Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5635

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
12181768 \ CV EXPL 26-5370
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230v BWRichtlijn 93/13 EGArtikel 4 lid 2 Richtlijn 93/13 EGArtikel 11 Algemene Voorwaarden BMK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering kinderopvangouderbijdrage en toetsing prijswijzigingsbeding

Eisende partij, een stichting, vordert betaling van €4.070,19 aan achterstallige ouderbijdragen voor kinderopvang van het minderjarige kind van gedaagde partij. Gedaagde is in verzuim en verschijnt niet in de procedure, waardoor verstek is verleend.

De kantonrechter beoordeelt de overeenkomst als een consumentenovereenkomst op afstand en toetst ambtshalve of aan de informatieplichten uit het Burgerlijk Wetboek is voldaan. De rechtbank stelt vast dat eisende partij voldoende informatie heeft verstrekt over de kenmerken van de diensten, prijs, betaling en ontbindingsrecht, en dat gedaagde de overeenkomst digitaal heeft aanvaard.

Het prijswijzigingsbeding, dat een jaarlijkse indexering op basis van de Consumentenprijsindex en een opslag tot 6% mogelijk maakt, is getoetst aan Richtlijn 93/13 EG en de Wet kinderopvang. De rechtbank oordeelt dat het beding duidelijk, begrijpelijk en niet oneerlijk is, mede omdat de consument de mogelijkheid heeft de overeenkomst op te zeggen bij prijswijziging en de Oudercommissie advies uitbrengt over prijswijzigingen.

