Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5737

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
13/295530-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak brandstichting en taakstraf voor vernieling portiekdeur

Op 21 september 2025 vond in Amsterdam een incident plaats waarbij vernieling en brandstichting werden gepleegd aan een woning. Verdachte bekende de vernieling van de ruiten van de portiekdeur, maar ontkende betrokkenheid bij de brandstichting. De rechtbank oordeelde dat de camerabeelden van de brandstichting onvoldoende specifiek en duidelijk waren om verdachte te verbinden aan dit feit, waardoor hij hiervoor werd vrijgesproken.

Voor de vernieling erkende verdachte zijn schuld, ondersteund door een bekennende verklaring en DNA-sporen. De rechtbank achtte dit bewezen en veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 20 uur, mede gelet op zijn jeugdige leeftijd en persoonlijke omstandigheden. De officier van justitie had een gevangenisstraf van 24 maanden gevorderd, maar de rechtbank vond dit niet passend.

De benadeelde partij vorderde materiële schadevergoeding van €1.316,65, waarvan €250,- werd toegewezen voor de vernielde ruiten. De overige schadeposten, gerelateerd aan de brandstichting, werden afgewezen vanwege de vrijspraak op dat punt. Daarnaast werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De rechtbank wees de vordering deels toe en legde de straf en maatregelen conform de ernst van het bewezen verklaarde feit op.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van brandstichting en veroordeeld tot een taakstraf van 20 uur voor vernieling met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/295530-25
Datum uitspraak: 8 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 24 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Firet, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.M. Moes, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door de benadeelde partij [slachtoffer] naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich op 21 september 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1: opzettelijke brandstichting met gevaar voor goederen, levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel in een woning;
feit 2: het vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken en/of wegmaken van (de ruiten) in de portiekdeur van dezelfde woning.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Met betrekking tot feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat op de beelden te zien is dat een jongen met een opvallend wit detail op zijn linkerschoen, zwarte kleding en een helm de brand sticht in de woning. Ditzelfde signalement is eveneens zichtbaar op de beelden van de vernieling van de ruit van de portiekdeur, hetgeen verdachte bekent. De officier van justitie acht het onaannemelijk dat binnen een dergelijk kort tijdsbestek na het plegen van de vernieling een ander persoon, met een gelijkluidend signalement, de brand zou hebben gesticht bij dezelfde woning.
Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en er een DNA-profiel toebehorend aan verdachte is aangetroffen op de magneet die achter de voordeur in de woning lag.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 verzoekt de verdediging primair om verdachte vrij te spreken, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs van zijn betrokkenheid. De enkele omstandigheid dat de kleding die verdachte op die dag droeg blijkens de camerabeelden lijkt overeen te komen met de kleding van de persoon die de brand stichtte, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.
Subsidiair verzoekt de verdediging om partiële vrijspraak, in die zin dat verdachte wordt vrijgesproken van het bestanddeel “levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel”, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een brand die naar haar aard en omstandigheden dit gevaar heeft opgeleverd.
Ten aanzien van feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, gelet op de bekennende verklaring van verdachte.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Ten aanzien van feit 1
Feiten en omstandigheden
Aangever [slachtoffer] heeft op 21 september 2025 aangifte gedaan van brandstichting aan zijn pand, gelegen aan de [adres 2] . Die ochtend, omstreeks 08:00 uur, ging het alarm af en zag aangever dat er sprake was van hevige rookontwikkeling. Nadat de brandweer was langs geweest, zag aangever dat de voordeur zwartgeblakerd was en dat de raampjes in de voordeur kapot waren.
Er zijn camerabeelden beschikbaar van dit incident. Hierop is volgens de verbalisant te zien dat een persoon met een zwarte helm met vizier, een zwarte jas met capuchon, een zwarte broek en zwarte schoenen, met alleen op de linker wreef een wit detail, de brand sticht.
Ongeveer een half uur eerder heeft tevens een vernieling plaatsgevonden van de ruiten van ditzelfde pand (feit 2). Ook van dit incident zijn camerabeelden beschikbaar. Hierop is volgens de verbalisant te zien dat een persoon met een licht getinte huidskleur, een zwarte helm met grijs/zilver vizier, een zwarte jas met capuchon, een zwarte broek en zwarte schoenen, waarbij de linkerschoen opvallende witte veters heeft, de ruiten van het pand vernielt en vervolgens wegrijdt op zijn scooter. Verdachte heeft zowel bij de politie als op de zitting bekend dat hij de persoon op deze beelden is en dat hij deze vernieling heeft gepleegd. Verdachte herkent zichzelf echter niet op de beelden van de brandstichting en ontkent het plegen daarvan.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft, gelet op de verklaring van verdachte, in een proces-verbaal van bevindingen een vergelijking gemaakt tussen de ‘stills’ van beide camerabeelden. Daarbij is geconcludeerd dat het signalement van de persoon op de beelden van de brandstichting gelijkend is op dat van de persoon op de beelden van de vernieling. De verbalisant schrijft dat opvallend is dat de witte veters op de linkerschoen van de persoon op de beelden van de vernieling overeenkomen met het witte gedeelte op de linkerwreef, waarschijnlijk ook veters, van de persoon op de beelden van de brandstichting.
Vrijspraak
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of kan worden vastgesteld dat de persoon die op de camerabeelden van de brandstichting te zien is dezelfde persoon is als degene die op de camerabeelden van de vernieling te zien is, nu verdachte heeft bekend die laatste persoon te zijn, maar expliciet ontkent te zijn betrokken bij de brandstichting.
De rechtbank stelt vast dat verdachte tijdens het plegen van de vernieling donkere schoenen droeg waarvan één schoen lichte veters had. De camerabeelden van de brandstichting zijn echter van zodanig matige kwaliteit en dusdanig onscherp dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of ook daar sprake is van dezelfde opvallende combinatie van schoenen, waarvan één met en één zonder lichte veters. Lichte veters, of iets wat daar op lijkt, aan één kant lijken zichtbaar, maar duidelijk zicht op de andere kant ontbreekt. Wat resteert is het beeld van een persoon met een weinig onderscheidend signalement. Er is immers uitsluitend zwarte kleding te zien, bestaande uit een zwarte helm met vizier, een zwarte jas, een zwarte broek en zwarte schoenen.
Hoewel dit signalement gelijkenis vertoont met het signalement van de persoon bij de eerdere vernieling, is de rechtbank van oordeel dat de waargenomen kenmerken onvoldoende specifiek, duidelijk en onderscheidend zijn om daarop een herkenning te kunnen baseren. Gelet hierop, in samenhang met het feit dat de camerabeelden het enige bewijsmiddel zijn dat verdachte met de tenlastegelegde brandstichting in verband zou kunnen brengen, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van dit feit.
3.3.2.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde vernieling.
De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de hierna genoemde bewijsmiddelen. Omdat verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
1.
De bekennende verklaring die verdachte op de terechtzitting van 24 april 2026 heeft afgelegd;
2.
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] met nummer PL1300-2025237631-6 van 21 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 3;
3.
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek woning van 22 september 2025 met nummer PL1300-2025237631-8 van 22 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina’s 25 tot en met 28.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat
verdachte:
op 21 september 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk de ruiten in de portiekdeur van de woning gelegen aan de [adres 3] , dat aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield.

