Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5890

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
13.728103.18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 46a SrArt. 48 SrArt. 49 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging uitlokking ontvoering, medeplichtigheid cocaïne-invoer, deelname criminele organisatie en gewoontewitwassen

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor meerdere ernstige strafbare feiten. Hij werd schuldig bevonden aan poging tot uitlokking van ontvoering en afpersing van een slachtoffer, medeplichtigheid aan de invoer van 261 kilogram cocaïne, deelname aan een criminele organisatie met drugshandel als doel, en gewoontewitwassen.

Het bewijs bestond uit onderschepte PGP-berichten, verklaringen van medeverdachten en getuigen, en andere bewijsmiddelen. De rechtbank wees de verdediging af die stelde dat verdachte niet wist dat geweld zou worden gebruikt en dat hij slechts medeplichtig was. De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust zware criminelen inschakelde en dat hij wist dat geweld zou worden gebruikt bij de incasso-opdracht.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de omvang van de cocaïne-invoer, de deelname aan de criminele organisatie en het witwassen van grote geldbedragen via gokken. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vijf jaar werd de straf met twaalf maanden gematigd. Verdachte kreeg een gevangenisstraf van 8,5 jaar opgelegd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8,5 jaar gevangenisstraf voor poging uitlokking ontvoering, medeplichtigheid cocaïne-invoer, deelname criminele organisatie en gewoontewitwassen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.728103.18
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats]

1.Het onderzoek ter terechtzitting

In deze zaak zijn zittingen geweest op 29 november 2023 en 17 januari 2025. Daarna is het onderzoek opnieuw aangevangen op 30 januari 2026 en zijn zittingen geweest op: 2 februari 2026, 3 februari 2026, 6 februari 2026, 9 februari 2026, 10 februari 2026 en 16 februari 2026. Dit vonnis is op 11 juni 2026 op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie,
mrs. Z. Trokic en J. Plooij (hierna: officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsmannen mrs. W.J. Ausma en O.E. Maan (hierna: raadsman), naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
1. medeplegen van poging tot uitlokking van [medeverdachte 1] , [naam 1] en/of [medeverdachte 2] tot ontvoering en/of afpersing van [slachtoffer] in de periode van 31 januari 2015 tot en met 27 mei 2016;
2. primair:
medeplegen van opzettelijke invoer, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of aanwezig hebben van 261 kilogram cocaïne op 10 juni 2017;
subsidiair:
medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijke invoer/afleveren/verstrekken/vervoeren/aanwezig hebben van 261 kilogram cocaïne op 10 juni 2017;
3. deelname aan een criminele organisatie met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [naam 2] met drugshandel als oogmerk, in de periode van 1 februari 2015 tot en met 30 november 2015;
4. medeplegen van gewoonte(schuld)witwassen in de periode van 12 augustus 2013 tot en met 29 februari 2016.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Inleiding
Op 27 mei 2016 heeft er op de Klipperweg in Diemen een dodelijk schietincident plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] om het leven is gebracht. [slachtoffer] werd voor zijn woning in zijn auto doodgeschoten. Zijn negenjarig zoontje zat op dat moment bij hem in de auto. Na de moord is de schutter bij een tweede persoon achterop een scooter gesprongen en weggevlucht. Naar aanleiding van deze moord is het strafrechtelijk onderzoek Skipers I gestart.
Bij vonnis van 17 januari 2020 is door rechtbank Amsterdam vastgesteld dat [naam schutter] de schutter was. Hij is veroordeeld voor het medeplegen van moord tot 23 jaar gevangenisstraf. [naam schutter] is tegen dat vonnis in hoger beroep gegaan. Bij arrest van 17 mei 2023 is hij door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 jaar. Die veroordeling is inmiddels onherroepelijk.
Uit een ander strafrechtelijk onderzoek – 26Tandem – heeft de recherche zicht gekregen op ontsleutelde Ennetcom-berichten (hierna: PGP-berichten) van een gebruiker met het e-mailadres [e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] en [e-mailadres] -lijn). Nader onderzoek naar de berichten uit deze [e-mailadres] -lijn heeft ertoe geleid dat het vermoeden is ontstaan dat 93 berichten gaan over [slachtoffer] en er voorafgaand aan de liquidatie sprake was van een plan om [slachtoffer] te ontvoeren en/of af te persen. Naar aanleiding daarvan is onderhavig onderzoek Skipers II gestart, waarin verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] strafrechtelijk worden vervolgd voor betrokkenheid bij de moord dan wel het daaraan voorafgaande plan om [slachtoffer] te ontvoeren en/of af te persen.
Verdachte wordt niet verdacht van betrokkenheid bij de moord [slachtoffer] op 17 mei 2017. Hij wordt er van verdacht dat hij in de periode daarvoor samen met [medeverdachte 2] heeft geprobeerd om [medeverdachte 1] uit te lokken om [slachtoffer] te ontvoeren en/of af te persen (feit 1).
Het onderzoek naar de berichten uit de [e-mailadres] -lijn hebben ook geresulteerd in de verdenking dat verdachte, samen met [medeverdachte 1] , [naam 2] en [naam 3] en [naam 4] , op 10 juni 2017 261 kilogram cocaïne vanaf zee heeft ingevoerd. [medeverdachte 1] , [naam 3] en [naam 4] zijn hiervoor veroordeeld als medepleger. [naam 2] is door de rechtbank als medeplichtige aangemerkt. [medeverdachte 1] , [naam 2] en [medeverdachte 2] zijn ook veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie die drugshandel als oogmerk heeft.
Verdachte wordt er onder feit 2 van beschuldigd dat hij als medepleger dan wel als medeplichtige betrokken is geweest bij de invoer van 261 kilogram cocaïne op 10 juni 2017.
Ook wordt hij ervan verdacht samen met bovengenoemde personen een criminele organisatie te hebben gevormd die drugshandel tot doel had. Dit is aan verdachte tenlastegelegd onder feit 3.
Tot slot wordt verdachte ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan gewoontewitwassen van geldbedragen die hij als speelgeld heeft ingelegd in casino’s en speelhallen en van de ontvangen speelwinsten, waarvan hij vervolgens personenauto’s heeft gekocht (feit 4).
3.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd dat kan worden bewezen dat verdachte in de periode van januari 2015 tot en met eind mei 2016 heeft geprobeerd om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ertoe te bewegen om [slachtoffer] te ontvoeren en/of af te persen (feit 1). Verdachte wilde twee miljoen euro, die hij aan [slachtoffer] was verloren, terug en heeft daarvoor via [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] ingeschakeld. Uit de PGP-berichten blijkt dat de opdracht was om [slachtoffer] te ontvoeren (“
in een busje trekken”) en af te persen (“
drukken”). Verdachte heeft daarvoor € 250.000,- betaald. Omdat het nooit tot ontvoering en/of afpersing is gekomen, kan de mislukte uitlokking van deze misdrijven bewezen worden verklaard.
Ook kan worden bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de invoer van 261 kilogram cocaïne op 10 juni 2017 (feit 2) en dat hij deelnemer is geweest van een criminele organisatie die zich bezighield met drugshandel (feit 3). Verdachte investeerde in de drugstransporten en zorgde voor het uit zee opvissen van de cocaïne.
Tot slot kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen (feit 4). Verdachte besteedde aanzienlijke contante geldbedragen aan gokken, terwijl hij geen concrete en verifieerbare verklaring over de herkomst van die geldbedragen heeft gegeven. Uit het dossier blijkt bovendien dat verdachte vaker over grote contante geldbedragen beschikte, zoals de € 250.000,- die hij contant aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft betaald om zijn verloren geld bij [slachtoffer] terug te halen.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – samengevat – het volgende bepleit:
Feit 1
Van dit feit moet verdachte worden vrijgesproken. Niet kan worden bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om via [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] uit te lokken tot het ontvoeren en/of afpersen van [slachtoffer] . Verdachte is een groot geldbedrag aan [slachtoffer] verloren, waarbij het geld door [slachtoffer] achterover is gedrukt. Verdachte wilde dit geld terug en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] konden dat voor hem regelen. Hij ging ervan uit dat het met praten opgelost zou worden. In ieder geval zou duidelijk worden gemaakt dat [slachtoffer] het geld niet ‘zomaar’ in eigen zak kon steken. Voor de tijd en moeite van het terughalen van dat geld heeft hij een bedrag van € 250.000,- betaald en aan [medeverdachte 2] overhandigd. Verdachte heeft echter nooit een opdracht gegeven waar geweld of dreiging met geweld mee gepaard zou gaan. Het dossier bevat ook geen berichten die van verdachte afkomstig zijn en waarin wordt gesproken over een dergelijke opdracht. Alle berichten die daar wel over lijken te spreken zijn door anderen verstuurd. Niet alleen kan ‘vol opzet’ op de verweten gedragingen niet worden bewezen. Ook blijkt uit het dossier niet dat verdachte daarop ‘voorwaardelijk opzet’ heeft gehad. Hij is wellicht zeer onvoorzichtig geweest en had (achteraf) beter moeten weten, maar hij heeft nooit bewust de kans aanvaard dat er (dreiging met) geweld zou worden gebruikt bij het door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] terughalen van zijn geld.
