Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[bedrijf],
Rechtbank Amsterdam
Eisende partij, een stichting, vordert betaling van €4.070,19 aan achterstallige ouderbijdragen voor kinderopvang van het minderjarige kind van gedaagde partij. Gedaagde is in verzuim en verschijnt niet in de procedure, waardoor verstek is verleend.
De kantonrechter beoordeelt de overeenkomst als een consumentenovereenkomst op afstand en toetst ambtshalve of aan de informatieplichten uit het Burgerlijk Wetboek is voldaan. De rechtbank stelt vast dat eisende partij voldoende informatie heeft verstrekt over de kenmerken van de diensten, prijs, betaling en ontbindingsrecht, en dat gedaagde de overeenkomst digitaal heeft aanvaard.
Het prijswijzigingsbeding, dat een jaarlijkse indexering op basis van de Consumentenprijsindex en een opslag tot 6% mogelijk maakt, is getoetst aan Richtlijn 93/13 EG en de Wet kinderopvang. De rechtbank oordeelt dat het beding duidelijk, begrijpelijk en niet oneerlijk is, mede omdat de consument de mogelijkheid heeft de overeenkomst op te zeggen bij prijswijziging en de Oudercommissie advies uitbrengt over prijswijzigingen.
De gevorderde hoofdsom wordt daarom toegewezen, evenals de wettelijke rente en proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Het vonnis is gewezen door kantonrechter L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot betaling van achterstallige kinderopvangouderbijdragen toe en verklaart het prijswijzigingsbeding niet oneerlijk.