5.Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden, met aftrek van het voorarrest.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het adolescentenstrafrecht toe te passen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in het kader van een conflict met een of meer sekswerkers schuldig gemaakt aan vernieling van de ruiten van de portiekdeur van een woning. Daarmee heeft verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor de goederen van een ander. Dergelijk handelen kan bovendien bij de bewoners en andere omwonenden gevoelens van onveiligheid en onrust in hun woonomgeving veroorzaken. Het vernielen van de ruiten van de portiekdeur kan namelijk als bijzonder intimiderend worden ervaren. Verder vindt de rechtbank het zorgelijk dat verdachte in de context van een conflict zo makkelijk is overgegaan tot het plegen van deze vernieling.
De persoon van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële
Documentatie (het strafblad) van verdachte van 27 maart 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit en dat artikel 63 van Pro het Wetboek van
Strafrecht van toepassing is.
Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies betreffende verdachte van 15 januari 2026, waaruit volgt dat de reclassering een afdoening zonder gedragsaanwijzingen of bijzondere voorwaarden adviseert. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Ook heeft de rechtbank gezien dat op 7 april 2026 de opdracht voor het opstellen van een reclasseringsadvies retour is gezonden, nu verdachte tot tweemaal toe niet is verschenen op de gemaakte afspraken met de reclassering.
Adolescentenstrafrecht
Omdat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten al wel ouder was dan 18 jaar maar
nog niet de leeftijd van 23 jaar had bereikt, kan volgens de wet het adolescentenstrafrecht
(ASR) toegepast worden. Hierbij kan een straf uit het jeugdstrafrecht worden opgelegd,
indien daartoe aanleiding bestaat. De reclassering heeft in het advies van 15 januari 2026 ook geadviseerd om het adolescentenstrafrecht toe te passen, nu uit het wegingskader naar voren komt dat verdachte zich gemakkelijk (door leeftijdsgenoten) laat beïnvloeden, hij wat jonger overkomt dan zijn kalenderleeftijd en hij zijn gedrag matig lijkt te organiseren. De rechtbank ziet hiervoor echter te weinig steun. Gelet op het feit dat verdachte niet heeft willen meewerken aan een recent reclasseringsrapport en de houding van verdachte ter terechtzitting, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen. De rechtbank zal het advies van de reclassering niet overnemen en het volwassenstrafrecht toepassen.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft in het kader van de strafoplegging gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Een geldboete acht de rechtbank niet passend, gelet op het feit dat verdachte geen inkomsten heeft en schulden heeft. Het opleggen van een geldboete kan de schuldenpositie van verdachte verder verzwaren. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op voor de duur van twintig uren.