Feit 2
Hoogstens de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan de invoer van 261 kilogram cocaïne kan bewezen worden verklaard. Verdachte heeft [naam 4] als bemanningslid geregeld en hem naar de viskotter gebracht. Daarom was hij op de kade op de dag dat de viskotter naar zee uitvoer. Zijn aanwezigheid op de kade de volgende dag, toen de viskotter weer de haven binnenvoer, had niets te maken met de invoer van de partij cocaïne. Hij was daar enkel ter bescherming van [naam 3] , die op dat moment door [medeverdachte 1] bedreigd zou worden. Daarmee is zijn rol niet van zodanig gewicht geweest dat kan worden gesteld dat hij een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het gronddelict heeft geleverd. Dat verdachte als medepleger aan deze invoer schuldig is, kan dan ook niet worden bewezen. Hij heeft hooguit met zijn gedragingen het door [medeverdachte 1] , [naam 3] en [naam 4] begane misdrijf bevordert en vergemakkelijkt. Dat hij wist wat er aan boord van de viskotter zou zijn, maakt dat niet anders.
Feit 3Ook van de hem verweten deelname aan een criminele organisatie moet verdachte ook worden vrijgesproken. De bewijsconstructie van het Openbaar Ministerie ziet uitsluitend op PGP-berichten die over verdachte gaan. Die PGP-berichten zijn echter niet door verdachte zelf gestuurd of ontvangen. Die berichten worden bovendien niet gesteund door andere bewijsmiddelen waaruit kan blijken dat verdachte in die periode onderdeel is geweest van een criminele organisatie dan wel dat hij zich toentertijd bezig heeft gehouden met drugstransporten. De berichten waarin hij door anderen wordt genoemd zijn bovendien weinig concreet. Daar komt bij dat het niet logisch is dat verdachte in dezelfde periode alleen via [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] zou communiceren over de incasso-opdracht met betrekking tot [slachtoffer] , maar tegelijkertijd ook samen met [medeverdachte 1] onderdeel is van een criminele organisatie en in dat samenwerkingsverband waar ook [medeverdachte 1] onderdeel van zou zijn bezig is met drugstransporten.
Feit 4
Voor het hier tenlastegelegde gewoontewitwassen refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.4.
Het oordeel van de rechtbank [1]
Naar het oordeel van de rechtbank kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot uitlokking van [medeverdachte 1] , [naam 1] en [medeverdachte 2] tot ontvoering en/of afpersing van [slachtoffer] (feit 1) en dat hij medeplichtig is geweest aan de invoer van 261 kilogram cocaïne (feit 2 subsidiair). Ook kan worden bewezen dat verdachte deelnemer is geweest van een criminele organisatie die zich bezighoudt met – kort gezegd – drugshandel (feit 3) en dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen (feit 4).
De rechtbank zal nader ingaan op wat zij bewezen acht in paragraaf 3.4.2.
Het Openbaar Ministerie baseert haar verdenking voor een groot deel op de inhoud van
PGP-berichten. De rechtbank zal aanvangen met een paar algemene opmerkingen over het gebruik van PGP-berichten als bewijsmiddel (paragraaf 3.4.1. onder A).
De rechtbank zal daarna de PGP-adressen en bijnamen bespreken die de rechtbank aan de (mede)verdachte toeschrijft en voor het bewijs gebruikt (paragraaf 3.4.1. onder B).
Voorts zal de rechtbank de vraag beantwoorden of zij de verklaring van de anonieme bedreigde getuige als bewijsmiddel zal gebruiken (paragraaf 3.4.1. onder C).
3.4.1.
PGP-communicatie en de anonieme bedreigde getuige
A. PGP-berichten als bewijsmiddel
Schriftelijke PGP-berichten hebben bewijstechnisch de status van ‘een ander geschrift’ als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Dit betekent dat de inhoud daarvan alleen als bewijs kan dienen als er ook ander bewijs is. Dat andere bewijs kan ook bestaan uit een ‘ander geschrift’ als bedoeld in artikel 344 lid 1 sub Pro 5 Sv. In dit dossier bestaat het bewijs niet uitsluitend uit op zichzelf staande PGP-berichten, maar is er sprake van berichtenwisselingen tussen minimaal twee gebruikers van PGP-telefoons. Voorts geldt dat de inhoud van de PGP-berichten is beschreven in ambtsedige processen-verbaal waarin ook andere omstandigheden zijn beschreven die aan het bewijs bijdragen. Aan de eis van artikel 344 lid 1 sub Pro 5 Sv is dan ook voldaan.
Met het gebruik van PGP-berichten voor het bewijs moet wel behoedzaam worden omgegaan. Het betreffen onderschepte berichten die niet zijn opgesteld om te dienen als bewijs in een strafproces. Er is niet altijd sprake van gebruikers die als getuige de vermeende inhoud van de berichten hebben bevestigd. In de berichten wordt verder soms versluierde taal gebruikt en het betreffen gesprekken die plaatsvinden in een context die voor de gebruikers van de berichten bekend is, maar lang niet altijd voor een buitenstaander. Ook beschikt de rechtbank niet over het volledige berichtenverkeer. Dit alles impliceert dat een interpretatie vereist is om iets over de betekenis van de berichten te zeggen. De rechtbank is zich van dit alles bewust. Om deze redenen is voorzichtigheid geboden. Aan de andere kant is voor de bewijswaarde relevant dat personen die de versleutelde berichtendienst gebruikten zich onbespied waanden. Ook dat neemt de rechtbank in aanmerking. De enkele mogelijkheid dat PGP-berichten ook ‘desinformatie’ kunnen bevatten, maakt niet dat de bewijswaarde beperkt of nihil is.
B. Geïdentificeerde bijnamen en PGP-adressen
Verdachte
Verdachte heeft op de zitting van 30 januari 2026 verklaard dat het klopt dat zijn bijnamen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ zijn. [2]
[medeverdachte 1]
heeft erkend dat hij de gebruiker is geweest van het PGP-adres [e-mailadres] .com (hierna: [e-mailadres] en [e-mailadres] -lijn). [3]
[medeverdachte 2]
[e-mailadres] ( [e-mailadres] )
Op 19 maart 2015, vraagt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) aan de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] ) "
om die BSN van iedereen". De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] stuurt vervolgens terug "
Mijne [nummer]"
.Uit onderzoek naar het BSN [nummer] , in de politiesystemen (GBA), blijkt bij het voornoemde BSN de volgende personalia te horen: [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .
[e-mailadres] ( [e-mailadres] )
Hierna volgt een e-mailwisseling tussen [medeverdachte 1] en de gebruiker van het e-mailadres
[e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] ) d.d. 10 maart 2015. Uit deze e-mailwisseling valt op te maken dat de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] gecontroleerd is met zijn Golf op de Rijksweg 47. Er wordt gesproken over
" [naam B.V.] "en de gebruiker van voornoemd e-mailadres denkt dat er een baken onder zijn "
Golf" zit en zegt dat er alleen maar vragen over "
[naam B.V.]" werden gesteld. Ook wordt er gesproken over een ontneming.
Vervolgens stuurt [medeverdachte 1] de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] op 19 maart 2015 te 11:48:48 uur, het volgende bericht: "
Bro ff die gegevens van die boete?”.
In de e-mailbox van [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) werd de volgende afbeelding aangetroffen: een kopie van een naheffingsaanslag geadresseerd aan [naam B.V.] Gemaksdiensten BV met betrekking tot een voertuig met het kenteken [kenteken] . Dit betreft het voertuig waarin [medeverdachte 2] werd staande gehouden zoals eerder omschreven.
[e-mailadres] ( [e-mailadres] )
Na de inbeslagname van de auto volgt een e-mailwisseling tussen [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) en de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] ). Tijdens deze e-mailwisseling wordt er gesproken over “
25.000 + 2.500 de kosten voor het wit maken”. [medeverdachte 1] zegt dat het bedrag wordt overgemaakt naar BOOM (lees: Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie). [medeverdachte 1] vraagt vervolgens
“op wie zijn naam die auto komt”.
De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] stuurt vervolgens onder ander het volgende bericht naar [medeverdachte 1] : "
Ovj zegt tegen byfus maakt niet uit waar vandaan als het maar namens [medeverdachte 2] betaald word".
[medeverdachte 1] zegt vervolgens onder andere het volgende: "
Zij betalen etc dus zij adviseren dat de auto op naam van hun bedrijf komt en er een constructie wordt verzonnen door hun dat regelen zij allemaal!".
