rechtbank overweegt dat horen een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftprocedure. Van horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. De rechtbank is van oordeel dat hiervan in deze zaak geen sprake was. Hoewel een groot aantal van de gronden vergelijkbaar is met de gronden in de door de heffingsambtenaar aangehaalde zaak, kan dat niet zonder meer tot de conclusie leiden dat het bezwaar in de onderhavige zaak kennelijk ongegrond is. De rechtbank acht daarbij onder meer van belang dat de aangehaalde bezwaarprocedure betrekking had op een ander belastingjaar, een andere belanghebbende en een ander adres. Gelet hierop had het bezwaar van eiser niet kennelijk ongegrond verklaard mogen worden en had eiser op zijn verzoek gehoord moeten worden. [1]
7. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de schorsingsbeslissing gevraagd om een nadere motivering van de bestreden uitspraak. De rechtbank stelt vast dat pas daarna voor het eerst een op de zaak toegespitste motivering is gegeven. De rechtbank benadrukt dat een werkwijze waarbij alleen wordt verwezen naar een andere zaak onvoldoende is. Iedere zaak moet op zichzelf beoordeeld worden en worden voorzien van een gemotiveerde weerlegging van de daarin aangevoerde gronden. Dat geldt ook wanneer dezelfde gemachtigde in meerdere (deels) vergelijkbare zaken optreedt. Naar het oordeel van de rechtbank is de bezwaarfase daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid verlopen en heeft de heffingsambtenaar de bestreden uitspraak onvoldoende gemotiveerd.
8. De hoorplicht, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn dus geschonden. De rechtbank begrijpt uit de toelichting van de gemachtigde van eiser ter zitting dat hij een inhoudelijk oordeel van de rechtbank wenst. De rechtbank zal daarom de uitspraak op bezwaar vernietigen en zelf in de zaak voorzien. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Dit betekent echter niet vanzelfsprekend dat de rechtsgevolgen van de bestreden uitspraak komen te vervallen. Dat is alleen het geval als het beroep ook inhoudelijk gegrond is.
De aanvullende beroepsgronden van 22 juni 2025
9. Bij brief van 22 juni 2025 heeft eiser 18 beroepsgronden aangevoerd. Eiser werpt daarin onder meer de vraag op of de aanslag bevoegd, terecht en naar de juiste hoogte is opgelegd. De rechtbank behandelt deze beroepsgronden, waar mogelijk gezamenlijk, hieronder.
Bevoegd genomen besluiten?
10. Eiser voert eerst aan dat de aanslag en de bestreden uitspraak onbevoegd zijn genomen, nu deze besluiten geen naam en handtekening bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslag en bestreden uitspraak wel bevoegd genomen. De rechtbank overweegt, in lijn met het standpunt van de heffingsambtenaar, dat de besluiten door de heffingsambtenaar worden genomen. Dat staat ook op de besluiten vermeld. De heffingsambtenaar is een zelfstandig bestuursorgaan, geen natuurlijk persoon. Het ontbreken van een naam en/of handtekening maakt niet dat de aanslag onbevoegd is genomen. Voor eiser moet uit de ondertekening met ‘heffingsambtenaar’ duidelijk zijn dat het bestuursorgaan het besluit heeft genomen. Alleen de heffingsambtenaar van het bestuursorgaan heeft de wettelijk geattribueerde bevoegdheid tot het opleggen van belastingaanslagen. [2] De beroepsgrond slaagt niet.
Object binnen beheersgebied?
11. Eiser stelt dat niet duidelijk is dat het adres van het object binnen het beheersgebied van het Waterschap AGV valt. De bij de bestreden uitspraak gevoegde legger is afkomstig van (de website van) het Waterschap AGV en niet van de provincie, die wel bevoegd is het beheersgebied vast te stellen. Volgens eiser moet het Reglement voor het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017 (hierna: het Reglement) exceptief getoetst worden en onverbindend verklaard worden, omdat uit de bijbehorende kaart niet blijkt waar de grenzen exact liggen. Dit is volgens eiser in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, legaliteitsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
12. De heffingsambtenaar legt uit dat het Reglement met gebruikmaking van een kaart het verzorgingsgebied van het waterschap vastlegt. De grens van het gebied loopt langs de [adres]. Het object ligt ten zuiden daarvan en valt dus binnen het verzorgingsgebied van het Waterschap AGV, aldus de heffingsambtenaar.
