ECLI:NL:RBAMS:2026:5753

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
AMS 25/1652
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.8 WooArt. 5.1 WooArt. 5.2 WooArt. 22 WwftArt. 23 Wwft
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling openbaarmaking Woo-verzoek documenten Transactiemonitoring Nederland en toezichtvertrouwelijkheid

Eiseres heeft op grond van de Wet open overheid (Woo) een verzoek ingediend bij de Nederlandsche Bank (DNB) tot openbaarmaking van documenten over Transactiemonitoring Nederland (TMNL) en beleidsdocumenten over ongebruikelijke transacties en verdachte transactiemeldingen. DNB weigerde een deel van de documenten openbaar te maken omdat deze toezichtvertrouwelijke informatie zouden bevatten, waarop eiseres beroep instelde.

De rechtbank stelt vast dat DNB onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de documenten als toezichtvertrouwelijk zijn aangemerkt. Zonder inzage in de inhoud van de documenten kan de rechtbank niet toetsen of de geheimhoudingsplicht uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) van toepassing is. DNB weigerde inzage te geven, terwijl artikel 8:29 Awb Pro dit mogelijk maakt.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en draagt DNB op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af omdat de gemaakte kosten niet in aanmerking komen volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het griffierecht wordt aan eiseres vergoed.

De uitspraak benadrukt het belang van transparantie en zorgvuldige motivering bij het afwijzen van Woo-verzoeken met een beroep op toezichtvertrouwelijkheid, en bevestigt dat de rechter inzage moet kunnen krijgen om zijn controlerende taak te vervullen.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en DNB wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen over het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1652

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en

de Nederlandsche Bank N.V., DNB

(gemachtigden: mrs. J.W.M. Hagelaars en [gemachtigde 2] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de minister van Financiën (derde-partij).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afhandeling van het verzoek van eiseres op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van documenten over Transactiemonitoring Nederland (TMNL) en beleidsdocumenten die gaan over ongebruikelijke transacties en verdachte transactiemeldingen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij niet kan beoordelen of DNB informatie terecht heeft aangemerkt als toezichtvertrouwelijke informatie waarop de Woo niet van toepassing is. Eiseres krijgt deels gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Eiseres heeft op 7 april 2024 het Woo-verzoek ingediend. DNB heeft dit verzoek met het besluit van 17 juni 2024 (het primaire besluit) gedeeltelijk afgewezen. Met het besluit van 15 januari 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres heeft DNB het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en gedeeltelijk gehandhaafd.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Met een besluit van 30 juli 2025 (het wijzigingsbesluit) heeft DNB het bestreden besluit gewijzigd.
1.3.
DNB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door mr. T. Staal, en de gemachtigden van DNB, bijgestaan door [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
Het Woo-verzoek en de achtergrond daarvan
2. DNB is toezichthouder op banken ingevolge de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). De Wwft verplicht banken om ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme, cliëntenonderzoek te verrichten en ongebruikelijke transacties te melden. Banken mogen dit cliëntonderzoek op grond van artikel 10 van Pro de Wwft uitbesteden, voor zover dat cliëntonderzoek er niet op ziet om de bank in staat te stellen om ‘een voortdurende controle op de zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties uit te oefenen, teneinde te verzekeren dat deze overeenkomen met de kennis die de instelling heeft van de cliënt en diens risicoprofiel, met zo nodig een onderzoek naar de bron van de middelen die bij de zakelijke relatie of de transactie gebruikt worden.’ [1]
2.1.
TMNL is een gezamenlijk project van vijf banken om met geavanceerde technologieën toegepast op een gezamenlijke dataset witwasactiviteiten aan het licht te brengen. Deze activiteiten worden afgebouwd vanwege de Europese Anti-Money Laundering Regulation die in juli 2027 in werking treedt.
2.2.