Uit het voornoemde proces-verbaal van het Functioneel Parket te Amsterdam blijkt onder andere het volgende:
Op 8 september 2015 werd schriftelijk aan [medeverdachte 2] meegedeeld dat de Volkswagen Golf (waarop op
13 mei 2015 in het strafrechtelijk financieel onderzoek Higgins conservatoir beslag werd gelegd) aan hem teruggegeven zou worden als hij op grond van artikel 118a Sv een zekerheid zou betalen van
€ 25.000,-. Op 23 september 2015 ontving het Openbaar Ministerie vervolgens op haar rekening een bedrag van € 25.000,-. Het geld werd overgeboekt van ING rekening [nummer] op naam van [naam B.V.] met rekeninghouder [naam 5] , de feitelijk eigenaar/bestuurder. Uit de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat hij de jongere broer is van [naam 6] , de feitelijke bestuurder/directeur van [naam B.V.] . [4]
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 25 januari 2024 [naam 6] veroordeeld voor het, samen met [medeverdachte 2] , witwassen van € 33.480, waarmee de Volkswagen Golf met kenteken
[kenteken] in september 2014 is aangeschaft. Het Gerechtshof heeft vastgesteld dat [medeverdachte 2] de feitelijk rechthebbende van de Volkswagen Golf was. [5]
[naam 1]
[e-mailadres]( [e-mailadres] )
[e-mailadres](hierna: [e-mailadres] )
[e-mailadres](hierna: [e-mailadres] )
Binnen het onderzoek 26Tandem, het onderzoek naar de moordaanslag op [slachtoffer moordaanslag] , is vastgesteld dat het PGP-adres [e-mailadres] door [naam 1] werd gebruikt. Na onderzoek in de Ennetcomserver is gebleken dat dit PGP-adres door verschillende personen in de contactlijst van hun PGP-toestel is opgeslagen onder de namen ‘ [opgeslagen naam] ’ en ‘ [opgeslagen naam] ’. Binnen het onderzoek 26Tandem is gebleken dat [naam 1] zichzelf ‘ [opgeslagen naam] (i) noemt en dat hij door anderen ‘ [opgeslagen naam] wordt genoemd. Door Ennetcom-gebruikers zijn de volgende PGP-adressen opgeslagen onder de naam ‘ [opgeslagen naam] (i)’: [e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] ) en [e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] ). Door Ennetcom-gebruikers is het PGP-adres # [e-mailadres] ook onder de naam ‘ [opgeslagen naam] ’ opgeslagen. De PGP-adressen # [e-mailadres] en [e-mailadres] zijn ook door Ennetcom-gebruikers opgeslagen onder de naam ‘ [opgeslagen naam] ’.
Op 2 april 2015 stuurde [naam 1] met het e-mailadres # [e-mailadres] naar [medeverdachte 1] dat dit zijn nieuwe e-mailadres is. [naam 1] noemde zichzelf hierbij ‘ [opgeslagen naam] ’.
Op 16 november 2015 stuurt [e-mailadres] naar [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) dat hij gisteren vijf keer de verkeerde code had gedrukt. [e-mailadres] zegt tegen [medeverdachte 1] dat hij in Ierland zit en vraagt aan hem of hij een nieuw toestel wil brengen. Dat [e-mailadres] in Ierland zit mag [medeverdachte 1] tegen niemand zeggen. Uit het onderzoek 26Tandem is gebleken dat [naam 1] in ieder geval rond 5 november 2015 al in Dublin (Ierland) verbleef.
Op 1 oktober 2015 heeft de gebruiker van het PGP-adres beginnend met [e-mailadres] een foto met daarop de zus en moeder van [naam 1] naar [e-mailadres] gestuurd. De gebruiker van [e-mailadres] is geïdentificeerd als [naam vriendin] , de vrouw/vriendin van [naam 1] .
Ook het e-mailadres [e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] ) werd door meer gebruikers opgeslagen als [opgeslagen naam] (i), [opgeslagen naam] en [opgeslagen naam] .
Op 17 januarí 2015 stuurde [e-mailadres] een foto naar twee gebruikers van Ennetcom. Op de foto is een baby te zien met een roze strik en een rompertje waarop geschreven stond "l love papa". Op 17 januari 2015 is de dochter, [naam dochter] , van [naam vriendin] en [naam 1] geboren.
De adresboeken van de e-mailadressen [e-mailadres] , # [e-mailadres] en [e-mailadres] vertonen grote overeenkomsten met betrekking tot de Ennetcomcontacten die worden opgeslagen en de namen die worden toegekend aan deze contacten. Vijf Ennetcom-gebruikers hebben alle drie de e-mailadressen opgeslagen, waarbij de [e-mailadres] werd opgeslagen onder dezelfde naam als minstens één van de genoemde e-mailadressen van [naam 1] .
Tussenconclusie
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte zijn bijnaam ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ is.
Voorts kan worden vastgesteld dat de hierna genoemde personen de gebruikers zijn van de volgende PGP-adressen:
[medeverdachte 1] : [e-mailadres]
[medeverdachte 2] : [e-mailadres] , [e-mailadres] en : [e-mailadres]
[naam 1] : [e-mailadres] , [e-mailadres] en [e-mailadres]
Voor de leesbaarheid van dit vonnis zullen in het vervolg bij de weergave van
PGP-gesprekken de door de rechtbank aan die PGP-adressen gekoppelde personen worden ingelezen.
C. Anonieme bedreigde getuige
De rechtbank zal de verklaring van de anonieme bedreigde getuige niet voor het bewijs gebruiken. De rechtbank laat in het midden of de verklaring van de getuige in zijn algemeenheid als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Geconstateerd moet worden dat deze getuige vooral “van horen zeggen” verklaart, terwijl ook uit de zich in het dossier bevindende TCI-verstrekkingen is gebleken dat er veel door al dan niet direct betrokkenen over (de achtergronden van) de liquidatie is gesproken. De verklaring van de anonieme bedreigde getuige mist om deze reden voor de rechtbank voldoende overtuigingskracht.
3.4.2.
Bewijsoverwegingen
3.4.2.1. Bewezenverklaring feit 1: poging uitlokking van ontvoering en/of afpersing
De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot uitlokking van [medeverdachte 1] , [naam 1] en [medeverdachte 2] tot ontvoering c.q. afpersing van [slachtoffer] . De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verdachte heeft ter terechtzitting van 30 januari 2026 het volgende verklaard:
“Ik had een conflict met [slachtoffer] . Hij heeft mij voor 2 miljoen euro opgelicht. Ik heb aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] € 250.000,- betaald. Zij zouden regelen dat ik mijn geld terug zou krijgen. Ik wist dat het zware jongens uit de criminele wereld zijn. [6]
[medeverdachte 1] heeft op 11 februari 2025 als getuige in de zaak van verdachte verklaard dat verdachte een loopjongen van [medeverdachte 2] is en dat hij via [medeverdachte 2] van verdachte de opdracht heeft gekregen om [slachtoffer] te ontvoeren. [medeverdachte 2] heeft tegen hem gezegd dat verdachte daarvoor € 200.000,- aan hen zou betalen. Verdachte wilde zijn twee miljoen terugkrijgen door middel van ontvoeren, meenemen, gijzelen, onder druk zetten, aldus [medeverdachte 1] . Ook heeft [medeverdachte 1] verklaard dat in de PGP-berichten waarin over “
[slachtoffer]” en “
[slachtoffer]” wordt gesproken [slachtoffer] wordt bedoeld. [7]
Op
31 januari 2015stuurt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) naar [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) dat “
ze” klaar staan voor “
die [slachtoffer]”. Daarop stuurt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] : “
[slachtoffer] is van iemand anders die moet eerst even wat verdienen [slachtoffer] gaat in de zomer denk ik”.
De volgende dag zegt [medeverdachte 1] tegen [naam 1] ( [e-mailadres] ):
“Die [slachtoffer] werd mij gevraagd of er een mogelijkheid is ik heb gezegd is er dus nu moet die man buitje gaan pakken en dan komt ie! Is niet voor die man die ik ken is een loopjongen van hun die die buitje moet brengen hij moet ff werken en dan afff!”
[naam 1] antwoordt:
“Hhahaha afffff bro secend daan gekk !! Laat ie al vast buitje geven voor materiaal al vast dan zien we dat ie sereus is toch en kan niemand meer terug in eens. Maar kiefes ik hoor de mensen kwamen vragen voor me bij jou bro?”
Op
26 februari 2015vraagt [naam 1] ( [e-mailadres] ) aan [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) of hij nog wat heeft gehoord van die “
[slachtoffer] shit”. [medeverdachte 1] antwoordt:
“Ik heb die loopjongen opgefokt gezeg [slachtoffer] steelt de show met jou buit pik vond hij niet leuk!
Op
15 april 2015zijn er verscheidene berichten gestuurd tussen [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) en [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) waarin wordt gesproken over een kenteken ( [kenteken] ) van de auto van de baas van verdachte (“
[bijnaam 1]”) die een vriend van ‘
[slachtoffer] ’is. [medeverdachte 2] zegt tegen [medeverdachte 1] dat verdachte denkt dat die persoon (“
hij”) er ook mee te maken heeft. [8]
Op
27 mei 2015zegt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) tegen [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) onderweg te zijn naar “
onze vriend”omdat “
onze vriend”hem heeft geroepen. Om 14:00 uur zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] dat verdachte (“
[bijnaam 1]”) een probleem wordt.
“Zijn hele stamboom gaat opgevraagd worden financiële gegevens 1 foute eurocent en het wordt strafrechtelijk”. [9]
Op
9 juni 2015stuurt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] dat hij verdachte (
“ [bijnaam 1] ”) gesproken heeft en dat “
die [slachtoffer] ” gaat.” [10]
Op
27 juni 2015zegt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) tegen [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) dat zijn “
soldaat” om 11:30 uur op de [adres] moet zijn en:
“Die Porsche die we hadden nagetrokken voor [bijnaam 1] die is van [slachtoffer]!!!”
Daarop vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] hoe hij weet “
dat dat [slachtoffer] ze auto is”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt:
“Zit peilzender onder gekkk! Wij zitten al op hem!!!!”
