Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5777

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
C/13/773325
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:96 lid 2 sub c BWArt. 6:119 BWArt. 6:22 BWArt. 2:9 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gynaecoloog en zelfstandig behandelcentrum: opzegging overeenkomst en relatiebeding nietig

De rechtbank Amsterdam behandelde een geschil tussen een gynaecologenpraktijk en een zelfstandig behandelcentrum (ZBC) over de beëindiging van een overeenkomst van opdracht en de gevolgen daarvan.

De gynaecoloog had zijn overeenkomst met de praktijk rechtsgeldig opgezegd, maar schond het relatiebeding door rechtstreeks met het ZBC te contracteren. Dit relatiebeding werd echter nietig verklaard op grond van artikel 9a van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). Het ZBC had de overeenkomst met de praktijk opgezegd zonder de contractuele opzegtermijn van drie maanden in acht te nemen, waardoor het ZBC toerekenbaar tekortschiet en schadevergoeding moet betalen.

De rechtbank wees de vorderingen tegen de gynaecoloog af, oordeelde dat er geen sprake was van schending van het geheimhoudingsbeding, en verwierp de bestuurdersaansprakelijkheid van de statutair bestuurder van het ZBC. De omvang van de schadevergoeding wordt vastgesteld in een schadestaatprocedure. Daarnaast werden proceskostenveroordelingen uitgesproken ten gunste van de verschillende partijen.

Uitkomst: De overeenkomst tussen Acibadem en de gynaecologenpraktijk is onregelmatig per direct beëindigd, waardoor Acibadem schadevergoeding moet betalen; het relatiebeding is nietig en contractuele boetes worden niet toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/773325 / HA ZA 25-1335
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.F.W.A. Hamm,
tegen

1.ACIBADEM INTERNATIONAL MEDICAL CENTER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. P.A.L. de Jong,
gedaagde partijen in conventie,
hierna te noemen: Acibadem c.s. (afzonderlijk: Acibadem en [gedaagde 2] ),

3.[gedaagde 3] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.J. Blommaert,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde 3] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 17 en 21 juli 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties van Acibadem c.s.,
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties (vervangend processtuk) van [gedaagde 3] ,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties (vervangend processtuk),
- het tussenvonnis van 28 januari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 april 2026, en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is een gynaecologenpraktijk. De indirect statutair bestuurder is mevrouw
[naam 1] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] is gynaecoloog en ook voor 85% aandeelhouder van [eiser] .
2.2.
Acibadem is een zelfstandig behandelcentrum (ZBC), een commerciële medisch-specialistische instelling die onder meer gynaecologische zorg verleent. [gedaagde 2] en de heer [naam 2] zijn de statutair bestuurders van Acibadem.
2.3.
[gedaagde 3] is gynaecoloog.
2.4.
[eiser] verleende sinds augustus 2020 exclusief de gynaecologische zorg voor patiënten van Acibadem in [plaats] tegen betaling door Acibadem. Op 1 november 2022 hebben [eiser] en Acibadem een (nieuwe) overeenkomst van opdracht gesloten (hierna: de Acibadem-overeenkomst). In deze overeenkomst zijn onder andere de volgende afspraken gemaakt:
  • [eiser] ontvangt per saldo een vergoeding van 25% van de netto-omzet van Acibadem (artikel 4.1 en 4.2),
  • de contractduur is vanaf 1 november 2022 één jaar, met stilzwijgende verlenging van telkens één jaar als niet tussentijds wordt opgezegd (artikel 11.1),
  • iedere partij kan de overeenkomst opzeggen tegen het einde van de lopende contractperiode. Dit moet met een aangetekende brief en met een opzegtermijn van drie maanden, tenzij sprake is van een andere situatie zoals genoemd in de overeenkomst (artikel 11.2),
  • Acibadem kan de overeenkomst opzeggen (artikel 13.1):
o als [eiser] ondanks waarschuwing ernstig in verzuim blijft om de overeenkomst na te komen (sub a),
o op grond van overige of onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat redelijkerwijs niet van Acibadem kan worden verlangd om de overeenkomst in stand te houden (sub b),
  • Acibadem kan op grond van artikel 13 van Pro de overeenkomst opzeggen bij aangetekende brief met vermelding van de opzeggrond(en) en met een opzegtermijn van één maand, tenzij een dringende reden rechtvaardigt dat de overeenkomst eerder of onmiddellijk wordt beëindigd (artikel 13.2),
  • Acibadem zal als dit redelijkerwijs mogelijk is, [eiser] horen voordat zij de overeenkomst beëindigt (artikel 13.3),
  • na beëindiging van de overeenkomst op grond van artikel 11.2 of 13.1 sub d mag [eiser] een OK-ruimte van Acibadem huren voor een periode van zes maanden om haar activiteiten vanuit een andere organisatie te kunnen voortzetten (artikel 14.6).
2.5.