Volgens eiseres was deze samenwerking binnen TMNL in strijd met artikel 10 van Pro de Wwft en heeft DNB deze situatie ten onrechte gedoogd. Zij heeft op 28 februari 2024 een handhavingsverzoek ingediend bij DNB vanwege overtreding van artikel 10 van Pro de Wwft door de vijf banken, die transactiemonitoring uitbesteden aan TMNL. Op 7 april 2024 heeft zij DNB in gebreke gesteld om een besluit te nemen en het Woo-verzoek gedaan. Het Woo-verzoek bestaat uit drie onderdelen waarbij eiseres – samengevat – heeft gevraagd om openbaarmaking van:
De beleidsmatige (‘dus niet toezichts-’) documenten die bij DNB aanwezig zijn waaruit blijkt dat sprake is van een gedoogafspraak rond artikel 10 van Pro de Wwft.
De documenten die zien op de feitelijke contacten tussen DNB-medewerkers en externe partijen betreffende TMNL en de voorgenomen bedrijfsvoering.
De beleidsmatige documenten tussen 1 mei 2022 en 30 maart 2024 met betrekking tot het beleidsvraagstuk van ongebruikelijke transacties en verdachte transactiemeldingen.
De bestreden besluitvorming
2.4.
DNB heeft vastgesteld dat 566 aangetroffen documenten in beginsel onder de reikwijdte van de Woo vallen. In totaal zijn 362 documenten aangemerkt als toezichtvertrouwelijk. De overige 204 documenten, waarvan een deel reeds openbaar is, zijn beoordeeld aan de Woo. Verder heeft DNB het verzoek van eiseres om een proceskostenvergoeding afgewezen, omdat niet was gebleken van juridische ondersteuning van eiseres door een professionele rechtshulpverlener.
2.5.
Met het wijzigingsbesluit heeft DNB nog één extra document aangetroffen, gedeeltelijk openbaar gemaakt en van één passage openbaarmaking geweigerd. [2]
Is de verzochte informatie toezichtvertrouwelijk?
3. In de kern betwist eiseres dat de genoemde 362 documenten toezichtvertrouwelijk zijn. Uit de aard van het Woo-verzoek vloeit volgens eiseres voort dat het zich richt op een beleidsvraagstuk met betrekking tot de activiteiten van TMNL. Op de zitting heeft eiseres ook aangegeven dat zij in het verzoek toezichtvertrouwelijke informatie heeft uitgesloten en dat zij met het verzoek ook niet naar dergelijke informatie op zoek is. Het is haar alleen te doen om documenten over het beleid van DNB om helder te krijgen hoe er volgens eiseres op grote schaal privacy schendingen hebben plaatsgevonden zonder ingrijpen van DNB als toezichthouder. Eiseres heeft op de zitting te kennen gegeven dat de rechtbank moet controleren of de 362 documenten toezichtvertrouwelijke informatie bevatten.
4. Om te kunnen beoordelen of de DNB het document ‘TMNL Impact Rapport’ en de overige door eiseres genoemde documenten terecht heeft aangemerkt als toezichtvertrouwelijk, heeft de rechtbank DNB verzocht de documenten die zij als toezichtvertrouwelijk heeft aangemerkt over te leggen met een beroep op artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat alleen de rechtbank daarvan kennis zal nemen.
DNB heeft dit echter geweigerd. Op grond van artikel 8.8 van de Woo vallen deze documenten volgens DNB buiten de reikwijdte van de Woo. Of om toezichtvertrouwelijke informatie is verzocht, ligt al besloten in het verzoek zelf en hoeft niet aan de hand van de specifieke documenten zelf beoordeeld te worden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft DNB verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 26 september 2023 over een Woo-verzoek over strafvorderlijke gegevens. [3] Overlegging van deze documenten is volgens DNB verder niet verenigbaar met de op haar rustende wettelijke geheimhoudingsplichten, die voortvloeien uit afdeling 1.5.1 van de Wet op het financieel toezicht, de Wwft en de Bankwet 1998. Die geheimhoudingsplicht geldt ook in bestuursrechtelijke procedures, behoudens de limitatief omschreven uitzonderingen die in die wet zijn opgenomen.
