ECLI:NL:RBAMS:2026:5681
Rechtbank Amsterdam
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Tussenvonnis over onvoldoende betekeningstermijn volgens Betekeningsverordening
Eisende partij heeft een dagvaarding uitgebracht tegen een buitenlandse rechtspersoon gevestigd in Brussel, België. De dagvaarding werd betekend op 18 februari 2026, maar de rolzitting vond reeds plaats op 13 maart 2026, waardoor de vereiste termijn van ten minste vier weken tussen betekening en zitting niet werd gerespecteerd.
De rechtbank stelt vast dat op grond van de Betekeningsverordening (Verordening (EU) 2020/1784) een termijn van minimaal vier weken tussen betekening en zitting geldt om de gedaagde voldoende gelegenheid te geven zich te verweren. Omdat deze termijn niet is nageleefd, wordt geen verstek verleend tegen de gedaagde.
De eisende partij wordt opgedragen de dagvaarding opnieuw uit te brengen met inachtneming van de termijn en dit vonnis mee te betekenen. De zaak wordt verwezen naar de rolzitting van 23 juli 2026. Kosten van de hernieuwde betekening zijn voor rekening van de eisende partij. Verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: De rechtbank wijst verstek af wegens te korte betekeningstermijn en beveelt hernieuwde betekening met inachtneming van de termijn.