[gedaagde 3] heeft met ingang van 1 juli 2021 op grond van een overeenkomst van opdracht als gynaecoloog gewerkt voor [eiser] (hierna: de [gedaagde 3] -overeenkomst). In de [gedaagde 3] -overeenkomst zijn onder andere de volgende afspraken gemaakt:
  • [gedaagde 3] zal de opdracht in overeenstemming met de toepasselijke (wettelijke) eisen uitvoeren en zal de verplichtingen van [eiser] jegens Acibadem als eigen verplichting naleven (artikel 2.6),
  • [gedaagde 3] ontvangt een vergoeding van 18% van de netto-omzet van Acibadem betreffende door hem verrichte werkzaamheden (artikel 3.1),
  • [eiser] zal [gedaagde 3] betalen als Acibadem [eiser] voor diezelfde dienstverlening heeft betaald (artikel 3.3),
  • de samenwerking zal ieder jaar worden geëvalueerd op onder andere kwaliteit van de verrichte werkzaamheden, patiënttevredenheid en communicatie (artikel 4.1),
  • de contractduur is vanaf 1 juli 2021 één jaar, met stilzwijgende verlenging van telkens één jaar als niet tussentijds wordt opgezegd (artikel 5.1),
  • iedere partij kan de overeenkomst opzeggen met een opzegtermijn van drie maanden (artikel 5.2),
  • iedere partij mag de overeenkomst zonder opzegtermijn beëindigen als de Acibadem-overeenkomst om wat voor reden dan ook eindigt (artikel 5.3 sub a),
  • gedurende en voor een periode van één jaar na het einde van de [gedaagde 3] -overeenkomst, en zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [eiser] , mag [gedaagde 3] niet:
o Acibadem overhalen of proberen over te halen om de relatie met [eiser] te beëindigen of dit anderszins te bewerkstelligen of iets te doen waardoor die relatie nadelig zou kunnen worden beïnvloed (artikel 7.1 sub a),
o iets doen waardoor de praktijkvoering van [eiser] nadelig beïnvloed wordt of zou kunnen worden, waaronder direct contracteren met Acibadem zonder tussenkomst van [eiser] (artikel 7.1 sub b),
anders is hij een boete verschuldigd van € 5.000 per overtreding en daarnaast € 500 per dag dat de overtreding voortduurt (artikel 7.1, hierna ook: het relatiebeding),
- [gedaagde 3] mag gedurende en na het einde van de [gedaagde 3] -overeenkomst geen vertrouwelijke informatie delen met derden, anders is hij een boete verschuldigd van € 5.000 per overtreding en daarnaast € 500 per dag dat de overtreding voortduurt (artikel 9.1, hierna ook: het geheimhoudingsbeding).
2.6.
[eiser] had op basis van soortgelijke overeenkomsten van opdracht twee andere gynaecologen voor haar werken bij Acibadem: mevrouw [naam 3] ( [naam 3] ) en mevrouw [naam 4] (hierna: [naam 4] ). [naam 3] is ook voor 15% (indirect) aandeelhouder van [eiser] .
2.7.
[gedaagde 3] heeft sinds zijn aantreden bij [eiser] meerdere keren bij [eiser] aangegeven niet tevreden te zijn met zijn financiële vergoeding.
2.8.
In mei 2024 is [gedaagde 3] erachter gekomen welke vergoeding [eiser] van Acibadem ontving. Hierop heeft [gedaagde 3] aan [naam 1] laten weten een hogere vergoeding van [eiser] te willen ontvangen.
2.9.
Op 5 juni 2024 heeft [naam 1] aan [gedaagde 3] gemaild dat een gesprek met de heer [naam 5] (hierna: [naam 5] ), financieel directeur van Acibadem, altijd mogelijk is en dat hij op de hoogte is van wat de gynaecologen via [eiser] verdienen.
2.10.
Op dezelfde dag heeft [naam 1] [gedaagde 2] en [naam 5] gemaild dat zij binnenkort een gesprek heeft met [gedaagde 3] , waarover zij eerder al met [naam 5] heeft gesproken, en dat zij het belangrijk vindt dat [gedaagde 2] , [naam 5] en zij op dezelfde lijn zitten voor het beste resultaat.
2.11.
Op 10 juni 2024 heeft [gedaagde 3] aan [naam 1] gemaild dat hij een hogere financiële vergoeding wil en daartoe verschillende voorstellen gedaan. Daarbij heeft hij ook voorgesteld dat als [eiser] en hij niet tot een akkoord komen, ze afscheid van elkaar zullen nemen per 1 juli 2024.
2.12.
Op 15 juni 2024 heeft [gedaagde 3] aan [naam 1] gemaild dat zijn vrouw en kinderen hem hebben geadviseerd om per direct te stoppen met werken voor [eiser] .
2.13.
Op 16 juni 2024 heeft [gedaagde 3] aan [naam 1] gemaild dat hij nog steeds geen voorstel van [eiser] heeft ontvangen en dat hij de dag erna persoonlijk de leidinggevende medewerkers, managers en collega-specialisten zal informeren over zijn mogelijke vertrek vanwege een (naar het zich laat aanzien onoverbrugbaar) zakelijk geschil. [naam 1] heeft [gedaagde 3] dezelfde dag geappt dat ze zo snel mogelijk zal reageren op zijn berichten.
