ECLI:NL:RBAMS:2026:5668

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
25/6231
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing bijstandsuitkering wegens onvoldoende zorgvuldig onderzoek

Eiser diende op 27 februari 2025 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, welke door verweerder werd afgewezen wegens het niet verstrekken van de gevraagde informatie over zijn verblijfplaats. Na bezwaar bleef verweerder bij zijn standpunt. De rechtbank oordeelt dat het onderzoek naar de feitelijke woonsituatie van eiser niet zorgvuldig is uitgevoerd, mede omdat de verklaring van de moeder van eiser, die de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en in paniek was, niet adequaat is geverifieerd.

De rechtbank stelt vast dat eiser op de opgegeven adressen verbleef, zoals bevestigd door zijn broer, en dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Het bestreden besluit berust daardoor niet op een deugdelijke grondslag en wordt vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en kent de bijstandsuitkering toe met ingang van 27 februari 2025.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak is gedaan door rechter A.M. van der Linden-Kaajan en griffier S.E. Berghout op 22 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot afwijzing en kent de bijstandsuitkering toe met ingang van 27 februari 2025.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/6231

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Telting).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke grondslag. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd en de rechtbank ziet reden om zelf in de zaak te voorzien door te beslissen dat aan eiser een bijstandsuitkering moet worden toegekend met ingang van 27 februari 2025. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 27 februari 2025 een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit van
21 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 september 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Wat voorafging aan het bestreden besluit
3. Eiser ontving vanaf 4 oktober 2024 tot 5 januari 2025 een bijstandsuitkering naar de norm van een volledig gezin. De gezinsuitkering is beëindigd in verband met een echtscheiding.
4. Op 27 februari 2025 heeft eiser op het formulier Aanmelding Screening bijzondere doelgroepen ingevuld dat hij op het adres [adres 1] slaapt. Hij vraagt een uitkering voor levensonderhoud aan en een briefadres.
5. Op het formulier Verblijfslocatie(s) dak- en thuisloze van 2 maart 2025 heeft eiser drie verblijfslocaties vermeld:
[adres 2]. Eiser verblijft hier gemiddeld vijf nachten per week van 19.00 uur tot 09.00 uur. De naam van de hoofdbewoner is [naam 1].
[adres 3]. Eiser verblijft hier gemiddeld twee nachten per week van 18.00 uur tot 08.00 uur. De naam van de hoofdbewoner is [naam 2].
Eiser gaat twee dagen per week van 15.00 uur tot 17.00 uur naar het adres [adres 1]. Op dit adres ziet eiser zijn kinderen.
6. Naar aanleiding van de aanvraag is door de afdeling Handhaving een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de verstrekte gegevens over het feitelijke woonadres en de woonsituatie van eiser. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport van bevindingen aanvraag Bijzondere Doelgroepen. Dit rapport is ondertekend op
17 maart 2025. Uit dit rapport volgt onder meer dat de betreffende handhavingsmedewerkers een administratief vooronderzoek hebben gedaan en dossieronderzoek hebben verricht. Besloten is om een locatiebezoek af te leggen aan de adressen [adres 3] en [adres 2]. Omdat eiser heeft verklaard niet te slapen op het adres [adres 1] is dit adres niet onderzocht.
Het eerste locatiebezoek aan [adres 3] vond plaats op 17 maart 2025 omstreeks 07.39 uur. Kort gezegd heeft de bewoner verklaard dat eiser op dit adres heeft geslapen en heel vroeg is vertrokken. Eiser is om 07.00 uur vertrokken.
Hierna heeft op 17 maart 2025 omstreeks 08.10 uur een locatiebezoek plaatsgevonden aan [adres 2]. De deur is geopend door een vrouw en de bewoner heeft verklaard dat eiser hier nooit slaapt.
Op basis van deze verklaring is geconcludeerd dat eiser niet op het opgegeven adres verblijft. Hierdoor kan het hoofdverblijf van eiser niet worden vastgesteld. De medewerkers van de afdeling Handhaving hebben niet kunnen vaststellen of eiser tot de doelgroep Bijzondere Doelgroepen behoort en zij hebben geadviseerd om de aanvraag af te wijzen.
