ECLI:NL:RBAMS:2026:562

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
11822526 CV EXPL 25-10390
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen handelsrente over te laat terugbetaalde waarborgsom bij beëindiging huur bedrijfsruimte

Bakers & Roasters huurde sinds 2015 een horecabedrijfsruimte van Oosteinde, die in 2021 werd beëindigd met een overeenkomst waarbij de waarborgsom binnen 10 dagen na oplevering moest worden terugbetaald. De eerste etage werd op 1 februari 2022 opgeleverd, maar de borg werd pas op 1 juli 2025 terugbetaald, zonder rente en kosten.

Bakers & Roasters vorderde wettelijke handelsrente en incassokosten wegens te late terugbetaling. Oosteinde stelde dat geen rente verschuldigd was omdat dit was uitgesloten in de huurovereenkomst en dat de beëindigingsovereenkomst geen handelsovereenkomst was.

De rechtbank oordeelde dat de borg terugbetaald moest worden met wettelijke rente vanaf het moment van verzuim (6 juni 2025), maar dat geen handelsrente verschuldigd was omdat de borg geen primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst is. Daarnaast werden redelijke buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Oosteinde werd veroordeeld tot betaling van rente, kosten en proceskosten.

Uitkomst: Oosteinde is veroordeeld tot betaling van wettelijke rente vanaf 6 juni 2025, incassokosten en proceskosten over de te laat terugbetaalde waarborgsom.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11822526 \ CV EXPL 25-10390
Vonnis van 12 februari 2026
in de zaak van
BAKERS & ROASTERS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Bakers & Roasters,
gemachtigde: mr. F.W.M. Groot,
tegen
OOSTEINDE ONTWIKKELINGEN B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Oosteinde,
gemachtigde: mr. W.M. Blaauw.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 juli 2025, met producties;
- de akte houdende inbreng productie, met één productie;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- het tussenvonnis van 21 oktober 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, waarna daarvoor een dag is bepaald;
- de akte houdende inbreng producties, met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 13 januari 2026. Op deze mondelinge behandeling verschenen voor Bakers & Roasters dhr. [naam 1] met de gemachtigde en voor Oosteinde dhr. [naam 2] met de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, Bakers & Roasters mede aan de hand van ter zitting overgelegde pleitaantekeningen waarin een eiswijziging is geformuleerd die ondanks bezwaren van Oosteinde is toegestaan. Na verder debat is vonnis bepaald op heden. De griffier heeft aantekening gehouden van de behandeling.

2.De feiten

2.1.
Bakers & Roasters huurde sinds 1 november 2015 van (aanvankelijk een rechtsvoorganger van) Oosteinde de horecabedrijfsruimte aan de [adres] met kantoor/opslag op de eerste etage. De horecabedrijfsruimte werd met toestemming onderverhuurd aan [naam 3] (hierna: [naam 3] ), de eerste etage was in gebruik bij Bakers & Roasters.
2.2.
In november 2021 sloten Oosteinde, Bakers & Roasters en [naam 3] een overeenkomst waarbij de huur en onderhuur werden beëindigd met ingang van 1 februari 2022. Onderdeel van de afspraken was dat de door Bakers & Roasters betaalde waarborgsom van € 11.460,- (hierna: de borg) door Oosteinde zou worden terugbetaald binnen 10 dagen na oplevering van de eerste etage.
2.3.
Op 1 februari 2022 is de eerste etage opgeleverd.
2.4.
Naar aanleiding van het verzoek van Bakers & Roasters om de borg terug te betalen, heeft makelaar [naam 4] , die al dan niet voor Bakers & Roasters het contact met Oosteinde onderhield, aan Bakers & Roasters laten weten dat de borg op 24 maart 2022 zou worden terugbetaald.
2.5.
Bij brief van 23 mei 2025 sommeerde Bakers & Roasters Oosteinde tot teruggave van de borg binnen 14 dagen na dagtekening, bij uitblijven waarvan rente en kosten in rekening zouden worden gebracht.
2.6.
Bij brief van de gemachtigde van 20 juni 2025 sommeerde Bakers & Roasters Oosteinde tot terugbetaling van de borg – verhoogd met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente vanaf 30 december 2023 – op uiterlijk 30 juni 2025, bij gebreke waarvan over de gehele verzuimperiode rente zou worden gevorderd.
2.7.
Oosteinde heeft de borg – zonder rente en kosten - op 1 juli 2025 aan Bakers & Roasters terugbetaald.