Verdachte (“
[bijnaam 1]”) vraagt op
6 juli 2015om een update aan [medeverdachte 2] , waarna [medeverdachte 2] stuurt:
“Wat ik weet is dat hij in drie auto’s rijd die gti die bewuste audi en porsche. En daar zitten alle 3 bakens onder. Het laatste wat ik weet is dat ze moment afwachten juiste”. Vervolgens geeft verdachte zijn BSN-nummer nogmaals door. [medeverdachte 2] stuurt deze berichten door naar [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ).
Dezelfde dag stuurt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] :
"Oke bro bedankt ik geef door! Mij is gezegd blijf standby vanaf gisteren dus ik sta dag en nacht standby dat betekent we wachten op moment om hem van straat te plukken hij woont in Diemen samen met zijn vrouw als we hem daar weg kunnen trekken is vervelend is een kut woonwijk maar als het moet dan gaat het daar gebeuren. [11]
Op
21 juli 2015vraagt [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) aan [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) om naar Lelystad te komen, waar verdachte (“
[bijnaam 1]”) is. Ze spreken af bij de McDonalds. [12]
Op
22 augustus 2015zegt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) tegen [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ):
“Oke broer we gaan er werk van maken! Maak je niet druk komt goed! [slachtoffer] hebben we 3 keer de kans gehad om af te schieten maar [bijnaam 1] wilt hem laten meenemen kreeg 3 keer een mail nu zeggen nu zeggen we hebben hem in het vizier laten hem direct direct slapen!”
[medeverdachte 1] zegt ook: “
“Daarom is er geen actie nog geweest gekkk!”
[medeverdachte 2] antwoordt: “
Tsja makkelijke weg. Ik weet het nu ook niet. [bijnaam 1] heeft flink getikt. Je weet de afspraken rustig blijven en in laden”.
[medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) vraagt op
29 augustus 2015aan [naam 1] (# [e-mailadres] ) of er nog wat nieuws is omtrent “
[slachtoffer]”.
[naam 1] antwoordt:
“Jaa bro die gasten waren laatst ff geveegd mar ze gaan er nu weer op zitten!”. [13]
Op
3 september 2015stuurt [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) naar [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) een bericht door van verdachte (“
[bijnaam 1]”) die hen beiden even wil spreken. [14]
Op
16 september 2015vraagt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) aan [naam 1] (# [e-mailadres] ) om een “
update omtrent [slachtoffer]” om “
aan die loopjongen” te kunnen doorgeven.
[naam 1] antwoordt op de vraag van [medeverdachte 1] : “
Hij is al geplaatst alles pipas zijn er allen w8 op busje waar ze in kunnen w8en tot ie komt dan flammen [naam 7] is daar mee bezig”.
Daarop antwoordt [medeverdachte 1] :
“Okidoki bro dan zeg ik gewoon zijn er mee bezig! Top!”
Op
17 september 2015zegt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) tegen [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ):
“Bericht voor [bijnaam 1] ! Staan standby alleen nieuwe busje nodig die andere is te vaak gesignaleerd!”
Daarop antwoordt [medeverdachte 2] dat verdachte (“
[bijnaam 1]”) vanaf gisteren een week op zee zit.
[medeverdachte 1] antwoordt:
“Oke iniedergeval wij staan standby om in die bus te trekken! Heb je die foto ontvangen? Gasten wachten in een stash huis op groen licht en dan actie!
Bij dit bericht is een foto van een machinepistool gevoegd, met de toevoeging: “
Standby! Ook voor [bijnaam 1] dit bericht!”: [15]
Op
15 oktober 2015vraagt [naam 1] ( [e-mailadres] ) aan [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) te regelen dat er € 15.000 (“
15 kop”) wordt gestort naar advocatenkantoor. Hij zal het contant terugbetalen, en [medeverdachte 1] moet het geld maar afhalen “
van me buitje van [slachtoffer]”. [16]
Op
18 oktober 2015zegt [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) tegen [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) dat verdachte (“
[bijnaam 2]”) vroeg of hij [medeverdachte 1] nog even kon spreken en dat [medeverdachte 2] denkt dat het over “
[slachtoffer]” gaat. [17]
Tijdens een doorzoeking in de woning van de vader van [medeverdachte 2] op het [adres] is op 8 maart 2016 ongeveer € 460.000,- contant geld in beslag genomen. [18]
Overwegingen rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat verdachte [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 1] heeft uitgelokt om [slachtoffer] te ontvoeren en/of af te persen. Hij voelde zich door [slachtoffer] opgelicht en wilde zijn twee miljoen euro terug die [slachtoffer] van hem had afgenomen. Hij heeft [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 1] betaald om dat voor hem te regelen. Het verweer van verdachte dat hij niet wist dat zij die twee miljoen met geweld zouden terughalen en dat hij hen niet de opdracht heeft gegeven om [slachtoffer] te ontvoeren en/of af te persen, wordt als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] en PGP-berichten blijkt immers dat verdachte de opdracht had gegeven om [slachtoffer] ‘onder druk te zetten’. Verdachte was bovendien op de hoogte van de reputatie van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Hij wist dat het zware jongens uit de criminele wereld zijn. De rechtbank maakt hieruit op dat het niet anders kan dan dat verdachte wist bij wie hij zijn verzoek om zijn geld terug te halen heeft gedaan en dat daarbij geweld zou worden gebruikt. Onder die omstandigheid kan de opdracht om [slachtoffer] ‘onder druk te zetten’ niet anders worden uitgelegd dan door middel van (bedreiging met) geweld zijn geld terugbrengen.
Verdachte heeft met [medeverdachte 2] besproken dat hij voor de incasso-opdracht zou betalen. Verdachte heeft verklaard dat hij in dat kader € 250.000,- aan [medeverdachte 2] heeft gegeven. Dit wordt bevestigd in PGP-berichten waarin wordt gezegd dat “
het buitje van [slachtoffer] ”al betaald is. In de woning van de vader van [medeverdachte 2] is meer dan € 460.000,- aan contant geld aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat een deel hiervan het door verdachte betaalde geld voor de incasso-opdracht is.
Partiële vrijspraak
Verdachte heeft niet samen met anderen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 1] uitgelokt. Hij heeft dat alleen gedaan. Verdachte zal dan ook van het strafverzwarende medeplegen worden vrijgesproken.
[medeverdachte 2] heeft geïnformeerd naar de auto’s waarin [slachtoffer] reed en heeft het in een PGP-bericht gehad over het natrekken van een kenteken van één van de auto’s van [slachtoffer] . Op grond van het dossier kan evenwel niet worden vastgesteld dat daadwerkelijk een kenteken van één van de auto’s van [slachtoffer] is doorgegeven. Voor dat onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.
3.4.2.2. Bewezenverklaring feit 2: medeplichtigheid aan de invoer van 261 kilogram cocaïne
De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest aan de invoer van 261 kilogram cocaïne op 10 juni 2017. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 10 juni 2017 zijn in de haven van Harlingen in de machinekamer van de viskotter [nummer] tassen met daarin 261 kilogram cocaïne aangetroffen. [19]
[naam 3] is door rechtbank Amsterdam bij vonnis van 16 mei 2018 onherroepelijk veroordeeld voor medeplegen van de invoer van 261 kilogram cocaïne. [20] Ook [naam 4] is bij arrest van Gerechtshof Amsterdam van 19 februari 2020 als medepleger onherroepelijk veroordeeld. [21] De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden die door rechtbank Amsterdam in het vonnis in de zaak tegen [naam 3] zijn vastgesteld:
“In het onderzoek 26TandemII was op basis van Ennetcomgegevens – de door politie ontsloten ‘PGP-berichten’ – het vermoeden ontstaan dat [medeverdachte 1] zich samen met [medeverdachte 2] sinds 2015 bezighield met het transport in verdovende middelen, waarbij ook de viskotter [nummer] zou worden ingezet en waarbij ook de naam van [naam 3] en [naam 8] zijn genoemd. [medeverdachte 1] is stelselmatig geobserveerd, waarbij op 9 juni 2017 wordt gezien dat hij samen met [naam 9] naar Harlingen gaat, waar [naam 9] door [naam 3] naar de [nummer] wordt gebracht. Om die reden is besloten de [nummer] te ‘vlaggen’, dat wil zeggen te laten volgen door de kustwacht. De kotter [nummer] was op vrijdag 9 juni 2017 in de avond uitgevaren vanuit de haven van Harlingen. Op grond van een verdachte beweging van de [nummer] – de viskotter heeft even stilgelegen in het spoor van het uit Brazilië afkomstige containerschip de MSC Krystal – is besloten de viskotter [nummer] te controleren.
Vast staat dat tijdens deze controle en de daaropvolgende doorzoeking 261 kilogram cocaïne is aangetroffen. Eveneens staat vast dat toen de [nummer] op 9 juni 2017 de haven van Harlingen uitvoer om deze vervolgens op 10 juni 2017 weer binnen te varen, [naam 9] , [naam 4] , [naam 10] en [naam 11] aan boord waren. De eigenaar van de [nummer] , [naam 3] , stond op het moment van de controle van de [nummer] op 10 juni 2017 op de kade.