8.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een bedrag van € 1.316,65 aan vergoeding van materiële schade. Deze schade bestaat uit een bedrag van € 1.067,- voor de gemaakte kosten die zien op het annuleren van de [accommodatie verhuur ] -reserveringen bij de woning en een bedrag van € 249,65 dat ziet op de niet reeds vergoede schade voor het vervangen van de voordeur van de woning.
8.1.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de volledige vordering van de benadeelde partij voor toewijzing vatbaar is.
8.1.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering voor zover deze ziet op de posten met betrekking tot de kosten die zijn gemaakt voor het annuleren van de [accommodatie verhuur ] -reserveringen, omdat deze post onvoldoende is onderbouwd.
Ten aanzien van de kosten voor de nieuwe voordeur verzoekt de verdediging deze post te matigen indien de rechtbank tot vrijspraak voor feit 1 komt, omdat in dat geval niet kan worden vastgesteld dat de volledige schade door verdachte is veroorzaakt.
8.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De voordeur van de benadeelde partij is vernield. De kosten voor de vernielde ruiten stelt de rechtbank schattenderwijs vast op € 250,-. Dit bedrag komt overeen met de hoogte van het eigen risico, dat naar inschatting van de rechtbank ook zou zijn gedragen als alleen de ruiten waren vervangen (en niet de hele deur, zoals is geschied). De rechtbank acht de hoogte van dit bedrag dan ook redelijk.
De benadeelde partij zal in het overige deel van zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard omdat deze post verband houdt met feit 1, waarvoor verdachte zal worden vrijgesproken. Deze post betreft namelijk de volledige restituties aan klanten van de [accommodatie verhuur ] , in verband met het schoonmaken van de verblijven en het gevoel van onveiligheid dat bij klanten is ontstaan naar aanleiding van de brandstichting.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 21 september 2025. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal verder de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek
van Strafrecht opleggen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
20 (twintig) uren, met dien verstande dat voor iedere dag die in verzekering (en voorlopige hechtenis) is doorgebracht aftrek zal plaatsvinden naar de maatstaf van 2 uur per dag.
Wijst de vordering van
[slachtoffer]gedeeltelijk toe tot een bedrag van
€ 250,- (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2025. Voornoemd bestaat uit vergoeding van materiële schade. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan
[slachtoffer]voornoemd.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van
[slachtoffer]aan de Staat een bedrag
van
€ 250,- (tweehonderdvijftig euro)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voornoemd bestaat uit vergoeding van materiële schade. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
2 dagen.
De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. S.F. van Merwijk en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 mei 2026.
[…]