7. Uit het rapport Aanvraag bijstand voor levensonderhoud van 21 maart 2025 blijkt dat de klantmanager naar aanleiding van berichten van eiser op 17 maart 2025 over de afgelegde locatiebezoeken, navraag heeft gedaan bij Handhaving. Dit heeft niet geleid tot een ander standpunt.
8. Verweerder heeft de bevindingen uit de genoemde onderzoeken overgenomen. Met het primaire besluit is de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij heeft nagelaten de gevraagde informatie te geven. Het recht op bijstand kan daarom niet worden vastgesteld.
9. Eiser heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is behandeld op een zitting van 25 juni 2025. De voorzieningenrechter heeft (samengevat) geoordeeld dat het bezwaar van eiser geen redelijke kans van slagen heeft en zij heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. [1]
10. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Volgens verweerder is de aanvraag om levensonderhoud op goede gronden afgewezen. Verweerder heeft benadrukt dat het essentieel is dat de aanvrager kan worden aangetroffen op het opgegeven verblijfsadres. Eiser moet meewerken en de juiste gegevens verstrekken die nodig zijn voor het bepalen van het recht op bijstand. Verweerder volgt het standpunt van eiser dat het onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd, niet. In de situatie van eiser heeft verweerder niet kunnen vaststellen dat eiser op de door hem opgegeven adressen verbleef. Volgens verweerder is de verklaring van de ouders van eiser voldoende betrouwbaar en bruikbaar. Volgens de medewerkers van Handhaving zijn geen signalen waargenomen dat sprake is van een taalbarrière of dat de ouders de vragen niet hebben begrepen. De verklaringen zijn niet onder druk of in verwarring afgelegd. Er bestond daarom geen aanleiding om een tolk in te schakelen of een nadere verificatie van de verklaringen te verlangen.
Het standpunt van eiser
11. Eiser voert aan dat het recht op bijstand met de aanwezige informatie wel kan worden vastgesteld, althans dat het onderzoek dat aan het besluit ten grondslag is gelegd onvolledig en onzorgvuldig is. Omdat eiser tot de doelgroep van dak- en thuislozen behoort is extra maatwerk en adequaat onderzoek geboden. Eiser heeft het adres van zijn broertje opgegeven en het adres van zijn ouders. Tijdens de huisbezoeken van 17 maart 2025 bevestigt zijn broertje de opgegeven situatie en verklaart de moeder van eiser dat hij er nooit is. De moeder van eiser beheerst de Nederlandse taal niet en heeft - omdat zij dacht dat het om de politie ging - verklaard zoals is vermeld. De handhaver heeft zich onvoldoende ervan vergewist of de moeder van eiser begreep met wie zij te maken had en met welk doel handhaving aan de deur stond. Er is onvoldoende doorgevraagd naar de feitelijke woonsituatie en zij is niet geconfronteerd met de door haar ondertekende hoofdbewonersverklaring van 2 maart 2025. Eiser heeft direct na de huisbezoeken van 17 maart 2025 contact opgenomen om de situatie uit te leggen en het misverstand op te lossen. Verweerder had in het kader van zorgvuldigheid nader onderzoek moeten doen en de aanvraag niet direct mogen afwijzen.
Het oordeel van de rechtbank
12. De rechtbank moet beoordelen of verweerder de aanvraag om een bijstandsuitkering terecht heeft afgewezen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de te beoordelen periode in dit geval van 27 februari 2025 (datum melding voor het doen van een aanvraag) tot en met 21 maart 2025 (de datum van het afwijzingsbesluit) loopt.
13. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) moet een aanvrager van een bijstandsuitkering de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die tot toewijzing van die aanvraag kunnen leiden. Dit betekent dat de aanvrager de nodige duidelijkheid moet verschaffen over de van belang zijnde feiten en omstandigheden, waaronder zijn woon- en verblijfplaats. [2] Volgens de Raad kan ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn, worden gevraagd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. [3] Het ligt vervolgens op de weg van verweerder om in het kader van zijn onderzoeksplicht te controleren of de door de aanvrager verstrekte inlichtingen juist en volledig zijn. Als de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting [4] voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Is het onderzoek zorgvuldig uitgevoerd?