3.Het geschil

3.1.
Bakers & Roasters vordert – samengevat – € 4.590,40 aan wettelijke handelsrente over de borg vanaf 24 maart 2022 tot 1 juli 2025 en € 889,60 aan buitengerechtelijke incassokosten. Zij legt daaraan ten grondslag dat sprake is van een handelsovereenkomst. Subsidiair vordert zij de wettelijke rente over de borg die volgens haar niet tijdig door Oosteinde werd teruggestort.
3.2.
Oosteinde voert verweer. Volgens haar is geen rente verschuldigd over de borg omdat partijen dat in de huurovereenkomst zo hebben afgesproken. Verder is de beëindigingsovereenkomst ook niet aan te merken als een handelsovereenkomst zodat van handelsrente geen sprake kan zijn. Nu Oosteinde het gevorderde bedrag niet verschuldigd is, geldt dat ook voor de incassokosten die bovendien al in de proceskosten zijn verdisconteerd.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vaststaat dat Oosteinde, ondanks meerdere sommaties waaronder van de gemachtigde van Bakers & Roasters, niet tijdig aan haar verplichting tot terugbetaling van de borg heeft voldaan.
4.2.
In geschil is onder meer of Oosteinde hierdoor rente verschuldigd is geworden. Het antwoord daarop luidt bevestigend. Dat in de huurovereenkomst is afgesproken dat over de borg geen rente verschuldigd is, gold slechts gedurende de looptijd daarvan. Na beëindiging van de huur is een grondslag voor het onder zich houden van die geldsom immers komen te ontbreken.
4.3.
Dat de borg bij het einde van de huur moet worden terugbetaald, vindt zijn oorsprong in de huurovereenkomst die betrekking heeft op bedrijfsmatige huur en daarmee kwalificeert als een handelsovereenkomst. De beëindigingsovereenkomst borduurt daarop slechts voort. Voor de verschuldigdheid van wettelijke handelsrente over de waarborgsom in de zin van artikel 6:119a BW is echter niet alleen vereist dat de betalingsverplichting voortvloeit uit een handelsovereenkomst. In aanvulling daarop geldt ook het vereiste de onbetaalde geldsom ziet op een primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst, waaronder wordt verstaan de geldelijke tegenprestatie voor geleverde diensten op grond van een handelsovereenkomst (zie ECLI:NL:HR:2017:3106 en ECLI:NL:HR:2020:1710). Anders dan voor de maandelijkse huurpenningen, betreft de waarborgsom geen geldelijke tegenprestatie voor geleverde diensten. Het terugbetalen van een waarborgsom kan dan ook niet worden aangemerkt als de primaire betalingsverplichting uit de huurovereenkomst. De kantonrechter is daarom van oordeel dat Oosteinde geen handelsrente maar slechts de wettelijke rente over de borg verschuldigd is. Nu daarvoor ingevolge artikel 6:119 lid 1 BW Pro nodig is dat Oosteinde is verzuim is komen te verkeren, wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf het tijdstip dat verzuim is ingetreden, te weten vanaf 6 juni 2025 (zijnde de gegeven betalingstermijn van veertien dagen na de ingebrekestelling d.d. 23 mei 2025).
4.4.
Op grond van artikel 6:96 BW Pro is een schuldenaar die te laat betaalt redelijke kosten ter verkrijging buiten rechte verschuldigd, die bij een handelsovereenkomst zonder en bij een andersoortige overeenkomst na aanmaning verschuldigd worden. Vast staat dat is aangemaand en Oosteinde daarbij in de gelegenheid is gesteld de borg zonder de verschuldigdheid van rente en kosten terug te betalen. Aan het bepaalde in artikel 6:96 BW Pro is dus in ieder geval voldaan. De gevorderde kosten zijn berekend over alleen de hoofdsom (te weten: de borg van € 11.460,-) met inachtneming van in het vijfde lid van het artikel voornoemd en daarmee als redelijk aan te merken. Deze kosten kwalificeren niet als proceskosten en zijn dan ook toewijsbaar.
4.5.
Oosteinde wordt als de meest in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast. Het toe te wijzen griffierecht en salaris gemachtigde wordt beperkt tot het tarief dat geldt voor hetgeen aan hoofdsom wordt toegewezen.

5.De beslissing

5.1.
veroordeelt Oosteinde tot betaling aan Bakers & Roasters van:
- de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 11.460,- vanaf 6 juni 2025 tot 1 juli 2025;
- € 889,60 aan buitengerechtelijke kosten;
5.2.
veroordeelt Oosteinde in de proceskosten, aan de zijde van Bakers & Roasters tot op heden begroot op:
  • € 125,65 aan explootkosten;
  • € 340,00 aan griffierecht;
  • € 270,00 aan salaris gemachtigde;
een en ander voor zover verschuldigd inclusief btw;
5.3.
veroordeelt Oosteinde in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 67,50 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw;
5.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
534