Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5537

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
13/131227-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 13 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor illegale drugshandel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 mei 2026 het verzoek tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Zweden tegen een persoon met de Nederlandse nationaliteit, verdacht van illegale handel in verdovende middelen. De opgeëiste persoon verscheen ter zitting en werd bijgestaan door zijn advocaat, die geen inhoudelijk verweer voerde.

De rechtbank stelde vast dat het strafbare feit een lijstfeit is volgens de Overleveringswet (OLW), waardoor een onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft. De opgeëiste persoon beriep zich op de garantie dat hij een eventuele onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in Nederland mag ondergaan, wat door de Zweedse autoriteiten werd bevestigd en door de rechtbank als voldoende werd beoordeeld.

De rechtbank verwierp de facultatieve weigeringsgrond dat het feit deels in Nederland zou zijn gepleegd, omdat de omstandigheden van het geval, waaronder de internationale dimensie en de locatie van bewijs en slachtoffers, dit niet rechtvaardigden. Verzoeken tot schorsing van de overleveringsdetentie werden afgewezen, mede vanwege de noodzaak van de beperkingen en het ontbreken van bevoegdheid van de rechtbank om uitzonderingen op het bevel te verlenen.

Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en de overlevering aan Zweden kan plaatsvinden. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Zweden toe onder de voorwaarde dat hij een eventuele straf in Nederland mag ondergaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/131227-26
Datum uitspraak: 20 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 7 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 mei 2026 door
the Swedish Prosecution Authority, National Public Prosecution Department, National Unit Against Organised Crime, Zweden (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1952 in [geboorteplaats] (Indonesië),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres 1] ,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [adres 2] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 mei 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.C. Fleskens, advocaat in Amsterdam. De raadsvrouw heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een
detention order in absentia van Södertörn District Courtvan 6 mei 2026, case B 3943-26.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Zweeds recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [2]

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Zweden een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en belangen in Nederland gevestigd. [3]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Namens
the Prosecutor Generalin Stockholm is op 11 mei 2026 de volgende garantie gegeven:
´The Netherlands has made surrender to Sweden subject to the condition that [de opgeëiste persoon] is returned to the Netherlands in order to serve an unconditional prison sentence passed on him in Sweden (article 5.3 in the Council framework decision on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States).
Decision
The Prosecutor General accepts the condition.
Conditions laid down by a foreign state in connection to surrender to Sweden shall apply in Sweden according to Chapter 2 Section 13 of the Penal Code. Consequently, if [de opgeëiste persoon] is convicted to a custodial sentence or detention order, he will be returned to the Netherlands in order to serve the sentence after the judgment has gained legal force.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, onderdeel a), OLW

Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4]
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:
- het strafrechtelijk onderzoek wordt uitgevoerd in Zweden;
- de vervolging vindt plaats in Zweden;
- de drugs zijn uitgevoerd vanuit Zweden;
- de rechtsorde is derhalve in Zweden het meest geschokt; en
- het Nederlandse openbaar ministerie is niet voornemens de feiten uit het EAB te vervolgen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; [5]
- voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals:
- de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie;
- de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken;
- de locatie van de slachtoffers;
- de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen;
- de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. [6]
De rechtbank stelt vast dat, gelet op de omstandigheden die de officier van justitie heeft genoemd, het gegeven dat de feiten geheel of gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om deze weigeringsgrond toe te passen. De rechtbank ziet dan ook af van toepassing van deze weigeringsgrond.

7.Verzoeken van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft verzocht om de overleveringsdetentie te schorsen, omdat geen sprake is van vluchtgevaar. Het gezin van de opgeëiste persoon woont in Nederland en zijn bedrijf is hier ook gevestigd. De opgeëiste persoon kan als enige betalingen voor het bedrijf doen en zonder hem stagneert de bedrijfsvoering en kan het bedrijf zelfs failliet gaan, met alle gevolgen van dien. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon een aandoening aan zijn oog. Hij moet in de eerste week van juni een injectie krijgen in zijn oog om te voorkomen dat hij zijn zicht verliest. Wanneer het bezwaarschrift tegen de beperkingen ongegrond wordt verklaard en het schorsingsverzoek wordt afgewezen heeft de raadsvouw verzocht om een voorziening te treffen, waarbij de opgeëiste persoon toestemming wordt verleend om een volmacht te geven aan zijn boekhouder om betalingen namens zijn bedrijf te kunnen doen.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen schorsing, omdat een schorsing zich niet verhoudt met de noodzaak van de beperkingen, waarin de opgeëiste persoon zich bevindt. Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de toestemming voor een uitzondering op de opgelegde beperkingen, zoals die door de raadsvrouw is verzocht, niet ter beoordeling aan deze rechtbank is, maar aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De officier van justitie stelt voorts vast dat vergelijkbare verzoeken in een eerder stadium al zijn voorgelegd aan de Zweedse autoriteiten en deze niet bereid waren tot inwilliging daarvan.
De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing af. De raadkamer van deze rechtbank heeft op 20 mei 2026 het bezwaarschrift tegen de beperkingen ongegrond verklaard [7] en een schorsing van de overleveringslevering verhoudt zich hier niet mee. Daarnaast is de toetsing om een uitzondering op het bevel beperkingen te maken niet aan deze rechtbank, maar aan de officier van justitie en de uitvaardigende justitiële autoriteit.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Swedish Prosecution Authority, National Public Prosecution Department, National Unit Against Organised Crime(Zweden) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie onderdeel e) van het EAB.
3.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (
4.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
5.HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (
6.HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (
7.De behandeling van het bezwaarschrift en het overleveringsverzoek is gelijktijdig op de 20 mei 2026 behandeld.