[naam 3] , de feitelijke mede-eigenaar van de kotter [nummer] , heeft zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde cocaïnetransport bekend. Hij is naar eigen zeggen enkele weken vóór 10 juni 2017 door twee mannen gevraagd om cocaïne uit zee op te vissen in ruil van € 300.000,-. Hoewel hij eerst niet wilde, is hij uiteindelijk met dit voorstel akkoord gegaan, naar eigen zeggen omdat hij en zijn gezin bedreigd werden. Vervolgens heeft [naam 3] op 7 juni 2017 [naam 11] gevraagd om als schipper van de [nummer] cocaïne uit zee op te vissen in ruil voor € 200.000,- waarmee [naam 11] instemde. Op 9 juni 2017 vroeg [naam 3] het vaste bemanningslid [naam 10] om mee te helpen met het opvissen van cocaïne uit zee in ruil voor € 25.000,-. [naam 10] is hiermee akkoord gegaan. [naam 3] zegt te weten hoe en door wie [naam 4] is geregeld, maar wil daar verder niets over verklaren. Volgens [naam 3] ging [naam 9] mee voor de communicatie aan boord.
[naam 11] , [naam 10] , [naam 4] en [naam 9] zijn op 9 juni 2017 gezamenlijk met de viskotter [nummer] uitgevaren met het uitsluitende doel om cocaïne uit zee op te vissen en naar Harlingen te brengen. (…) Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [naam 3] , [naam 11] , [naam 10] , [naam 4] en [naam 9] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van het verder binnen het grondgebied van Nederland vervoeren van de cocaïne.”
Tijdens de terechtzitting van 3 februari 2026 heeft verdachte verklaard dat [naam 3] naar hem is toegekomen met het verhaal dat hij onder druk werd gezet. [medeverdachte 1] had geen afhaler en is daarom naar [naam 3] gegaan en heeft hem bedreigd. [naam 3] moest het voor [medeverdachte 1] regelen. [naam 3] vroeg aan verdachte of hij wat voor hem kon betekenen. In eerste instantie was er geen bemanning. Verdachte heeft toen [naam 4] als bemanningslid geregeld. Hij heeft [naam 4] verteld dat er wat te verdienen viel en hij heeft hem ervan op de hoogte gebracht dat er wat mis kon gaan. [naam 4] zou wat verdienen als het transport goed zou gaan, maar verdachte wist niet hoeveel. Verdachte wist dat er cocaïne op het schip zou liggen. Hij heeft [naam 4] op 9 juni 2017 weggebracht en daarna is hij naar huis gegaan. [22]
Overwegingen rechtbank
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat kan worden vastgesteld dat verdachte een rol heeft gehad bij de invoer van de 261 kilogram cocaïne die op 10 juni 2017 in de haven van Harlingen op de viskotter [nummer] is aangetroffen. De rechtbank gaat daarbij uit van de verklaring van verdachte. Hij wist dat er die dag cocaïne zou worden ingevoerd. Hij heeft op verzoek van [naam 3] [naam 4] als bemanningslid geregeld. Hij heeft [naam 4] verteld dat hij er wat aan zou verdienen als de invoer van de cocaïne goed zou verlopen en hij heeft hem gewezen op de risico’s die eraan verbonden zijn. Tot slot heeft hij [naam 4] op 9 juni 2017 naar de haven gebracht, waarna de viskotter naar open zee is gevaren om de cocaïne uit zee op te vissen. Verdachte is daarmee medeplichtig geweest aan de invoer van de cocaïne, door gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en behulpzaam te zijn.
Dat verdachte zijn bijdrage groter is geweest en hij als medepleger kan worden beschouwd, kan niet op grond van het dossier worden vastgesteld. Dat verdachte op 10 juni 2017 op de kade stond toen de viskotter – met de cocaïne aan boord – weer de haven binnenvoer is daartoe onvoldoende. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat de cocaïne op de kotter mede voor verdachte was bestemd en hij daarmee een van de organisatoren van het transport zou zijn. De officier van justitie heeft in dat kader gewezen op diverse PGP-berichten die door verschillende personen zijn gestuurd en die in verband kunnen worden gebracht met drugshandel door verdachte. De rechtbank acht deze berichten niet bruikbaar voor het bewijzen van een groter aandeel van verdachte in dit transport, omdat het berichten uit 2015 betreffen en dit transport in 2017 heeft plaatsgevonden.
Concluderend zal verdachte van het primair tenlastegelegde medeplegen aan de invoer van de 261 kilogram cocaïne worden vrijgesproken. De subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid zal wel worden bewezen.
3.4.2.3. Bewezenverklaring feit 3: deelnemer criminele organisatie
De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [naam 2] en anderen in de periode van 1 februari 2015 tot en met 30 november 2015 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met drugshandel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op
1 februari 2015stuurt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) naar [naam 1] ( [e-mailadres] ): “
Ja bro is goed verhaal alleen ze moeten wel mensen op die boot kennen die kunnen gooien ik heb mee mogen doen op die [naam boot] die mannen weten wat ze moeten doen en 1 man van andere kant moet mee om akkoord te geven om te gooien 1 deze weken komt weer wat dan maak ik foto van hoe die tas moet zijn touw licht jerrycan en dan stuur ik jou die direct heb je iemand die die verhaal kan vullen?”
Kort voor dit bericht, op
21 januari 2015, is een partij cocaïne ingevoerd die in zee werd gegooid vanaf de [naam boot] en werd opgevist door een viskotter, de [nummer] .
Op
25 februari 2015stuurt [medeverdachte 1] een bericht naar zichzelf met namen van boten en vissers, waaronder “
[nummer] [naam 3] ”. [23]
Die dag stuurt [medeverdachte 2] ook naar [medeverdachte 1] : “
[naam 8] is samen met [naam 3] een nieuwe kotter begonnen!”
Daarop zegt [medeverdachte 1] : “Klopt ja de [nummer] lekker he?”. [24]
Op
16 maart 2015stuurt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) naar het Ennetcom-account [account] : “
Dag vriend kan jij jou vriend zeggen dat dit de positie is en zij moeten vragen of zij hier langs komen? [nummer] E Dit is de positie”. Vervolgens vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] of hij de ‘pos’ heeft afgegeven en wanneer ze ongeveer gaan ‘
spelen’. [medeverdachte 2] antwoordt : “
Het moet hangen RECHTS achter!” en de hoeveelheid licht: “
Min 6 lichten liefst meer totaal” en “
Alles zit meestal aan elkaar gebonden op elk pak gewoon een lampje dan moeten we het zien”. Hierop reageert [medeverdachte 1] : “
Ok bro 3 lampen per tas beter veel dan weinig zitten paar korte lontjes bij daarom zeg ik duidelijk hier pos hier staan wij”. [25]
Op
19 maart 2015heeft [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) contact met een persoon die gebruik maakt van het
e-mailadres
[e-mailadres]. [medeverdachte 1] heeft deze persoon opgeslagen als ‘ [opgeslagen naam] ’.
[opgeslagen naam] stuurt naar [medeverdachte 1] : “
Hi brother, did you see something with sun stempel?”
Daarop antwoordt [medeverdachte 1] : “No bro I didnt see if I see I let you know ok”
[opgeslagen naam] antwoordt daarop bevestigend stuurt de volgende foto en vraagt: “
Yuoi see this?” [26] :
Op
19 maart 2015stuurt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) ook een bericht naar [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) waarin hij vraagt om “
die BSN van iedereen”. Later die dag stuurt [medeverdachte 1] het volgende bericht naar [medeverdachte 2] :
“Broer dit ga ik doorgeven ok klopt dit allemaal?
[medeverdachte 2] [nummer]
[naam 3]
[naam 2] [nummer]
[verdachte] ”
[medeverdachte 2] bevestigt dat het klopt. [27]
Op
20 maart 2015antwoordt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) op de vraag van [naam 1] (# [e-mailadres] ) hoe het zit met het “
verhaal omtrent de vissersboot”: “
Broer we wachten nu op die joegos 1 is naar de overkant en komt einde van de maand terug dan gaan we aan tafel en jou man komt dan mee aan tafel aanhoren voor het meezitten die vissers van mij staan klaar”. [28]
Op
30 maart 2015informeert [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) bij ‘ [opgeslagen naam] ’ over wat de huidige prijs is. Hierop ontvangt hij een foto van een stempel en stuurt die door naar [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) met het bericht: “
Broer top handel net aangenomen voor 29.
Die gaan we zo doorstoten kijken wat ze ervoor betalen”. [medeverdachte 2] vraagt vervolgens hoeveel er zijn, waarop [medeverdachte 1] antwoordt: “
Partij binnen gekomen van 250 broer en van die 250 mogen wij er 50 verkopen”. [29]
Op
18 april 2015stuurt [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) naar [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) dat [verdachte] (“ [bijnaam 2] ”) een gevaar is ‘voor ons’. [30]
Die dag stuurt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) naar [naam 1] een bericht over verschillende opties en percentages, waaronder een man die 10 procent betaalt “
om op open water over te zetten”. Ook wordt gesproken over het aantal tussenstops, waarop [naam 1] zegt: “
Ja kijk broo iets dat we zelfd heelen maal van begin tot einde kunnen invullen zou het affste ziin!!”. [naam 1] stuurt ook:
“In NL is die bruin nu 18k ongeveer maar in UK 40K euro bro uitbetaald in NL dus is dubbel zo goed!”. [31]
Op
1 mei 2015vraagt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) aan [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) of “
die 4000” al binnen is of nog onderweg is.