DNB heeft verwezen naar twee andere zaken over een Woo-verzoek aan DNB waarin volgens deze rechtbank toezichtvertrouwelijke stukken niet hoefden te worden overgelegd.
5. De rechtbank volgt dit standpunt van DNB echter niet. De rechtbank stelt allereerst vast dat, hoewel te voorzien is dat bij een zoekslag naar de met het Woo-verzoek van eiseres verzochte informatie ook toezichtvertrouwelijke informatie wordt aangetroffen, het verzoek breder is dan dergelijke informatie. Eiseres heeft toezichtvertrouwelijke informatie immers juist uitgesloten van haar verzoek. In dit geval is daarom niet al aan de hand van de aard van het verzoek af te leiden dat een bijzonder openbaarmakingsregime van toepassing is en dat daarmee de Woo niet op alle aangetroffen documenten van toepassing is. Tussen partijen is in geschil of de documenten als het ‘TMNL Impact Rapport’ en de overige door eiseres expliciet benoemde documenten die zien op het door DNB gevoerde beleid zijn geïnventariseerd en zo ja, terecht als toezichtvertrouwelijk zijn aangemerkt.
6. Of inderdaad sprake is van toezichtvertrouwelijke informatie dient de rechtbank te toetsen aan artikel 22 van Pro de Wwft en de criteria genoemd in het
Baumeister-arrest. [4] Op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wwft is DNB is verplicht tot geheimhouding van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die zij in het kader van haar taak als toezichthouder onder de Wwft heeft ontvangen. Uit het
Baumeister-arrest volgt dat sprake is van dergelijke vertrouwelijke informatie wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden dat de gegevens niet openbaar zijn en openbaarmaking daarvan afbreuk dreigt te doen aan de belangen van de natuurlijke of rechtspersoon die de gegevens verstrekt heeft, aan de belangen van derden of aan de goede werking van het systeem van toezicht.
7. Dat de 362 documenten toezichtvertrouwelijke informatie bevatten heeft DNB met de bestreden besluitvorming als volgt gemotiveerd. DNB houdt weliswaar geen toezicht op TMNL, maar wel op de daarbij betrokken banken. De toezichtinformatie met betrekking tot dit onderwerp heeft zij verkregen uit hoofde van haar toezichtstaken op grond van de Wwft. DNB is ook inzake TMNL gebonden aan de geheimhoudingsverplichtingen uit artikel 22 en Pro 23 van de Wwft. DNB heeft geconcludeerd dat informatie over TMNL dan wel uitbesteding van transactiemonitoring vertrouwelijke toezichtinformatie is; het betreft zowel instellingsspecifieke informatie als informatie over DNB’s toezichtmethoden en -strategieën. Openbaarmaking van informatie zou aanleiding kunnen geven tot ongegronde speculaties over de bedrijfsvoering van de onder toezicht staande instellingen. Daarnaast zou openbaarmaking afbreuk kunnen doen aan de goede werking van het systeem van toezicht. Organisaties kunnen daarop inspelen en zo misbruik maken van die informatie, zodat openbaarmaking ongewenst gedrag van instellingen in de hand kan werken. Uit de informatie zou verder afgeleid kunnen worden hoe DNB vorm geeft aan het voeren van haar toezichtbeleid en die informatie zou gebruikt kunnen worden om (te pogen) het toezicht van DNB te ontduiken. Verder zou openbaarmaking afbreuk kunnen doen aan het systeem van toezicht omdat de toezichtmethoden en -strategieën gebaseerd zijn op informatie afkomstig van instellingen. Instellingen zouden er niet meer van op aan kunnen dat de informatie die zij aan DNB als toezichthouder hebben verstrekt vertrouwelijk blijft.