14. Uit het rapport van bevindingen volgt dat de opgegeven locatie [adres 3] op 17 maart 2025, omstreeks 07:39 uur is bezocht. De rechtbank stelt vast dat dit binnen de door eiser opgegeven tijden is. Eiser heeft als vertrektijd voor dit adres 08:00 opgegeven. Uit het rapport volgt dat eiser die dag niet is aangetroffen. Zijn broer heeft tegenover Handhaving verklaard dat eiser die nacht op zijn adres heeft geslapen en dat hij al vroeg, om 07:00 uur is vertrokken. Uit het rapport noch uit het bestreden besluit volgt dat verweerder reden ziet om aan de verklaring van de broer van eiser te twijfelen.
15. Vervolgens is de opgegeven locatie [adres 2] op 17 maart 2025, omstreeks 08:10 uur bezocht. De rechtbank stelt vast dat dit binnen de door eiser opgegeven tijden is. Eiser heeft als vertrektijd voor dit adres 09:00 opgegeven. Uit het rapport volgt dat eiser die dag niet is aangetroffen. Uit het rapport volgt dat een vrouw de deur voor Handhaving heeft geopend. Zij heeft verklaard dat eiser er niet is, hij nooit op het adres komt en ook nooit op het adres slaapt.
16. Uit het rapport van 21 maart 2025 volgt dat eiser zijn klantmanager op
17 maart 2025 heeft gemaild, gebeld en Whatsappberichten heeft gestuurd naar aanleiding van de bezoeken van Handhaving. Deze berichten staan ook vermeld in een klantcontact van 25 maart 2025. Eiser heeft onder andere aangegeven dat zijn broer boos is omdat het bezoek zo vroeg was en dat hij daar niet meer welkom is. Hij verblijft nu zeven dagen bij zijn ouders. Ook heeft eiser aangegeven dat zijn ouders geen Nederlands spreken en verstaan. Zijn moeder dacht dat het ging om de politie en zij heeft daarom ontkend dat hij daar zou zijn. Vroeger zijn er veel politie-invallen in huis geweest en zijn ouders hebben daar een trauma aan overgehouden. Naar aanleiding van de berichten van eiser heeft de klantmanager navraag gedaan bij de medewerker van Handhaving. In het rapport van 21 maart 2025 heeft de klantmanager vermeld dat:
“Op basis van bovenstaande wijzigingen heeft ogt. contact op genomen met [de persoon]. Zij verklaard, niet het idee te hebben gehad dat de ouders van meneer [naam 2] de controle niet hebben begrepen. [de persoon] heeft meerdere malen, duidelijk uit weten te leggen wat zij daar kwamen doen. Er is meerdere malen door de ouders verklaard dat meneer [naam 2] daar niet verblijft.”
17. De rechtbank stelt vast dat in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure door de gemachtigde van verweerder ([gemachtigde]) ook navraag is gedaan bij Handhaving.
De medewerker van Handhaving heeft in zijn e-mail van 25 juni 2025 geantwoord dat:
“Tijdens het adresbezoek ben ik meegegaan met het onderzoek van mijn collega. Bij aankomst hebben wij ons aan de deur gelegitimeerd als medewerkers van de Gemeente Amsterdam en de reden van ons bezoek toegelicht.
Er is expliciet gevraagd of de klant op het adres aanwezig was. Mevrouw gaf aan dat hij niet aanwezig is en dat hij hier ook niet komt. Ze raakte hierbij lichtelijk in paniek en gaf aan iemand te willen bellen. Hoewel wij aangaven dat dit niet nodig was, stond mevrouw erop dat wij met degene zouden spreken die zij belde.
Zij gaf vervolgens de telefoon aan mijn collega, die het onderzoek uitvoert. Ik weet niet met wie er aan de lijn is gesproken en wat er precies is besproken.”