2.14.
Op 17 juni 2024 heeft [naam 1] [gedaagde 3] gemaild met het verzoek om een inhoudelijke reactie van [eiser] af te wachten voordat hij derden informeert.
2.15.
Op 18 juni 2024 heeft [naam 1] [gedaagde 3] per e-mail geantwoord, onder andere dat [eiser] niet akkoord gaat met een hogere vergoeding en dat zij zich afvraagt of verdere samenwerking überhaupt nog mogelijk is gelet op het vertrouwen dat ernstig is geschaad. Daarbij is vermeld dat een opzegtermijn van drie maanden is overeengekomen maar dat [eiser] zich onder protest zal neerleggen bij zijn gewenste vertrek per 1 juli 2024.
2.16.
Op 21 juni 2024 heeft [naam 1] aan [gedaagde 2] laten weten dat als [gedaagde 3] per 1 juli 2024 weggaat, [eiser] alles kan opvangen (met uitzondering van één OK-behandeling) zodat de continuïteit van de gynaecologische zorg bij Acibadem gewaarborgd is.
2.17.
Op dezelfde dag heeft [gedaagde 3] [naam 1] gemaild, met [gedaagde 2] in de cc. [gedaagde 3] heeft hierbij aangegeven dat hij de [gedaagde 3] -overeenkomst, met inachtneming van de opzegtermijn van drie maanden, opzegt per 1 oktober 2024 en dat niemand zich zorgen hoeft te maken over zijn verantwoordelijkheid inzake de (overdracht van) patiëntenzorg.
2.18.
Bij e-mail van 5 juli 2024 heeft [naam 5] namens Acibadem aan [naam 1] verzocht om het geschil met [gedaagde 3] uiterlijk 8 juli 2024 op te lossen.
2.19.
Op 8 juli 2024 heeft [gedaagde 3] aan [naam 1] gemaild (met [gedaagde 2] , [naam 5] , [naam 3] en [naam 4] in cc) dat hij definitief niet meer bereid is om te werken voor [eiser] , dat zijn overeenkomst al is opgezegd per 1 oktober 2024 en dat niemand zich zorgen hoeft te maken over de collegiale samenwerking inzake patiëntenzorg en de eventuele overdracht van patiënten.
2.20.
Een paar uur later heeft [naam 1] aan [gedaagde 3] gemaild dat [eiser] hem vanaf juli 2024 een vergoeding van 22% van de netto-omzet aanbiedt. [gedaagde 3] heeft dezelfde dag geantwoord dat het aanbod van [eiser] voor hem te weinig is en te laat komt en dat zijn besluit om bij [eiser] te vertrekken definitief is.
2.21.
Op 9 juli 2024 heeft [gedaagde 2] aan [eiser] gemaild dat Acibadem de Acibadem-overeenkomst per heden opzegt, omdat vanwege het geschil tussen [eiser] en [gedaagde 3] veel spanningen op de werkvloer zijn ontstaan, en de continuïteit van de patiëntenzorg in gevaar dreigt te komen. In reactie daarop heeft [eiser] bij e-mail van 10 juli 2024 aan Acibadem geschreven dat deze opzegging contractueel niet mogelijk is en inhoudelijk onterecht is. Zij heeft mediation voorgesteld en in de tussentijd een ‘
stand still’ om de normale gang van zaken voort te zetten.
2.22.
Bij brief van 13 juli 2024 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde 3] gesommeerd om zich te houden aan de in de [gedaagde 3] -overeenkomst afgesproken opzegtermijn van drie maanden, het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding. Ook is mediation voorgesteld, waarbij is aangegeven dat [gedaagde 3] gedurende het mediationtraject voorlopig voor Acibadem mag blijven werken. [eiser] heeft zich het recht voorbehouden om deze tijdelijke toestemming in te trekken als geen oplossing zou worden gevonden.
2.23.
Acibadem is op 15 juli 2024 overeenkomsten van opdracht aangegaan met [gedaagde 3] , [naam 3] en [naam 4] , waardoor deze gynaecologen per die datum zonder tussenkomst van [eiser] voor Acibadem zijn gaan werken. Acibadem heeft [naam 1] ook een dergelijke overeenkomst aangeboden, maar zij is hier niet op ingegaan.
2.24.
Acibadem heeft bij aangetekende brief van 24 juli 2024 aan [eiser] de Acibadem-overeenkomst nogmaals opgezegd, voor het geval de onder 2.21 genoemde opzegging niet geldig zou zijn. Acibadem heeft de overeenkomst nogmaals opgezegd, primair per direct op grond van een dringende reden zoals bedoeld in artikel 13.1 sub b, subsidiair met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van drie maanden tegen de contractuele einddatum van 1 november 2024.
2.25.