De gevorderde hoofdsom wordt daarom toegewezen, evenals de wettelijke rente en proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Het vonnis is gewezen door kantonrechter L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot betaling van achterstallige kinderopvangouderbijdragen toe en verklaart het prijswijzigingsbeding niet oneerlijk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12181768 \ CV EXPL 26-5370
Vonnis van 15 mei 2026
in de zaak van
de stichting
[eiser],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. O.J. Boeder,
tegen
[gedaagde],
handelend onder de naam
[bedrijf],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 april 2026, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 4.070,19 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten. Eisende partij stelt dat gedaagde partij de verschuldigde ouderbijdragen voor kinderopvang ten behoeve van het minderjarige kind van gedaagde partij niet (volledig) heeft betaald.
2.2.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.3.
Gelet op (de in de dagvaarding gestelde wijze van totstandkoming van) de overeenkomst, gaat het om een overeenkomst op afstand, zodat gemotiveerd moet worden gesteld dat is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.4.
Geoordeeld wordt dat eisende partij hierover voldoende heeft gesteld. Vastgesteld wordt dat de overeenkomst alle essentiële informatie voortvloeiend uit artikel 6:230m lid 1 en 6:230v BW bevat, waaronder informatie over de kenmerken van de diensten, de totale prijs, de wijze van betaling en het ontbindingsrecht. Gedaagde partij heeft de gelegenheid gekregen de overeenkomst door te nemen voor deze digitaal te ondertekenen. Met het plaatsen van een digitale handtekening direct onder de overeenkomst heeft gedaagde partij het aanbod van eisende partij – waaruit onmiskenbaar een betalingsverplichting volgt – aanvaard. Een bestelknop als bedoeld in artikel 6:230v lid 3 BW is in dit geval niet aan de orde.
2.5.
Conclusie is dat eisende partij heeft voldaan aan haar informatieplichten.
2.6.
De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een beding dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. Ambtshalve toetsing van dergelijke bedingen is ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn alleen aan de orde als ze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Nu het onderhavige beding over de prijs duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, is verdere toetsing aan de richtlijn niet aan de orde.
2.7.
Partijen zijn in 2025 een prijs voor de dienstverlening overeengekomen. Uit (een deel van) de facturen waarvan in deze procedure betaling wordt gevorderd volgt dat de prijs is verhoogd. De bevoegdheid om de prijzen te verhogen ontleent eisende partij aan artikel 4, 5 en 6 van de overeenkomst en artikel 11 in Pro samenhang met bijlage 3 van de algemene voorwaarden. Deze artikelen luiden als volgt:
Art. 4. Aanvangstarief en tariefwijzigingen
4.1
In de plaatsingsovereenkomst is de prijs voor de kinderopvang (hierna: devergoeding) opgenomen die geldt in het jaar dat de plaatsingsovereenkomst is aangegaan.
4.2
De prijs kan één keer per jaar worden gewijzigd op de wijze zoals omschreven in artikel 11 ‘De prijs en de wijziging van de prijs’ dat is opgenomen in de Algemene Voorwaarden voor Kinderopvang, Dagopvang en Buitenschoolse opvang van de Brancheorganisatie Kinderopvang (hierna: Algemene Voorwaarden BMK). Daarin is onder andere opgenomen dat de prijswijziging ten minste 40 dagen van te voren wordt gecommuniceerd en dat de contractouder de mogelijkheid heeft om de overeenkomst op te zeggen in het geval van een prijswijziging.
4.3
Bij het bepalen van de prijs maakt [eiser] onderscheid tussen indexering op basis van de Consumentenprijsindex (CPI) en een opslag om de kosten bovenop de inflatie te kunnen ondervangen. Dit wordt in de volgende artikelen toegelicht.
(…)
Art. 5. Indexering van de prijs
De in deze overeenkomst genoemde prijzen voor opvang kunnen één keer per kalenderjaar worden aangepast op basis van de Consumentenprijsindex (CPI). De tarieven voor kinderopvang kunnen jaarlijks worden aangepast op basis van de Consumentenprijsindex alle huishoudens 2015=100 (CPI), zoals gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Hierbij wordt gekeken naar de CPI van vier maanden vóór de aanpassingsdatum en de CPI van zestien maanden vóór die datum. De prijs wordt aangepast met het percentage dat volgt uit deze vergelijking. De indexering van de prijs op basis van de CPI is bedoeld om te corrigeren voor inflatie.
Art. 6. Jaarlijkse opslag
Bovenop en gelijktijdig met de indexering (artikel 4) kan een jaarlijkse opslag van maximaal 6% worden toegepast op de laatst geldende prijs (zodat bijvoorbeeld ook in het geval van deflatie de prijs met maximaal 6% kan worden verhoogd). Deze opslag is bedoeld om te corrigeren voor stijging van kosten die niet zijn meegenomen in de CPI. [eiser] is gebonden aan de cao Kinderopvang waarin de loonkosten harder kunnen stijgen dan de CPI. Daarnaast kan [eiser] te maken krijgen met kosten die specifiek voor haar organisatie gelden en waarmee geen rekening wordt gehouden in de CPI. In bijlage 3 van de Algemene Voorwaarden BMK zijn de gronden opgenomen op grond waarvan [eiser] haar prijs kan verhogen.
ARTIKEL 11 (van de Algemene Voorwaarden BMK) - De prijs en de wijziging van de prijs
De prijs die de Ouder voor de Kinderopvang vanaf de Aanvangsdatum moet betalen wordt in de Overeenkomst opgenomen.
Wijziging van de overeengekomen prijs vindt plaats met inachtneming van het bepaalde in artikel 11 lid 3 tot Pro en met 8.
De Ondernemer mag de overeengekomen prijs eenmaal per kalenderjaar wijzigen (waaronder verhogen) en, in geval van een verhoging van de overeengekomen prijs, voor de eerste keer niet eerder dan na het verstrijken van minimaal drie maanden na de Ingangsdatum.
Redenen voor de prijswijziging zijn onder meer wijzigingen in kosten en overige factoren aangaande de bedrijfsvoering van de Ondernemer, zoals nader genoemd in bijlage 3.