Daarop stuurt [medeverdachte 2] de volgende foto met de vraag “
bedoel je deze?”:
[medeverdachte 2] stuurt: “
Oke ik maak een foto. Ik hou m we’ll ff achter”. [32]
Op
27 mei 2015wordt door [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) een handgeschreven briefje verstuurd naar [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) met daarop onder andere de naam [verdachte] en het adres [adres] . [33]
Op
5 juli 2015stuurt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) een foto naar [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) met het bericht: “
Allemaal vocht broer!”
“Dus ze zijn niet goed gedroogd broer! lk ga deze opnieuw proberen te drogen en dan proberen te breken die vocht zit binnen daarom zijn die blokken zwaar Zodra een klant ze op de weegschaal zet en ze wegen meer dan 1002 gram krijgen wij al gezeik! Maar ik heb begrepen dat ze handel hoe dan ook nog weg moet want mensen moeten betaald worden!”. [34]
Op
10 juli 2015stuurt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) aan [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ): “
Schade! Dan weet je dat! Dit is niet te verkopen wat goed is is te verkopen!” [medeverdachte 1] stuurt met dit bericht twee foto’s mee: [35]
Op
30 juli 2015stuurt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) naar [naam 1] (# [e-mailadres] ): “
Broer dit is het verhaal omtrent die vissers: We hebben een groep vissers die op het water kunnen aannemen en opvangen dan gaat het om de botenlijnen die boven lopen en de Noordzee. Wat we nodig hebben is iemand die op containerschepen mensen heeft of een eigen boot heeft waarmee die bij de boven botenlijnen kan komen. Die vissers geven een positie af waar die boten elkaar moeten treffen als het een containerschip is dan moeten die mensen aan boord het kunnen lossen en als het een eigen boot is dan kunnen ze naast elkaar liggen en overladen. Die mensen vragen minimaal 500 stuks en dan een afhaal percentage van 10 procent mag ook minder aantallen zijn zolang zij maar 50 stuks ontvangen dus bijvoorbeeld een test van 250 stuks dan nemen zij 50 stuks als percentage ze willen ook mee zetten en geven hun inzet geld van te voren af. Als iemand op dit systeem kan werken bro dan komen er meer details zoals de coordinaten waar ze elkaar treffen en hoe de spullen verpakt moeten zijn etc ken jij mensen die op dit systeem kunnen werken bro? Dit systeem kan alleen vanaf Maart tot Oktober omdat het water dan rq ustig is boven met onrustig water kan het wel maar is heel moeilijk werken dus die vissers raden dat af!
Daarop antwoordt [naam 1] : “
Ken het systeem sir yoego hebben die lyn in hun hand en crew op veel boten mensen van montengro sir die hebben die boot mensen die na zuid ameri gaan en laden ze en lossen op deze manier”. [36]
Op
6 oktober 2015stuurt [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) naar [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) dat hij nog moet vragen of [verdachte] (“
[bijnaam 2]”) erin zit. Over [verdachte] (“
[bijnaam 2]”) moet [medeverdachte 2] nog even nadenken. [37]
Op
7 oktober 2015stuurt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) naar [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ): “
Ze houden tot nu toe vast aan die coordinaten die ze gaven als wij beneden een positie kunnen geven kan ik verder praten met hun ik weet niets van botenlijn of aan de kust ik weet alleen dat het een sleepboot is en die coordinaten die ze gaven??”
[medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) stuurt op
10 oktober 2015naar de onbekend gebleven gebruiker van het account
[account](hierna: [account] ):
“Broer mijn man is als het goed gaat allemaal vanaf de eerste week van December inzetbaar beneden! Op het moment vist hij boven ivm de vergunning! Die wordt eind November omgeschakeld naar beneden en dat duurt een week! De boot mag niet in het weekend komen want dan ligt hij officieel in de haven! Het werk moet gedaan kunnen worden Maandag avond Dinsdag avond en het liefst zelfs Donderdagavond/nacht! De boot naam moet vooraf bekend zijn bij ons zodat wij de route en los punt kunnen bepalen in de bestaande botenlijn! Voor de eerste week van December kunnen wij niks aanpakken/opvissen beneden! Is dit duidelijk?”
[medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) stuurt die dag ook naar [account] : “
Broer het volgende is ook belangrijk! Bij windkracht 6 tot 7 kan de boot niet uit varen! De havenmeester weet dat en douane ook het weer heeft niemand in de hand dan weet je dat! Mocht hij al op zee zijn aan het werk dan kan hij gewoon het werk afmaken en bij rustig weer terug varen naar de haven! Mocht hij nog moeten uit varen en het weer laat het niet toe dan moeten jou mensen in staat zijn om het goed te verstoppen aan boord en dan op de terug reis klaar staan om te gooien! Als alles goed gaat dan ontvangen jullie de spullen in een vrachtwagen met lege viskisten! Die moet ergens naar binnen kunnen rijden we gaan geen kamikaze acties doen met op een parkeerplaats etc! Is dit duidelijk broer? En wat kost het vanaf daar om mee te zetten? [38]
Later die dag vindt een berichtenwisseling plaats tussen [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) en [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) waaruit blijkt dat [medeverdachte 2] een bericht door moet sturen naar [naam 2] (“
[accountnaam]”). Ook vraagt [medeverdachte 1] : “
Stuur mij even voor alle duidelijkheid hoe zij het werk moeten doen per hoeveel kg aantal jerrycans sterke touw aan elkaar vastgezet hoeveel lichtjes etc!”.
[medeverdachte 2] antwoordt: “
Kannen van 30 l tegen 30 st dus een op een. Op alle pakken 4 licht rondom!
[medeverdachte 1] vraagt daarop: “
Dus elke sporttas moet 4 lichtjes zijn rondom?”
[medeverdachte 2] antwoordt bevestigend.
[medeverdachte 1] wil weten of zijn bericht “
naar die gasten toe duidelijk is bevonden door [accountnaam]”. [medeverdachte 1] schrijft ook aan [medeverdachte 2] dat hij nog twee mails naar ‘die joegos’ heeft gestuurd en dat hij het antwoord door zal sturen, waarna [medeverdachte 2] het door moet sturen naar [naam 2] (“ [accountnaam] ”) om te “
bevestigen dat alles klopt”.
[medeverdachte 1] ontvangt die dag het volgende bericht van [account] :
“Broer laatste ding die je moet weten! Zwarte sportzakken per 30 stuks een lege 30 liter jerrycan aan vast maken en per sportzak 4 lichten rondom de tas! Alles moet aan elkaar vastgebonden zijn met een sterke touw! Waterdicht etc weet je maar ik zeg het toch!”
[medeverdachte 1] stuurt naar [account] :
“Vader vroeg nog of een gps erin mag ja mag en broer satteliettelefoons! Jullie zijn verantwoordelijk voor het contact met mensen aan boord wij zijn verantwoordelijk om op de afgesproken positie die dag klaar te staan!
Ook laat [medeverdachte 1] aan [account] weten: “
Broer die satteliet telefoons prepaid zijn heel belangrijk voor het contact! In die gebied wordt de marifoon afgeluisterd van iedereen! Hebben jullie die satteliet telefoons al in bezit?[account] antwoordt hierop
: “Bro sateliet telefoons hebben we liggen gewoon ... moet alleen nieuwe activeerde simkaarten”.[medeverdachte 1] reageert met:
“Oke broer maar 1 moet aan boord zijn he bij die personen die het gaan gooien! Heb net begrepen dat het contact leggen echt belangrijk is vandaar dat ik jou mail! 1 satteliet telefoon met ons mee met jou man op ons bootje! 1 op de grote schip met de mensen die het gaan gooien!” [39]
[medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) vraagt die dag ook aan [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ):
“Weet jij al wie allemaal wilt meezetten met die joego’s?”
Daarop antwoordt [medeverdachte 1] :
“Wij gooien 100 mee dikke ik en vriend!”[medeverdachte 2] reageert daarop met het bericht: “
Heel goed. Zijn we gelijk van me kwel geesten af! Nee komt wel goed. Aan onze kant ouwe, n, goed, ik, en [bijnaam 2] met nog zeggen. Definitieve aantal geven we nog zal ook rond 100 zijn.” [40]
Op
15 oktober 2015vraagt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) aan [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) hoeveel zij nu totaal doen:
“82 stuks?”
[medeverdachte 2] beantwoordt bevestigend.
[medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 1] : “
Krijgen wij ook onze inzet terug als het aan hun kant gepakt wordt”
[medeverdachte 1] vraagt: “
Hoe gepakt wordt? Tijdens het zetten of als het al aan boord is en er komt een grote controle?” [medeverdachte 1] zegt ook dat hij vindt dat ze verantwoordelijk zijn voor een veilige opzet.
Een paar uur later vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] : “
Wie was op die boot mee? En die ouwe heeft het ingeladen en gereden?”
[medeverdachte 2] antwoordt: “
[bijnaam 2] . En die ouwe heeft het in kisten in die auto gekregen”.
[medeverdachte 1] vraagt: “
Wie is op die partij meegegaan van die april? Los van [bijnaam 2] wie kan jij vinden?”
Daarop antwoordt [medeverdachte 2] : “
Niemand! Is boot van [bijnaam 2] . [bijnaam 2] heeft alles geregeld.”
Op de vraag van [medeverdachte 1] hoeveel [verdachte] (“
[bijnaam 2]”) mee zet, antwoordt [medeverdachte 2] : “
Ik denk 12”.