Op 1 augustus 2024 heeft [gedaagde 3] via een brief van zijn advocaat aan [eiser] de [gedaagde 3] -overeenkomst ten overvloede opgezegd op grond van artikel 5.3 sub a van die overeenkomst, vanwege de beëindiging van de Acibadem-overeenkomst.
2.26.
[gedaagde 3] heeft [eiser] twee facturen gestuurd voor verrichte werkzaamheden:
- een factuur van € 8.373,24 van 27 augustus 2024 betreffende de periode 1 tot 14 juli 2024,
- een factuur van € 7.392,06 van 23 september 2024 betreffende de periode augustus 2024.
[eiser] heeft deze facturen niet betaald.
2.27.
Tussen oktober 2024 en eind februari 2025 is er een mediationtraject geweest tussen [eiser] en Acibadem. Partijen zijn er niet uitgekomen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert, samengevat, dat de rechtbank:
  • Acibadem c.s. en [gedaagde 3] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding (op te maken bij staat) vermeerderd met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 9 juli 2024, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten,
  • [gedaagde 3] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van contractuele boetes wegens het schenden van het relatie- en geheimhoudingsbeding van twee maal € 180.000 tot 21 juli 2025 en daarna € 500 per dag dat de overtredingen voortduren, vermeerderd met wettelijke rente.
Daarnaast vordert [eiser] dat de rechtbank bepaalt dat Acibadem c.s. en [gedaagde 3] ook meteen aan het vonnis moeten voldoen als hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).
3.2.
[eiser] baseert haar vorderingen op de volgende stellingen. [gedaagde 3] en Acibadem zijn toerekenbaar tekortgeschoten tegenover [eiser] , want beide hebben hun overeenkomst met [eiser] beëindigd zonder een opzegtermijn in acht te nemen en zonder rekening te houden met haar belangen. [gedaagde 3] bleef zich onredelijk opstellen en heeft Acibadem tegen [eiser] opgezet. Acibadem heeft [eiser] niet gehoord voorafgaand aan de opzegging, haar de mogelijkheid ontnomen daarna een OK-ruimte te huren en geprofiteerd van de wanprestatie van [gedaagde 3] . Die opzeggingen zijn daarmee ongeldig en onrechtmatig. Ook is Acibadem ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [eiser] , omdat Acibadem zich de praktijk van [eiser] heeft toegeëigend door de gynaecologen van [eiser] rechtstreeks voor zich te laten werken. Door deze handelswijzen heeft [eiser] schade geleden, die [gedaagde 3] en Acibadem moeten vergoeden. Ook [gedaagde 2] is als bestuurder van Acibadem aansprakelijk. Daarnaast is [gedaagde 3] contractuele boetes verschuldigd, omdat hij zijn relatie- en geheimhoudingsbedingen heeft geschonden. Hij is namelijk zonder toestemming van [eiser] rechtstreeks gaan werken voor Acibadem en heeft vertrouwelijke informatie gedeeld met Acibadem.
3.3.
Acibadem c.s. is het niet eens met de vorderingen en licht dat als volgt toe. Acibadem heeft de overeenkomst met [eiser] rechtsgeldig en rechtmatig opgezegd. Acibadem had een dringende reden om per direct op te zeggen, omdat het geschil tussen [eiser] en [gedaagde 3] zorgde voor grote spanningen op de werkvloer. Acibadem kon zich niet permitteren dat [gedaagde 3] en eventueel andere gynaecologen zouden vertrekken, want dan zou de patiëntenzorg in het gedrang komen. Als de rechtbank dat standpunt niet volgt, geldt dat Acibadem de overeenkomst met [eiser] heeft opgezegd met inachtneming van de opzegtermijn van drie maanden tegen de contractuele einddatum van 1 november 2024. Uit het gedrag van [eiser] volgt dat zij berustte in de opzegging van de Acibadem-overeenkomst. Acibadem heeft rekening gehouden met de belangen van [eiser] , want Acibadem heeft [naam 1] aangeboden om voor Acibadem werkzaam te blijven op dezelfde voorwaarden als de andere gynaecologen en [eiser] mocht gedurende zes maanden een OK-ruimte van Acibadem huren, zoals afgesproken in de overeenkomst. Daarnaast is Acibadem niet ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [eiser] . Ook betwist Acibadem de gestelde schade. Hoofdelijke veroordeling of verwijzing naar de schadestaatprocedure is niet mogelijk, omdat [eiser] verschillende soorten schade vordert en geen begin van bewijs van enige schade heeft geleverd. [gedaagde 2] is als bestuurder van Acibadem niet persoonlijk aansprakelijk, want de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid is niet gehaald.
3.4.