13. De rechtbank stelt vast dat uit de bij het Reglement gevoegde kaart voldoende duidelijk blijkt dat het object binnen het beheersgebied van het Waterschap AGV ligt. Bovendien kan er bij twijfel via een postcodecheck op de website van de waterschappen snel worden vastgesteld of een adres binnen het gebied valt. De heffingsambtenaar heeft daarnaast, onweersproken, toegelicht dat de hiervoor gebruikte gedetailleerde legger de door de gedeputeerde staten vastgestelde grenzen van het beheersgebied aangeeft. [3] De beroepsgrond slaagt dus niet.
Heffing in strijd met de Grondwet?
14. Eiser voert aan dat de Grondwet geen bevoegdheid geeft aan waterschappen om belasting te heffen. Naar de mening van eiser dient in de Grondwet expliciet te zijn opgenomen wanneer een orgaan kan beschikken over een belastingheffingsbevoegdheid. Bevoegdheden tot belastingheffing zijn hierin opgenomen voor het rijk, provincies en gemeenten, en dus niet voor de waterschappen. De Verordening Watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht 2024 (hierna: de Verordening Watersysteemheffing) en de Verordening Zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht 2024 (hierna: de Verordening Zuiveringsheffing) (hierna tezamen: de Belastingverordeningen) zijn daarom in strijd met de Grondwet, aldus eiser.
15. De rechtbank stelt vast dat de bevoegdheid tot belastingheffing volgt uit de Waterschapswet, en niet uit de Belastingverordeningen, zoals eiser meent. De Waterschapswet is een wet in formele zin die gelet op het toetsingsverbod uit artikel 120 van Pro de Grondwet niet aan de Grondwet kan worden getoetst. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging bij vaststelling verordeningen?
16. Eiser stelt dat bij de vaststelling van de Kostentoedelingsverordening en de Belastingverordeningen geen belangenafweging heeft plaatsgevonden, omdat de negatieve gevolgen voor hem en andere inwoners niet uitdrukkelijk in de besluitvorming zijn betrokken. Daarom zijn de verordeningen onverbindend. De heffingsambtenaar betwist dit en voert aan dat de verordeningen tot stand zijn gekomen in een democratisch stelsel van besluitvorming, waarin het bevoegde bestuursorgaan per definitie een afweging maakt van de betrokken belangen.
17. De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om algemeen verbindende voorschriften, die zij alleen
exceptiefkan toetsen. Dat houdt in dat aan een algemeen verbindend voorschrift verbindende kracht kan worden ontzegd, als het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift dan wel in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag om de verschillende belangen die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen.
18. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat bij de vaststelling van de betreffende verordeningen in strijd is gehandeld met een hoger wettelijk voorschrift of met een algemeen rechtsbeginsel (zoals het evenredigheidsbeginsel). Ook is niet aannemelijk geworden dat geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. De enkele stelling van eiser dat zijn belangen en die van andere inwoners onvoldoende zijn betrokken, is daartoe onvoldoende en niet nader onderbouwd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat beide verordeningen deel uitmaken van het stelsel van kostentoedeling en heffing in de waterschapsbelasting, waarin het algemeen bestuur – op grond van de Waterschapswet – de verdeling van de kosten over categorieën belastingplichtigen vaststelt en uitwerkt in concrete heffingsmaatstaven en tarieven. Dat de daarbij gemaakte keuzes berusten op een belangenafweging, is terug te vinden in de toelichting op de besluiten en eventueel in de bestuurlijke stukken van het algemeen bestuur in de vaststellingsprocedure. Eiser heeft dit niet, althans onvoldoende, weersproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Juiste kostentoerekening?
19. Eiser stelt dat het Waterschap AGV bij beide watersysteemheffingen meer kosten in rekening brengt dan is toegestaan voor de zorg voor het watersysteem, zoals bepaald in artikel 117, eerste lid, van de Waterschapswet. Volgens eiser zijn onterecht kosten voor vergunningverlening, beheersing van lozingen, bestuur, planvorming en kwijtschelding/oninbaar toegerekend aan de zorg voor het watersysteem, waardoor de tarieven te hoog zijn vastgesteld. Ten aanzien van de zuiveringsheffing stelt eiser dat, op grond van artikel 122d, eerste lid, van de Waterschapswet alleen de kosten voor de zuivering van afvalwater mogen worden toegerekend. Volgens eiser zijn onterecht kosten voor belastingheffing, invordering en bestuur (zoals de kosten van verkiezingen) toegerekend aan het zuiveren van afvalwater, waardoor ook het tarief van de zuiveringsheffing te hoog is vastgesteld.
20. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat het stelsel van kostenbestrijding van taakkosten van een waterschap maakt dat het onmogelijk is dat de beide afzonderlijke heffingen meer inkomsten opleveren dan dat er in meerjarig perspectief worden gemaakt door het Waterschap AGV. Beide heffingen vormen afzonderlijke gesloten financiële stelsels waarin alleen de taakkosten en belastinginkomsten van beide terecht komen. Een waterschap heeft geen andere taken en maakt dus ook geen andere kosten dan voor beide taken worden gemaakt. Een over- of onderdekking in een jaar wordt gecompenseerd met dotatie of onttrekking aan de tariefsegalisatiereserve in een volgend jaar. Deze methode van kostenbestrijding is voorgeschreven in de voor het waterschap geldende regels voor begroting en verantwoording. Er valt niet in te zien waarom de kosten van de heffing, de invordering en bestuur niet tot de met de heffing te bestrijden kosten mogen worden gerekend, nu het waterschap geen andere inkomsten heeft dan de belastinginkomsten. Een waterschap dient een bestuur te hebben en dus zijn de kosten van het bestuur taakkosten. De uitvoering van de vergunningverlening valt binnen het watersysteembeheer, waarbij het waterschap het bevoegd gezag is. Ook de beheersing van lozingen en planvorming maken als onderdeel van het watersysteembeheer deel uit van de taakuitvoering door het waterschap en de daarmee gemoeide kosten behoren daarom tot de kosten die via de watersysteemheffing worden bestreden. Bij de tariefstelling wordt bovendien rekening gehouden met kwijtgescholden en oninbare aanslagen, omdat die aanslagen nimmer tot inkomsten voor het waterschap zullen leiden.
21. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht heeft verschaft in de aard en toerekening van de kosten die in het kader van de watersysteemheffing en de zuiveringsheffing worden bestreden. Daarbij is toereikend gemotiveerd dat de door eiser betwiste kostenposten – zoals vergunningverlening, lozingsbeheer, planvorming en bestuur – samenhangen met de taken van het waterschap (watersysteembeheer en zuiveringsbeheer) en daarom aan deze heffingen kunnen worden toegerekend. Ook de kosten van heffing en invordering, evenals kwijtgescholden en oninbare aanslagen, zijn inherent aan het kunnen uitvoeren en financieren van deze taken en mogen in de raming worden betrokken. Eiser heeft dit vervolgens onvoldoende weersproken. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Tariefstelling op basis van ramingen
22. Eiser voert aan dat op grond van artikel 121, eerste lid, onder a, van de Waterschapswet bij de watersysteemheffing ingezetenen moet worden uitgegaan van het daadwerkelijk aantal aanwezige woonruimtes in plaats van een raming op basis van verwachte groei en ervaringscijfers, en van het netto in plaats van het bruto aantal woonruimtes. Daarnaast stelt eiser dat op grond van artikel 122h van de Waterschapswet bij het tarief van de zuiveringsheffing woonruimten moet worden uitgegaan van het daadwerkelijk aantal vervuilingseenheden, in plaats van een raming op basis van realisatiecijfers en verwachte stijgingen/dalingen, en van het netto aantal vervuilingseenheden in plaats van het bruto aantal. Ook betoogt eiser dat op grond van artikel 121, eerste lid, onder d, van de Waterschapswet bij het bepalen van het percentage voor de watersysteemheffing gebouwd moet worden uitgegaan van daadwerkelijke WOZ-waarden en niet van een gemiddelde waardestijging.
23. De heffingsambtenaar stelt dat bij de tariefstelling, die voorafgaand aan het belastingjaar plaatsvindt, wordt uitgegaan van de op dat moment beschikbare informatie en ramingen. Er is geen rechtsregel die verplicht om daarbij uit te gaan van werkelijke aantallen. De uiteindelijke waarden en aantallen worden veelal pas jaren later definitief en kunnen dus pas na afloop van het belastingjaar worden vastgesteld. Met de tariefsegalisatiereserve wordt op die onzekerheid ingespeeld.
24. De rechtbank volgt het standpunt van de heffingsambtenaar en oordeelt dat bij de tariefstelling mag worden uitgegaan van ramingen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de dat de tarieven vóór het belastingjaar moeten worden vastgesteld en berusten op ramingen van kosten en opbrengsten, omdat die van tevoren niet duidelijk zijn. Dit past binnen de systematiek van de Waterschapswet, die is gebaseerd op begroting en kostendekking via heffingen. Daarnaast is duidelijk dat als de begroting achteraf te hoog blijkt te zijn vastgesteld, dat dat in latere jaren kan worden gecompenseerd, bijvoorbeeld via de tariefegalisatiereserve. Verder staat nergens in de wet dat de heffingsambtenaar moet uitgaan van definitief vastgestelde aantallen woonruimten, vervuilingseenheden of WOZ-waarden. Dat deze gegevens pas na afloop van het belastingjaar beschikbaar zijn, bevestigt juist dat bij de tariefstelling moet worden uitgegaan van ramingen. De beroepsgrond slaagt niet.
Waardepeildatum Kostentoedelingsverordening
25. Eiser meent voorts dat bij de vaststelling van artikel 2, derde lid, van de Kostentoedelingsverordening niet is gemotiveerd waarom is uitgegaan van de waardepeildatum 1 januari 2021 en niet van een andere waardepeildatum. Op grond van artikel 6.11 van het Waterschapsbesluit is bepaald dat de waardepeildatum maximaal twee jaar voor het begin van het eerste kalenderjaar ligt waarop de Kostentoedelingsverordening betrekking heeft. Daarom kunnen volgens eiser de waardepeildatum van 1 januari 2021, de percentages in artikel 2, eerste lid, van de Kostentoedelingsverordening en het tarief van artikel 10 van Pro de Verordening Watersysteemheffing niet in stand blijven.
26. De heffingsambtenaar verwijst naar artikel 6.11 van het Waterschapsbesluit, dat regels stelt voor de kostentoedeling aan afzonderlijke belangencategorieën over een meerjarig tijdvak. Dit staat los van de tarief bepaling in de Belastingverordeningen, die gelden voor elk afzonderlijk belastingjaar. Zoals ook in de toelichting bij de Kostentoedelingsverordening staat, is bij de vaststelling daarvan uitgegaan van de waardepeildatum 1 januari 2021, omdat er toen onvoldoende gegevens beschikbaar waren over waardepeildatum 1 januari 2022. Voor het latere belastingjaar 2024 is dan ook terecht uitgegaan van de door de WOZ-bronhouder voor dat belastingjaar, met waardepeildatum 1 januari 2023, vastgestelde waarden. De rechtbank volgt deze uitleg van de heffingsambtenaar. De beroepsgrond slaagt niet.
Discriminatie door toepassing forfaitaire zuiveringsheffing?
27. Ook stelt eiser dat het bij de zuiveringsheffing toepassen van een forfait van drie vervuilingseenheden bij een huishouden van drie of meer personen ertoe leidt dat huishoudens bestaande uit twee of drie leden ongelijk behandeld en onevenredig hard geraakt worden ten opzichte van huishoudens bestaande uit meer dan drie leden. De lasten van de grotere huishoudens worden zo afgewenteld op de twee-, en driepersoonshuishoudens, terwijl deze huishoudens minder vervuilen en minder afvoeren.
28. De heffingsambtenaar verwijst in dit verband onder andere naar het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025. [4] De Hoge Raad heeft hierin geoordeeld dat het toepassen van een forfait van drie vervuilingseenheden voor meerpersoonshuishoudens – waaronder twee- en drie-persoonshuishoudens – geen ongeoorloofde discriminatie of ongelijkheid inhoudt. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze beroepsgrond daarom al niet slagen.
Overige gronden
29. Eiser heeft nog een aantal summier onderbouwde stellingen ingenomen, samengevat inhoudende dat de aanslag, de watersysteem- en zuiveringsheffingen en verschillende artikelen van de Belastingverordeningen en de Waterschapswet in strijd zijn met artikel 14 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), artikel 1 Eerste Pro Protocol van het EVRM, artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, (artikel 1 van Pro) de Grondwet, het rechtszekerheidsbeginsel, het legaliteitsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het discriminatieverbod, het gelijkheidsbeginsel en/of het verbod van willekeur. Gelet op de uitgebreide, gemotiveerde en verder niet, of onvoldoende, weersproken betwisting van de heffingsambtenaar heeft eiser zijn stellingen naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt en gaat de rechtbank hieraan verder voorbij.

Conclusie en gevolgen

30. Het beroep is gegrond vanwege de schending van de hoorplicht, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Omdat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslag bevoegd, terecht en naar de juiste hoogte is opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat de rechtgevolgen van de bestreden beslissing in stand blijven.
31. De rechtbank ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 3.468,-. Dit bedrag is berekend aan de hand van: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1,5 punt voor het twee keer verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor een schriftelijke uiteenzetting na de schorsing, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Ook krijgt eiser 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1.
32. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar ook het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden uitspraak in stand blijven;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraak;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten tot een bedrag van € 3.468,-;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.L. Wiersinga, voorzitter, mr. J.W. Vriethoff en mr. J.C.S. van Limburg Stirum, leden, in aanwezigheid van mr. H.M. Dost, griffier.
griffier
voorzitter
Uitgesproken op 19 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 25 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2.Aanwijzingsbesluit ambtenaar belast met de heffing Waterschap AGV in samenhang met artikel 123, derde lid, onder b, van de Waterschapswet.
3.Artikel 3, tweede lid, van het Reglement.