Op
18 oktober 2015zegt [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ) tegen [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ):
“Toen zeg ik wat doen we met [bijnaam 2] . Hij zegt [bijnaam 2] zit bij mij aan boord daar hebben we een goedeaan en [bijnaam 2] heeft zelf ook nog een boot als backup. Ik zeg dus je wilt dat [bijnaam 2] mee deeld hij zegt ja”.
Op
20 oktober 2015stuurt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) naar [medeverdachte 2] ( [e-mailadres] ): “
Vriend gesproken vannacht! De [accountnaam] heeft ingestemd om zonder [accountnaam] te werken heb ik hem gezegd en wat betreft [bijnaam 2] als hij meedeelt zonder [accountnaam] is dat geen [bijnaam 1] voor onze vriend zolang het maar zeker is dat de [accountnaam] zonder [accountnaam] wilt werken. Zodra er een geintje door de [accountnaam] wordt uit gehaald dan zijn wij klaar met iedereen en gaan onze eigen weg! Niemand van ons heeft zin om elke nacht na te denken wie naait ons en wie niet? Duidelijk?” [41]
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 2] zijn veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie. [42]
Overwegingen rechtbank
Op grond van het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – kan worden vastgesteld dat verdachte samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 2] in de periode van februari 2015 tot en met november 2015 een crimineel samenwerkingsverband vormde die drugshandel tot doel had. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat het bij een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet moet gaan om (1) een samenwerkingsverband van tenminste twee personen met (2) een zekere duurzaamheid en (3) structuur die (4) als doel heeft het invoeren, vervoeren, handelen of aanwezig hebben van harddrugs, dan wel het treffen van voorbereidingshandelingen daarvoor. Voor deelneming (5) aan zo’n organisatie is in het algemeen vereist dat de verdachte tot de organisatie behoort en dat de verdachte een aandeel heeft in of gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het doel van de organisatie.
De rechtbank stelt vast dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] regelmatig contact met elkaar hadden over de handel in drugs. Zij communiceerden via PGP-telefoons, waarmee zij afgeschermd berichten verstuurden, kennelijk met als doel deze communicatie af te schermen voor opsporingsdiensten. Gedurende een periode van tien maanden is regelmatig in
PGP-berichten gesproken over de wijze waarop drugs kon worden ingevoerd. Daarbij is een duidelijke modus operandi naar voren gekomen die doet vermoeden dat de organisatie veelvuldig gebruik heeft gemaakt van containerschepen van de Mediterranean Shipping Company (MSC) en visserijkotters zoals de [nummer] . In de berichten geeft [medeverdachte 2] uitleg over de wijze waarop de drugs dienen te worden verpakt en te worden voorzien van verlichting. Er wordt gesproken over locaties, coördinaten en het in zee gooien en opvissen van de pakketten. Er wordt gesproken over andere mensen waarmee zaken gedaan moeten worden, over bedragen die worden ingezet, welke partij het risico draagt, de prijs van ‘het spul’ en het versturen ervan, berekeningen van de te verwachten kosten en opbrengsten. Uit de berichten blijkt ook dat ze op verschillende momenten in het bezit waren van drugs. Zo zijn foto’s gestuurd waarop zeer waarschijnlijk drugs zijn te zien, gelet op het verpakkingsmateriaal, de stempels en de context van de berichten. Ook wordt in de berichten gesproken over foto’s maken, het “
achterhouden” van een kilo cocaïne en blokken drugs die zijn nat geworden. De rechtbank ziet in het vorenstaande een bevestiging van de duurzaamheid en het samenwerkingsverband van de organisatie.
Binnen de organisatie is sprake van een hiërarchische structuur, waarbij elke verdachte een andere rol vertolkte. [medeverdachte 2] is het contact richting de vissers – waaronder verdachte – die de drugs in zee moesten opvissen. [medeverdachte 1] communiceerde richting de leveranciers (“
joego’s”). [medeverdachte 2] was enigszins de ondergeschikte partner van [medeverdachte 1] en de link tussen het transport van de drugs en het naar binnen halen daarvan. [medeverdachte 1] zegt daarover tegen [medeverdachte 2] : “
Jullie zijn verantwoordelijk voor het contact met mensen aan boord en wij zijn verantwoordelijk om op de afgesproken positie die dag klaar te staan”. Verder kreeg [medeverdachte 2] van [medeverdachte 1] informatie over drugstransporten en gaf hij [medeverdachte 1] op zijn beurt details over de werkwijze van het ‘gooien’ van de drugs. Ook werd [medeverdachte 2] door [medeverdachte 1] in de gelegenheid gesteld om mee te investeren (“
meezetten”) in bepaalde transporten.
Binnen het onderzoek zijn er geen directe berichten van verdachte aangetroffen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, maakt dit echter niet dat verdachte daarom dus geen onderdeel kon zijn van het samenwerkingsverband. Het dossier bevat immers wel berichten van verdachte (“ [bijnaam 1] ”, “ [bijnaam 2] ”) die door [medeverdachte 2] zijn doorgestuurd.
Uit PGP-berichten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijkt dat de organisatie ‘
een goede aan verdachte heeft”. Verdachte heeft immers zelf ook een boot die als back-up kan fungeren. Ook mag verdachte investeren (“
meezetten”) in de transporten. De rechtbank stelt vast dat verdachte de rol van investeerder en uitvoerder had.
Concluderend kan worden bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 2] een criminele organisatie vormde die drugshandel tot doel had en daarvoor voorbereidingen trof. Elke deelnemer – zo ook verdachte – wist van het doel van de organisatie en leverde een bijdrage aan de verwezenlijking daarvan. De onder 3 tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie kan worden bewezen.
3.4.2.4. Bewezenverklaring feit 4: gewoontewitwassen
De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verdachte heeft in 2016 bij de politie verklaard dat hij sinds augustus 2013 meermalen casino’s heeft bezocht om te gokken. Hij legde contant geld in. [43]
In 2019 heeft verdachte verklaard dat hij Blackjack en Roulette in Holland Casino speelde. Daarnaast speelde hij ook bij andere casino’s en speelhallen met illegale gokpraktijken. Hij speelde altijd grof. Hij heeft veel gewonnen, maar ook veel verloren. [44]
Tijdens de terechtzitting van 2 februari 2026 heeft verdachte verklaard dat het gokken op een gegeven moment een verslaving is geworden, waarvoor hij in een kliniek is behandeld. [45]
Op de bankrekeningen van verdachte zijn geen contante geldopnames te zien. Wel is te zien dat Holland Casino in de periode van 12 augustus 2013 tot en met 29 februari 2016 acht geldbedragen aan verdachte heeft uitgekeerd, variërend van ruim € 10.000,- tot € 84.000,-. In totaal is € 278.640,- door Holland Casino naar verdachte overgemaakt.
Nadat de speelwinsten door Holland Casino waren uitgekeerd schreef verdachte het geld over naar zijn spaarrekening. Bij een (grote) gelduitgave werd het geld weer teruggeboekt naar de betaalrekening. Zo heeft verdachte van de door Holland Casino uitgekeerde gokwinsten in 2013 een Audi S8 gekocht. [46]
Overwegingen rechtbank
De rechtbank stelt vast dat verdachte contante geldbedragen besteedde aan gokken bij casino’s en speelhallen. Op zijn bankrekening is echter niet te zien dat hij contant geld pinde. Het contante geld heeft dus een onbekende herkomst. Er bestaat dan ook een gerechtvaardigd vermoeden dat het door verdachte ingelegde speelgeld van misdrijf afkomstig is.
Verdachte heeft over de herkomst van het speelgeld verklaard dat hij dat geld heeft verdiend met illegale sigarettenhandel. Verdachte heeft daarover verder niets willen verklaren. Op de vraag of hij nog andere inkomsten had die hij gebruikte om te gokken, antwoordde hij dat het daar wel op lijkt, zonder daar verder op in te gaan. Mogelijk andere contante gelden die hij tot zijn beschikking had heeft hij bestempeld als geld zonder legale herkomst en als “niet fris” geld. [47]
Verdachte heeft met de hiervoor genoemde verklaring het vermoeden dat de door verdachte contant ingelegde speelgelden van misdrijf afkomstig zijn bevestigd.
De rechtbank concludeert dat het niet anders kan dan dat ook het contante geld dat verdachte in de tenlastegelegde periode bij casino’s en gokhallen heeft ingelegd om mee te gokken, van misdrijf afkomstig is. Zoals hiervoor is vastgesteld, heeft Holland Casino in totaal € 278.640,- aan speelwinsten op de bankrekening van verdachte uitbetaald. Daarmee is het gehele uitgekeerde bedrag van misdrijf afkomstig. Dat niet kan worden vastgesteld hoeveel geld verdachte voor het gokken heeft ingelegd in verhouding tot de – op legale wijze verkregen – speelwinsten, doet daaraan niet af.
Dat de inleg van criminele herkomst is, heeft tot gevolg dat de daarmee gemaakte winst door ‘vermenging’ van misdrijf afkomstig is geworden, nu de rechtbank – gelet op de verklaring van verdachte dat hij altijd ‘grof’ speelde – ervan uitgaat dat het crimineel geld dat door verdachte is ingelegd een substantieel deel van de speelwinst betreft (ECLI:NL:HR:2010:BN0578). De verdediging heeft dit bovendien niet betwist.
Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat verdacht heeft gegokt met geld
dat – middellijk – uit misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat wist. Van de door Holland Casino uitgekeerde speelwinsten van € 278.640,- heeft verdachte onder meer een Audi S8 gekocht. Verdachte heeft daarmee geld dat van misdrijf afkomstig is voorhanden gehad, omgezet en gebruikt.
Holland Casino heeft in totaal acht keer speelwinsten aan verdachte uitgekeerd. De witwashandelingen hebben plaatsgevonden over een langere periode, namelijk 2,5 jaar. Verdachte heeft dan ook van het witwassen een gewoonte gemaakt.
Partiële vrijspraak
Nu de verkrijgingsdatum van de overige in de tenlastelegging genoemde personenauto’s (een Mercedes en een Audi A6) buiten de tenlastegelegde pleegperiode vallen, zal verdachte van het witwassen van die personenauto’s worden vrijgesproken.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1.
in de periode van 31 januari 2015 tot en met 27 mei 2016 in Nederland, heeft gepoogd om
[medeverdachte 1] , [naam 1] , [medeverdachte 2] en anderen door een gift te bewegen om opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van een geldbedrag, bestaande die gift uit het betalen van een geldbedrag.
2.
[naam 11] , [naam 4] , [naam 10] , [naam 9] en [naam 3] op 10 juni 2017 te Harlingen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht een hoeveelheid van in totaal
261 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne
bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 9 juni 2017 te Urk en Harlingen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door met gebruikmaking van zijn auto, [naam 4] als bemanningslid naar de viskotter [nummer] te brengen en op 10 juni 2017 met zijn auto aanwezig te zijn toen de kotter met de cocaïne onderweg naar de haven was;
3.
in de periode van 1 februari 2015 tot en met 30 november 2015 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [naam 2] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikel 2
onder A, B, C Opiumwet en artikel 10a Opiumwet;
4.
in de periode 12 augustus 2013 tot en met 29 februari 2016 in Nederland,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
immers heeft hij telkens voorwerpen voorhanden gehad, omgezet en/of gebruikt
terwijl hij wist dat hierna genoemde voorwerpen - middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten:
  • geldbedragen die zijn ingelegd bij en/of uitgegeven en besteed in casino’s en speelhallen, waaronder Holland Casino en Fair Play Casino om daar te kunnen gokken en of mee te spelen;
  • geldbedragen van in totaal Euro 278.640, zijnde geldbedragen die zijn uitgekeerd door Holland Casino als zogenaamde speelwinsten;
  • een auto, merk Audi S8 met het kenteken [kenteken] .

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2 primair, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaar.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij het bepalen van de op te leggen straf rekening te houden met het tijdsverloop, de relatief korte periode van de handelingen, de openheid van zaken die verdachte heeft gegeven, het getoonde zelfinzicht en de sporen die dit alles bij verdachte heeft nagelaten. Bovendien is er sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte heeft zijn leven inmiddels goed op orde. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de daarmee gepaard gaande negatieve gevolgen voor verdachte staat niet in verhouding tot het doel dat van een gevangenisstraf uitgaat. De verdediging heeft verzocht om aan verdachte een maximale werkstraf op te leggen en een geheel voorwaardelijke forse gevangenisstraf.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft geprobeerd om een ander uit te lokken om [slachtoffer] te ontvoeren en/of af te persen. Daarvoor heeft hij een groot geldbedrag als beloning betaald. Dat de incasso-opdracht uiteindelijk niet tot ontvoering en/of afpersing heeft geleid, is niet aan verdachte te danken. Hij heeft de incasso-opdracht immers nooit ingetrokken. Hij bleef daarentegen aandringen en om een update over de voortgang van de incasso vragen, omdat hij het te lang vond duren. Hij werd daarbij gedreven door financiële motieven: hij wilde zijn geld terug dat hij verloren was. Verdachte wist bovendien dat hij zware criminelen inschakelde toen hij de opdracht uitzette, waarmee hij de wijze waarop de opdracht werd uitgevoerd uit handen gaf. Ontvoering en afpersing zijn in de criminele wereld bij uitstek methodes om zakelijke geschillen op te lossen. Het zijn daarbij ernstige geweldsfeiten die in het algemeen voor slachtoffers daarvan een traumatische gebeurtenis vormen en in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid versterken.
Daarnaast is verdachte anderen behulpzaam geweest bij de invoer van 261 kilogram cocaïne die met een viskotter vanaf open zee is opgepikt. Hij heeft een bemanningslid geregeld en dit bemanningslid naar de viskotter gebracht. Dit was een goed georganiseerd en doordacht plan dat alleen door de oplettendheid van de kustwacht en de daarop volgende controle van de viskotter aan het licht is gekomen.
Ook heeft hij gedurende tien maanden deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van drugshandel. Daarmee heeft hij bijgedragen aan de verspreiding van een voor de gezondheid schadelijke harddrugs en aan een circuit van ondermijnende criminaliteit die onontkoombaar met dit soort misdrijven gepaard gaat.
Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij heeft daarbij geld dat van misdrijf afkomstig was gebruikt als inleg om te gokken bij casino’s en speelhallen. Van het geld dat hij met het gokken won, heeft hij onder meer een personenauto gekocht. Witwassen op deze enorme schaal vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. De ernst hiervan kan niet genoeg benadrukt worden.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Het oriëntatiepunt voor de in- en uitvoer van meer dan twintig kilogram harddrugs in georganiseerd verband is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 72 maanden. Verdachte is medeplichtig geweest aan meer dan tien keer zoveel cocaïne, te weten 261 kilogram cocaïne.
Voor het deelnemen aan een criminele organisatie hebben de rechtbanken geen oriëntatiepunten vastgesteld.
Uit de toelichting op de oriëntatiepunten voor fraudezaken blijkt dat witwassen daaronder eveneens wordt geschaard. Bij een benadelingsbedrag tussen € 250.000,- en € 500.000,- is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 12 tot 18 maanden. Dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt is een strafvermeerderende omstandigheid waar de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening mee zal houden.
De rechtbank neemt in het voordeel van verdachte in overweging mee dat hij blijkens zijn strafblad van 12 januari 2026 niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Anders dan de raadsman heeft bepleit zal de rechtbank de proceshouding van verdachte niet als strafverminderend meewegen. Verdachte heeft weliswaar een deel van de beschuldigingen bekend, maar dat heeft hij pas in een laat stadium gedaan. Zo heeft hij zijn betrokkenheid bij het plan om [slachtoffer] te ontvoeren en/of af te persen pas tijdens de inhoudelijke behandeling bekend, maar is hij altijd blijven ontkennen dat hij een opdracht heeft gegeven waar (bedreiging met) geweld mee gepaard zou gaan. Zijn verklaring lijkt bovendien volledig op de inhoud van het dossier te zijn afgestemd. Daar komt bij dat hij is blijven ontkennen dat hij deelnemer was van een criminele organisatie die drughandel tot doel had. De rechtbank ziet ook anderszins geen persoonlijke omstandigheden waarmee in strafverminderende zin rekening moet worden gehouden.
De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie geen recht doet aan de ernst van de feiten, mede gelet op de straffen die de medeverdachten die al voor betrokkenheid bij de invoer van 261 kilogram cocaïne en deelname aan een criminele organisatie zijn veroordeeld opgelegd hebben gekregen. Het enkele tijdsverloop is onvoldoende reden om in dergelijke mate af te wijken van de straffen die in deze zaken zijn opgelegd. Indien de rechtbank de eis van de officier van justitie zou volgen, dan zou dat tot grote rechtsongelijkheid leiden.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar en zes maanden in beginsel passend en geboden is.
De rechtbank houdt er wel rekening mee dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Als uitgangspunt geldt dat in een strafzaak binnen twee jaar na de aanvang van de redelijke termijn een eindvonnis moet zijn gewezen. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 12 oktober 2018, zijnde het eerste verdachtenverhoor van verdachte. Er had dus 12 oktober 2020 een eindvonnis moeten liggen. De rechtbank doet echter pas vandaag (11 juni 2026) uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim vijf jaar is overschreden. Dit levert een schendig van artikel 6 EVRM Pro op waarbij gelet op de duur van de overschrijding niet kan worden volstaan met de enkele constatering van de schending. Overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zal de rechtbank naar bevind van zaken handelen nu de overschrijding van de redelijke termijn meer dan twaalf maanden bedraagt. De strafvermindering bij een overschrijding tot 12 maanden is ongeacht de hoogte van de straf maximaal zes maanden. De rechtbank acht het dubbele van die strafvermindering, zijnde een strafvermindering van 12 maanden in dit specifieke geval passend.
Concluderend, zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke
gevangenisstrafvoor de duur van
acht jaar en zes maandenopleggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro, aan de orde is.
De vordering van de officier van justitie tot het bevelen van de gevangenneming wordt afgewezen, omdat de rechtbank voor een bevel gevangenneming geen grond aanwezig acht.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 46a, 48, 49, 57, 282, 317 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1 bewezen geachte:
poging uitlokking van wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of afpersing;
ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezen geachte:
medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van het onder 3 bewezen geachte:
deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet;
ten aanzien van het onder 4 bewezen gedachte:
gewoontewitwassen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
8 (acht) jaar en 6 (zes) maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. L.F. Bögemann en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juni 2026.