[gedaagde 3] is het niet eens met de vorderingen en licht dat als volgt toe. De [gedaagde 3] -overeenkomst is rechtsgeldig en rechtmatig opgezegd, waardoor [gedaagde 3] niet aansprakelijk is voor de gestelde schade. Op 18 juni 2024 heeft [eiser] die overeenkomst zelf opgezegd. In reactie daarop heeft [gedaagde 3] op 22 juni 2024 opgezegd per 1 oktober 2024, rekening houdend met een opzegtermijn van drie maanden. Op 1 augustus 2024 heeft [gedaagde 3] de overeenkomst per direct opgezegd op grond van artikel 5.3 sub a van de [gedaagde 3] -overeenkomst, omdat de Acibadem-overeenkomst toen al was beëindigd. Het stond [gedaagde 3] vrij om de samenwerking met [eiser] te beëindigen. Ook is er geen oorzakelijk verband tussen de opzegging van [gedaagde 3] en die van Acibadem. Daarnaast is [gedaagde 3] geen contractuele boetes verschuldigd, althans moeten die boetes worden gematigd. Tot slot voert [gedaagde 3] aan dat het relatiebeding nietig is op grond van artikel 9a Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi).
in reconventie
3.5.
[gedaagde 3] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde 3] van € 15.765,30 vermeerderd met de wettelijke (handels)rente en de proceskosten.
3.6.
[gedaagde 3] stelt dat [eiser] de onbetaalde facturen betreffende zijn werkzaamheden in juli en augustus 2024 moet betalen.
3.7.
[eiser] betwist dat zij de facturen moet betalen. Primair beroept zij zich op artikel 3.3 van de [gedaagde 3] -overeenkomst: [eiser] hoeft pas te betalen als Acibadem haar daarvoor heeft betaald. Dat is niet gebeurd. Subsidiair beroept [eiser] zich op verrekening en opschorting, omdat zij een grotere vordering heeft op [gedaagde 3] .

4.De beoordeling

in conventie
[gedaagde 3] -overeenkomst per 1 augustus 2024 rechtsgeldig opgezegd, geen contractuele boete
4.1.
[gedaagde 3] heeft zijn overeenkomst met [eiser] op 21 juni 2024 opgezegd per 1 oktober 2024, rekening houdend met een opzegtermijn van drie maanden (zie 2.17). Dat mocht hij doen op grond van artikel 5.2 van de overeenkomst (zie 2.5). [gedaagde 3] en [naam 1] hebben een aantal dagen daarvoor met elkaar gemaild over een mogelijk vertrek van [gedaagde 3] per 1 juli 2024 (zie 2.11 en 2.15), maar daarin valt geen opzegging te lezen. Het voorstel van [gedaagde 3] van 10 juni 2024 om per 1 juli 2024 afscheid van elkaar te nemen (zie 2.11) is nooit door [eiser] geaccepteerd. Vervolgens heeft [gedaagde 3] op 1 augustus 2024, tijdens de lopende opzegtermijn tot oktober 2024, de [gedaagde 3] -overeenkomst per direct opgezegd op grond van artikel 5.3 sub a van de overeenkomst. Ook dat mocht hij doen, want zoals hierna zal blijken (zie 4.10) was de Acibadem-overeenkomst toen al geëindigd. Dit betekent dat de [gedaagde 3] -overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd per 1 augustus 2024.
4.2.
[gedaagde 3] is vanaf 15 juli 2024 rechtstreeks voor Acibadem gaan werken op grond van een overeenkomst van opdracht (zie 2.23). Hiermee heeft [gedaagde 3] het relatiebeding van artikel 7.1 sub b van de [gedaagde 3] -overeenkomst geschonden, want hij heeft gedurende de [gedaagde 3] -overeenkomst zonder tussenkomst van [eiser] gecontracteerd met Acibadem. Anders dan [gedaagde 3] stelt, kan in de brief van de advocaat van [eiser] van 13 juli 2024 (zie 2.22) geen voorafgaande schriftelijke toestemming worden gelezen om zelfstandig te contracteren met Acibadem. Voor zover daarin al toestemming wordt verleend om voorlopig voor Acibadem te blijven werken, gold dit alleen tijdens een mediationtraject, terwijl volgens de eigen stellingen van [gedaagde 3] geen mediation tussen hem en [eiser] heeft plaatsgevonden. Toch hoeft [gedaagde 3] geen contractuele boete te betalen, omdat het relatiebeding op grond van artikel 9a Waadi nietig is. De rechtbank legt uit waarom.
4.3.
In artikel 9a lid 1 Waadi staat dat degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt, niet mag belemmeren dat na afloop daarvan een arbeidsovereenkomst tot stand komt tussen de ter beschikking gestelde arbeidskracht en degene aan wie hij ter beschikking is gesteld. Artikel 9a lid 2 Waadi bepaalt dat elk beding in strijd met het eerste lid nietig is. Ook een zzp’er kan zich beroepen op het belemmeringsverbod van artikel 9a Waadi. Dit wetsartikel moet namelijk op dezelfde manier worden uitgelegd als artikel 6 lid 2 van Pro de Uitzendrichtlijn [1] , en de Uitzendrichtlijn is niet alleen van toepassing op werknemers met een arbeidsovereenkomst, maar ook op arbeidskrachten die een ‘arbeidsverhouding’ hebben met een uitzendbureau. Een uitzendkracht in de zin van de Uitzendrichtlijn is iedere persoon die een werknemer is met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding met een uitzendbureau - wat inhoudt dat die persoon (i) arbeid verricht en dus gedurende een bepaalde tijd voor en onder leiding van het uitzendbureau prestaties levert en in ruil daarvoor van het uitzendbureau een vergoeding ontvangt en (ii) in de desbetreffende lidstaat wordt beschermd op grond van de arbeid die hij verricht - teneinde door het uitzendbureau ter beschikking te worden gesteld van een inlenende onderneming om daar onder toezicht en leiding van de inlenende onderneming tijdelijk werk te verrichten. [2]
4.4.