De gemachtigde van verweerder ([gemachtigde]) heeft vervolgens in haar e-mail van 26 juni 2025 aan [de persoon] onder andere het volgende geschreven:
“Gisteren had ik telefonisch contact hierover met je collega [naam 3] en die zei dat de bewoonster lichtelijk in paniek raakte en iemand wilde bellen. Dat heeft zij gedaan en zij heeft vervolgens de telefoon aan jou gegeven. Mijn vraag is met wie je hebt gesproken en wat is er besproken?
Graag zou ik ook willen weten of deze mevrouw alles goed had begrepen en of haar Nederlands (te) gebrekkig was.”
18. De rechtbank stelt vast dat uit het voorgaande volgt dat de medewerker van Handhaving heeft geconstateerd dat de moeder van eiser in lichte paniek was ten tijde van het bezoek. Dit strookt naar het oordeel van de rechtbank ook met de verklaring van eiser over de politie-invallen in het verleden en dat zijn ouders daar een trauma aan hebben overgehouden.
19. Op de zitting is besproken of de moeder van eiser het bezoek van Handhaving voldoende heeft begrepen en of haar verklaring bruikbaar is. Partijen verschillen hierover van mening. Volgens de gemachtigde van verweerder heeft Handhaving - ondanks de lichte paniek - daarna alles goed uitgelegd en is de moeder van eiser bij haar verklaring gebleven.
20. De rechtbank stelt in dit kader vast dat [de persoon] in antwoord op de vragen van [gemachtigde] heeft geantwoord dat:
“Dit was een zoon van bewoonster want toen ik de telefoon in mijn handen kreeg, kreeg ik van de persoon die aan de lijn was te horen dat wij bij zijn ouders waren. Ook gaf die persoon aan dat betrokkene [eiser] zijn broertje is.
Tijdens dit gesprek heb ik aan die persoon o.a. de reden van ons bezoek uitgelegd, die zou het vervolgens in hun eigen taal aan zijn moeder vertalen.
Ik heb met de bewoonster gesproken in eenvoudig Nederlands. Ik stelde vragen als:" is jouw zoon/kind hier?" en "Slaapt hij wel eens hier?" zodat zij mij beter kon begrijpen. Dit begreep zij wel want ze gaf direct en duidelijk antwoord. Hierna belde ze ook haar zoon zoals ik hierboven genoemd heb. Haar antwoorden bleven hetzelfde.”
21. Gelet op de voorgaande overwegingen oordeelt de rechtbank dat op basis van de genoemde rapporten in combinatie met de latere e-mails van 25 en 26 juni 2025 onvoldoende duidelijk is dat na het telefonisch contact met het broertje van eiser de medewerker(s) van Handhaving nogmaals de reden van het bezoek aan de moeder van eiser hebben uitgelegd. Ook valt niet op te maken of het voor haar duidelijk was dat het niet ging om een bezoek van de politie en welke vragen (en in welke volgorde) aan haar zijn gesteld. Daarnaast is onduidelijk of deze vragen nadat het broertje deze vragen al dan niet telefonisch heeft vertaald zijn herhaald. Dit klemt te meer omdat de moeder van eiser in lichte paniek was.
22. Nu uit het rapport noch uit het bestreden besluit volgt dat verweerder twijfelt aan de verklaring van de broer, dat eiser van 16 op 17 maart 2025 heeft geslapen op het adres [adres 3], en daarnaast onvoldoende is gebleken dat de moeder van eiser heeft begrepen wie er voor de deur stond en welke vragen aan haar werden gesteld, heeft verweerder niet mogen concluderen dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank niet gebaseerd op een zorgvuldig onderzoek. Dit betekent dat verweerder de aanvraag van eiser ten onrechte heeft afgewezen.

Conclusie en gevolgen

23. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke grondslag. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. De rechtbank ziet reden om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat aan eiser een bijstandsuitkering wordt toegekend met ingang van 27 februari 2025 naar de normen zoals vermeld in het toekenningsbesluit van 31 december 2025.
24. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het primaire besluit;
  • bepaalt dat aan eiser een bijstandsuitkering wordt toegekend met ingang van 27 februari 2025 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4596.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4257.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:15.
4.Artikel 17, eerste en tweede lid, van de Pw.