8. DNB heeft onvoldoende gemotiveerd dat de informatie in de betrokken documenten als toezichtvertrouwelijk kan worden aangemerkt. Het enkele feit dat de informatie in de documenten door DNB als toezichtvertrouwelijk is aangemerkt en voorzien is van een kale motivering, is onvoldoende voor de rechtbank om te beoordelen of de informatie in de documenten daadwerkelijk onder artikel 22 van Pro de Wwft valt en of deze terecht als vertrouwelijk is aangemerkt zoals omschreven in het
Baumeister-arrest. Om vast te stellen of de classificatie die DNB geeft terecht is en of de informatie in de documenten valt onder de criteria van het Baumeister-arrest, moet de rechtbank de motivering kunnen toetsen aan de feitelijke inhoud van de documenten. Dit volgt ook uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waarin is overwogen dat een kale motivering bij een afwijzende beslissing op een verzoek om informatie veelal niet kan worden gegeven zonder zicht te bieden op de aard of de inhoud van de documenten. [5] De rechtbank is van oordeel dat deze rechtspraak ook relevant is voor de beoordeling van deze zaak, omdat als de rechtbank de inhoud en vertrouwelijkheid van de documenten niet kan beoordelen, zij ook niet kan beoordelen of het geheimhoudingsregime van de Wwft van toepassing is of de Woo. Daarbij merkt de rechtbank op dat in geschil is of de verzochte beleidsmatige documenten als toezichtvertrouwelijk kunnen worden aangemerkt. Hoewel de rechtbank benadrukt dat zij het belang van vertrouwelijkheid van toezichtinformatie onderschrijft en erkent dat vertrouwelijke informatie zowel door derden als door de toezichthouder zelf kan worden verzameld of gegenereerd – bijvoorbeeld in rapporten, analyses, gehanteerde toezichtmethoden, sanctierapporten of interne e-mails – dit niet betekent dat alle beleidsstukken of informatie in beleidsstukken automatisch als toezichtvertrouwelijk kan worden aangemerkt. De rechtbank moet het document inzien om te toetsen of er sprake is van toezichtvertrouwelijke informatie of dat de Woo van toepassing is. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit het Baumeister-arrest volgt dat informatie die mogelijkerwijs commerciële geheimen betreft, maar ten minste vijf jaar oud is, in beginsel niet langer actueel is en daarom niet meer als geheim kan worden beschouwd. Dit versterkt het oordeel van de rechtbank dat het noodzakelijk is om per document te toetsen of sprake is van toezichtvertrouwelijke informatie. De rechtbank ziet verder nergens een rechtsgrondslag die zou rechtvaardigen dat zij geen inzicht zou mogen hebben in mogelijke toezichtvertrouwelijke stukken. Hiervoor biedt artikel 8:29 van Pro de Awb voldoende waarborgen. Zonder de mogelijkheid tot inzage zou de rechtbank haar controlerende taak niet naar behoren kunnen vervullen. De beroepsgrond slaagt.
9. Nu eiseres haar beroep ter zitting heeft toegespitst op de weigering om de door DNB als toezichtvertrouwelijk geclassificeerde informatie openbaar te maken blijven de overige beroepsgronden onbesproken. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiseres wat betreft haar beroep op de zoekslag aanvoert dat er documenten ontbreken over de beleidsdiscussie over de meldsystematiek van ongebruikelijke en verdachte transacties. Nu de rechtbank geen zicht heeft op de aard of inhoud van deze documenten, kan zij ook niet beoordelen of het aannemelijk is dat er meer documenten moeten zijn, zoals eiseres stelt.
Heeft DNB op goede gronden in bezwaar geen proceskostenvergoeding toegekend?
10. Tot slot voert eiseres aan dat DNB in het bestreden besluit haar ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend, terwijl eiseres tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft aangegeven te zijn geadviseerd door een advocaat.