In de rechtsverhouding die tussen [eiser] en [gedaagde 3] heeft bestaan, wordt [gedaagde 3] aangemerkt als een door [eiser] ter beschikking gestelde arbeidskracht in de zin van artikel 9a Waadi. [eiser] wordt in dit concrete geval aangemerkt als uitzendbureau/intermediair, omdat volgens haar eigen stellingen haar bedrijfsvoering bestond uit het ter beschikking stellen van gynaecologen aan Acibadem en zij haar praktijk is verloren nadat Acibadem rechtstreeks met de desbetreffende gynaecologen had gecontracteerd. [gedaagde 3] heeft onbetwist onderbouwd dat hij werkte onder leiding van [eiser] : hij moest met [eiser] zijn werkzaamheden afstemmen en afspraken maken over zijn aan- of afwezigheid (zie artikel 2.5 van de [gedaagde 3] -overeenkomst), zich houden aan de verplichtingen van [eiser] uit de Acibadem-overeenkomst (zie artikel 2.6 van de [gedaagde 3] -overeenkomst) en werd per kwartaal door [eiser] geëvalueerd, waarbij onder meer werd gekeken naar gewerkte uren, kwaliteit, patiënttevredenheid en communicatie (artikel 4.1 van de [gedaagde 3] -overeenkomst).
Gelet op deze feitelijke omstandigheden verschilt de verhouding van [gedaagde 3] tot [eiser] naar het oordeel van de rechtbank niet wezenlijk van een werknemer.
Daarnaast heeft [gedaagde 3] , tegenover de kale betwisting door [eiser] , voldoende onderbouwd dat hij onder toezicht en leiding van Acibadem heeft gewerkt: [gedaagde 3] droeg bedrijfskleding van Acibadem, gebruikte het e-mailadres en faciliteiten van Acibadem, diende samen te werken met het personeel van Acibadem, moest bij zijn aantreden een instemmingsverklaring ondertekenen op grond waarvan hij zich moet houden aan de regels van Acibadem (betreffende zorgverlening, kwaliteit en veiligheid) en legde verantwoording af aan de directie van Acibadem.
4.5.
Daarnaast heeft [gedaagde 3] zijn geheimhoudingsbeding van artikel 9.1 van de [gedaagde 3] -overeenkomst niet geschonden. Het standpunt dat [eiser] hierover inneemt is gebaseerd op het feit dat [gedaagde 3] met Acibadem heeft gedeeld welke financiële vergoeding hij via [eiser] voor zijn werkzaamheden ontving. De hoogte van die vergoeding is echter geen vertrouwelijke informatie zoals gedefinieerd in de [gedaagde 3] -overeenkomst, omdat Acibadem hiermee al bekend was. Dat heeft [naam 1] zelf aan [gedaagde 3] gemaild (zie 2.9). Ook mocht [gedaagde 3] Acibadem informeren over zijn onvrede over die vergoeding, want dit kwalificeert op grond van de [gedaagde 3] -overeenkomst evenmin als vertrouwelijke informatie. Bovendien heeft [naam 1] begin juni 2024 [gedaagde 2] en [naam 5] zelf geïnformeerd over de kwestie met [gedaagde 3] (zie 2.10).
4.6.
De vorderingen tegen [gedaagde 3] worden dan ook afgewezen.
proceskosten in de zaak van [eiser] tegen [gedaagde 3]
4.7.
[eiser] is in de zaak tegen [gedaagde 3] in het ongelijk gesteld, zodat [eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde 3] . Deze proceskosten worden begroot op:
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
5.770,00
(2 punten x € 2.885,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal
8.682,00
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals onder de beslissing vermeld.
Acibadem: overeenkomst geëindigd per 9 juli 2024, schadevergoeding tot 1 november 2024
4.9.