De Ondernemer deelt de prijswijziging Schriftelijk aan de Ouder mee voordat de gewijzigde prijs ingaat. De Ondernemer deelt daarbij mee per welke datum de gewijzigde prijs ingaat. De ingangsdatum voor de gewijzigde prijs ligt tenminste 40 dagen na de dag waarop de prijswijziging aan de Ouder is aangekondigd.
Voordat de Ondernemer tot (aankondiging aan de Ouder van) wijziging van de overeengekomen prijs overgaat, (i) stelt hij een adviesaanvraag op met daarin het voorgenomen prijswijzigingsbesluit voorzien van een onderbouwende toelichting, en (ii) stelt hij de Oudercommissie (of de gecombineerde Oudercommissie), conform artikel 1.60 Wet kinderopvang, in staat advies uit te brengen over het voorgenomen prijswijzigingsbesluit. Bij deze adviesaanvraag en naar aanleiding van eventuele aanvullende vragen van de Oudercommissie verstrekt de Ondernemer schriftelijk alle informatie die de Oudercommissie redelijkerwijs nodig heeft voor het kunnen uitbrengen van een advies over het voorgenomen prijswijzigingsbesluit. In geval de Ondernemer niet wettelijk verplicht is een Oudercommissie in te stellen, betrekt de Ondernemer de Ouders aantoonbaar voldoende op een andere wijze bij het voorgenomen prijswijzigingsbesluit.
De Ondernemer kan slechts afwijken van het advies als bedoeld in artikel 11 lid 6 indien Pro de Ondernemer schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van de Kinderopvang zich tegen het advies verzet. Indien de Oudercommissie zich niet kan verenigen met de afwijking van het advies, heeft deze de mogelijkheid om zich tot de Geschillencommissie te wenden.
De Ouder heeft (ook) in geval van een (aangekondigde) prijswijziging het recht om de Overeenkomst Schriftelijk en zonder nadere motivering op te zeggen (zie artikel 6 lid 3 onder Pro a). Indien de Ouder in de 40 dagen voor en 14 dagen na de ingangsdatum van de gewijzigde prijs opzegt, geldt geen opzegtermijn (zie artikel 6 lid 5 onder Pro a).
Bijlage 3 (van de Algemene Voorwaarden BMK) – Redenen wijziging van de prijs
De redenen voor de prijswijziging zijn uiteenlopend en zijn afhankelijk van diverse kostenwijzigingen en andere bedrijfseconomische omstandigheden en wijzigingen. Vanwege de aard van de kinderopvangovereenkomst, de veelheid aan kosten die ten behoeve van kinderopvang worden gemaakt en het feit dat de Kindercentra vanwege de eigen bedrijfsvoering en inrichting van elkaar verschillen, is prijsvorming en prijswijziging in de kinderopvang maatwerk en is het niet goed mogelijk om de prijswijziging te laten plaatsvinden aan de hand van een vooraf vastgestelde formule.
Wijzigingen (zoals door inflatie of anderszins) in onder meer de hieronder opgenomen posten kunnen een rol spelen bij het vaststellen van een wijziging van de overeengekomen prijs.
• Loonkosten:
- Salariskosten
- Wijzigingen in de CAO
- Periodieke loonsverhogingen
- Kostenveranderingen vanwege in- en uitstroom
- Pensioenpremie
- Sociale lasten / kosten ziekteverzuim etc.
- Scholing voor personeel
- Overige personeelskosten, zoals inhuur en eventuele reiskosten
• Huisvestingskosten:
- Kosten in verband met huur van panden
- Kosten van panden in eigendom (inclusief financieringslasten en belastingen)
- Onderhoudskosten (binnen- en buitenruimtes)
- Energiekosten (gas, water, elektra)
- Onderhoud en vervanging van inventaris
• Overige organisatiekosten / organisatiefactoren:
- Kosten voor verzorgingsproducten, luiers etc.
- Voeding
- Materialen en activiteiten
- Vervoerskosten bso voor het ophalen van school
- Kantoor- en administratiekosten
- Software en IT
- Website, ouderportaal en promotie
- Inkoop van externe kennis en expertise
- Afschrijvingen
- Rentelasten
- Belastingen
- Aflopende contracten en/of aflopende financieringsfaciliteiten
- Aanpassingen in het productaanbod van het Kindercentrum
• Inkomsten / vermogen
- Financiële resultaat van eerdere jaren
- De vermogenspositie van het Kindercentrum
- Bezettingsgraad en omzetontwikkeling
- Eventuele subsidies van de gemeente / overheid
- Overige inkomsten (zoals eigen bijdrage van de Ouder)
• Wijzigingen in wet- en regelgeving die kostenverhogend werken
2.8.
De hiervoor geciteerde artikelen moeten cumulatief worden getoetst op oneerlijkheid en worden hierna aangeduid als: het prijswijzigingsbeding.
2.9.
De kantonrechter heeft het prijswijzigingsbeding, vervat in voornoemde artikelen, getoetst. Het prijswijzigingsbeding – bestaande uit een indexatie krachtens objectieve index en een aanvullende opslag van maximaal 6% – is duidelijk en begrijpelijk (transparant) opgesteld. Het prijswijzigingsbeding benoemt de gronden, die een geldige reden voor wijziging kunnen vormen. Een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument wordt bij het sluiten van de overeenkomst in staat gesteld om de concrete werking van het beding te begrijpen en de financiële verplichtingen te beoordelen. Bij een wijziging van de prijs wordt verder overeenkomstig de Wet kinderopvang een advies gevraagd aan de Oudercommissie, waarbij eisende partij zich dient te verantwoorden als zij afwijkt van het gegeven advies. Als (wordt aangekondigd dat) de prijs wordt gewijzigd heeft de consument bovendien een reële mogelijkheid om de overeenkomst op te zeggen, voordat de wijziging van kracht wordt. Eén en ander maakt dat het prijswijzigingsbeding niet oneerlijk is.
2.10.
De gevorderde hoofdsom is dan ook toewijsbaar.
2.11.
In de overeenkomst of algemene voorwaarden staan verder geen andere bedingen die aan de onderhavige vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd.
2.12.
Nu de vordering overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, wordt deze toegewezen als in de beslissing vermeld, behoudens voor zover hierna anders is overwogen en/of een gedeelte van de vordering niet of anders is toegewezen.
2.13.
Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
529,00
- salaris gemachtigde
288,00
(1 punt × € 288,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.040,94

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen:
- € 4.070,19 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 april 2026 tot de dag van volledige betaling,
- € 250,56 aan buitengerechtelijke kosten,
- € 48,41 aan vervallen wettelijke rente tot 8 april 2026,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 1.040,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.
991