11. De rechtbank is van oordeel dat DNB eiseres op goede gronden geen proceskostenvergoeding heeft toegekend, omdat de door eiseres gemaakte kosten daarvoor niet in aanmerking komen. De kosten van advies door een rechtsbijstandverlener komen namelijk niet in aanmerking voor vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Bpb). [6] Voor een op eigen naam ingediend beroepschrift kan geen vergoeding worden toegekend, ook al zou dit beroepschrift door of met behulp van een beroepsmatige rechtsbijstandverlener zijn opgesteld. Artikel 2, eerste lid, van het Bpb biedt niet de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor andere werkzaamheden dan de in de bijlage van het Bpb opgesomde proceshandelingen. De kosten van rechtsbijstand, bestaande uit het geven van advies of het bijstaan bij het opstellen van processtukken die door de betrokkenen zelf, op eigen naam, worden ingediend, kunnen derhalve niet worden vergoed op grond van de genoemde bepaling.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de openbaarmaking van de aangetroffen documenten te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan DNB op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat DNB tijdens de zitting heeft verklaard dat voor haar sprake is van een principiële kwestie die zij mogelijk in hoger beroep aan de Afdeling wil voorleggen.
12.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat DNB een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft DNB hiervoor een termijn van zes weken.
12.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet DNB het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 15 januari 2025;
- draagt DNB op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat DNB het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, voorzitter, en mr. L.Z. Achouak el Idrissi en mr. M.C. Werner, leden, in aanwezigheid van mr. N. Galjee-Melehi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet open overheid (Woo)
Artikel 5.1 van de Woo
1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: (…)
c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld (…).
2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: (…)
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens; (…)
i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
Artikel 5.2 van de Woo
1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.
2. Het bestuursorgaan kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt (…).
Artikel 8.8 van de Woo
De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 zijn niet van toepassing op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij deze wet.
Bijlage bij de Woo:
De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 van de Wet open overheid zijn niet van toepassing voor zover de volgende bepalingen gelden: (…)
- Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme: de artikelen 22 en 23.
Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)
Artikel 22 van Pro de Wwft bepaalt:
1.Het is een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervuld verboden van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen, die ingevolge deze wet dan wel ingevolge titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn verstrekt of ontvangen, of van een buitenlandse toezichthoudende instantie zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
2.In afwijking van het eerste lid, kan de toezichthoudende autoriteit met gebruikmaking van de in het eerste lid bedoelde informatie mededelingen doen, indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke personen.
3. Het eerste en tweede lid laten ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 23 van Pro de Wwft bepaalt:
1. Een instelling en de personen die werkzaam zijn voor een instelling zijn, behoudens voor zover uit deze wet de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit, verplicht tot geheimhouding jegens een ieder van:
a. een melding ingevolge artikel 16 door Pro die instelling;
b. nadere inlichtingen verstrekt ingevolge artikel 17 door Pro die instelling;
c. het gegeven dat een melding of verstrekking aanleiding heeft gegeven tot een onderzoek naar witwassen van geld of financieren van terrorisme of dat het voornemen bestaat een dergelijk onderzoek te verrichten;
d. overleg over de naleving van artikel 16 met Pro betrekking tot een transactie (…)
Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)
Artikel 1 van Pro het Bpb:
Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk Pro een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:
a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
b. kosten van een getuige of deskundige die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,
c. kosten van een tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen,
d. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende,
e. verletkosten van een partij of een belanghebbende,
f. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en
g. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is
Artikel 2, eerste lid, van het Bpb:
1. Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:
a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a: overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief;
b. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel b: op de vergoeding die ingevolge artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is verschuldigd; indien de kosten zijn gemaakt in bezwaar of administratief beroep wordt deze vergoeding vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken;
c. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c: overeenkomstig een tarief dat € 49 [Red: per 1 januari 2026: € 55] per uur en € 1 per gereisde kilometer bedraagt;
d. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel d: overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003;
e. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel e: overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 9 en € 98 [Red: per 1 januari 2026: € 109] per uur bedraagt;
f. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel f: op de werkelijke kosten,
g. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel g: met overeenkomstige toepassing van het in de bijlage opgenomen tarief, met dien verstande dat slechts de helft van het aantal uit de bijlage voortvloeiende punten wordt toegekend.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 10 in Pro combinatie met artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft.
2.DNB heeft daaraan artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo ten grondslag gelegd.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:464.
5.Uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF2889.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4662, r.o. 10).