Acibadem heeft haar overeenkomst met [eiser] op 9 juli 2024 met onmiddellijke ingang opgezegd (zie 2.21). Acibadem mocht opzeggen, want daarin voorziet de Acibadem-overeenkomst (zie 2.4), maar Acibadem mocht dat niet per direct doen. Acibadem had op grond van artikel 11.2 van de Acibadem-overeenkomst een opzegtermijn van drie maanden in acht moeten nemen. Een (dringende) reden zoals bedoeld in artikel 13.1 sub a of sub b was er namelijk niet. De continuïteit van de patiëntenzorg was met het dreigende vertrek van [gedaagde 3] niet in het gedrang, zoals Acibadem aanvoert. Weliswaar heeft [gedaagde 3] begin juli 2024 aangegeven te zullen opstappen, maar hij heeft hierbij ook aangegeven dat zijn vertrek per oktober 2024 zou zijn en dat niemand zich zorgen hoefde te maken over de overdracht (zie 2.17 en 2.19). Daarnaast is niet gebleken dat de andere gynaecologen op dat moment overwogen om ook te vetrekken. Zelfs als de andere gynaecologen ook hun overeenkomsten met [eiser] zouden hebben opgezegd, maakt dat het voorgaande niet anders, omdat ook zij gebonden waren aan een opzegtermijn van drie maanden (zie 2.6). Bovendien had [eiser] Acibadem ervan verzekerd dat [eiser] bij vertrek van [gedaagde 3] zou zorgdragen voor continuïteit van de patiëntenzorg en dat zij al (een) eventuele vervanger(s) achter de hand had (zie 2.16). De omstandigheden waren dus niet zodanig dat van Acibadem redelijkerwijs niet kon worden verlangd om de overeenkomst (nog gedurende de reguliere contractuele opzegtermijn van drie maanden) in stand te houden.
4.10.
Ondanks dat Acibadem de overeenkomst met [eiser] heeft opgezegd zonder de voor haar geldende opzegtermijn in acht te nemen, is de Acibadem-overeenkomst geëindigd per datum opzegging: 9 juli 2024. Partijen hebben vanaf die datum ook feitelijk gehandeld alsof de overeenkomst per direct een einde heeft genomen. De advocaat van [eiser] heeft weliswaar verzocht de opzegging in te trekken, maar heeft Acibadem niet gesommeerd om de overeenkomst nog (gedurende de contractuele opzegtermijn van) drie maanden na te komen. Wel is aangekondigd dat in rechte schadevergoeding zal worden gevorderd. Acibadem is door het niet in acht nemen van de contractuele opzegtermijn toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Gevolg hiervan is dat Acibadem op grond van artikel 6:74 lid 1 BW Pro schadevergoeding moet betalen aan [eiser] . De omvang van de schadevergoeding is gelijk aan het verschil tussen de situatie die is ontstaan doordat Acibadem de Acibadem-overeenkomst onmiddellijk (per 9 juli 2024) heeft beëindigd en de situatie zoals die zou zijn geweest als Acibadem de juiste opzegtermijn van drie maanden in acht had genomen. Het gaat om de gederfde winst in de periode van 9 juli tot 1 november 2024 met betrekking tot [naam 3] en [naam 4] (en [naam 1] voor zover zij in die periode als gynaecoloog via [eiser] bij Acibadem zou hebben gewerkt), en met betrekking tot [gedaagde 3] in de periode van 9 juli tot 1 oktober 2024.
schadestaatprocedure
4.11.
[eiser] heeft voldoende onderbouwd dat haar schade als gevolg van de onregelmatige opzegging van Acibadem zich op dit moment niet definitief laat begroten. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure is voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Aan dit vereiste is voldaan. Acibadem wordt dan ook veroordeeld tot betaling van de onder 4.10 bedoelde schade, op te maken bij staat.
4.12.
De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 9 juli 2024 zal als onbetwist worden toegewezen.
4.13.
Omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat Acibadem schadeplichtig is en de omvang van de schade van [eiser] (nog) niet kan worden vastgesteld, geeft de rechtbank partijen in overweging zelf tot een nadere afwikkeling van hun geschil te komen.
onderneming niet afgepakt, geen ongerechtvaardigde verrijking
4.14.
[eiser] stelt dat Acibadem haar onderneming (onrechtmatig) heeft afgepakt en daardoor ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van haar. De rechtbank gaat daar niet in mee. Acibadem mocht de Acibadem-overeenkomst opzeggen, want daarin voorziet de overeenkomst. Voor zover er een ongerechtvaardigde verrijking zou zijn doordat Acibadem haar opzegtermijn niet in acht heeft genomen, dan wordt de daardoor ontstane schade hersteld door de vervangende schadevergoeding waar [eiser] recht op heeft (zie 4.10 en 4.11).
buitengerechtelijke incassokosten
4.15.
[eiser] maakt op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro ook aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering is niet toewijsbaar, mede op grond van aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II en het Rapport BGK-Integraal. [eiser] vordert buitengerechtelijke kosten omdat zij stelt dat onder andere Acibadem niet is ingegaan op haar aansprakelijkheidsstellingen, en heeft in dat kader vijf brieven van haar advocaat overgelegd. Aangezien een procedure is gestart, worden de kosten die daarop betrekking hebben gezien als deel van de gebruikelijke kosten die zijn inbegrepen in de proceskostenveroordeling (artikel 237 Rv Pro).
geen bestuurdersaansprakelijkheid
4.16.
[eiser] stelt dat [gedaagde 2] als bestuurder van Acibadem persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden, omdat hij heeft gezorgd of toegelaten dat Acibadem haar verplichtingen uit de Acibadem-overeenkomst niet is nagekomen.
4.17.
Als een vennootschap een verbintenis niet nakomt of een onrechtmatige daad pleegt, is in beginsel alleen de vennootschap aansprakelijk. Onder bijzondere omstandigheden kan ook de bestuurder aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap gelden hogere eisen dan in het algemeen het geval is.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering, naast de aansprakelijkheid van de vennootschap grond kan zijn voor aansprakelijkheid van de bestuurder die heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap wanprestatie pleegt.
Daarvoor is vereist dat de bestuurder tegenover de schuldeiser een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, mede gezien zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening op grond van artikel 2:9 BW Pro. Van een dergelijk verwijt kan in ieder geval sprake zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat door hem de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de daardoor ontstane schade.
4.18.
De (hoge) drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid wordt niet gehaald, omdat [gedaagde 2] geen voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van de wanprestatie door Acibadem. Bovendien is niet gesteld (of gebleken) dat Acibadem geen verhaal zal bieden voor de (nader bij staat op te maken) schade. De vordering jegens [gedaagde 2] wordt dan ook afgewezen.
proceskosten in de zaak tussen [eiser] en Acibadem
4.19.
Acibadem is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. Aan de hand van de uitkomst van de procedure worden de proceskosten van [eiser] begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,97
- griffierecht
714,00
(passend bij vordering onbepaalde waarde)
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.332,97
proceskosten in de zaak tussen [eiser] en [gedaagde 2]
4.20.
[eiser] is in de zaak tegen [gedaagde 2] in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op nihil omdat [gedaagde 2] met dezelfde advocaat als Acibadem heeft geprocedeerd en niet is gebleken dat hij (naast de proceskosten die Acibadem heeft gemaakt) eigen proceskosten heeft gemaakt.
in reconventie
[eiser] hoeft facturen (nog) niet te betalen
4.21.
[gedaagde 3] stelt dat hij in juli en augustus 2024 werkzaamheden heeft verricht voor [eiser] en dat [eiser] hem daarvoor moet betalen. Primair betwist [eiser] te moeten betalen met een beroep op artikel 3.3 van de [gedaagde 3] -overeenkomst, waarin staat dat [eiser] [gedaagde 3] pas hoeft te betalen als Acibadem haar voor die dienstverlening heeft betaald. Volgens [eiser] is dat niet gebeurd. Subsidiair beroept [eiser] zich op verrekening of opschorting, omdat zij een hogere vordering op [gedaagde 3] zou hebben.
4.22.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 3] met ingang van 15 juli 2024 rechtstreeks een overeenkomst van opdracht is aangegaan met Acibadem (zie 2.23), zodat de rechtbank ervan uitgaat dat [gedaagde 3] voor zijn werkzaamheden in augustus 2024 rechtstreeks is betaald door Acibadem. De vordering betreffende de factuur van
€ 7.392,06 van 23 september 2024 wordt dus afgewezen.
Ten aanzien van de factuur van € 8.373,24 van 27 augustus 2024 betreffende de periode 1 tot 14 juli 2024 slaagt het beroep van [eiser] op artikel 3.3. van de [gedaagde 3] -overeenkomst. [eiser] hoeft [gedaagde 3] pas te betalen indien en voor zover Acibadem haar voor de betreffende dienstverlening heeft betaald. Er is dus sprake van een verbintenis onder opschortende voorwaarde (artikel 6:22 BW Pro). [gedaagde 3] heeft de stelplicht en bewijslast terzake de vervulling van de voorwaarde. [gedaagde 3] heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door [eiser] niet onderbouwd dat Acibadem daadwerkelijk heeft betaald voor de betreffende dienstverlening. De vordering in reconventie wordt afgewezen.
proceskosten in reconventie
4.23.
[gedaagde 3] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op € 653,00 (2 punten × € 653,00 aan salaris advocaat × 0,5 factor vanwege samenhang met de procedure in conventie).

5.De beslissing

in conventie
5.1.
veroordeelt Acibadem tot betaling aan [eiser] van schadevergoeding (zie 4.10), nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 9 juli 2024 tot de dag van betaling,
5.2.
veroordeelt Acibadem in de proceskosten van [eiser] van € 2.332,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Acibadem niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
wijst de vorderingen van [eiser] jegens [gedaagde 3] en [gedaagde 2] af,
5.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 3] van € 8.682,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel
6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 2] , tot op heden begroot op nihil,
5.7.
verklaart de veroordelingen in 5.1, 5.2, 5.4 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.9.
wijst de vordering van [gedaagde 3] af,
5.10.
veroordeelt [gedaagde 3] in de proceskosten van [eiser] van € 653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 3] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.11.
verklaart de proceskostenveroordeling in 5.10 uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M. James-Pater, rechter, bijgestaan door mr. R. Hafith en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Voetnoten

1.Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid.