Art. 6 EVRMArt. 26 Wet Wapens en MunitieArt. 46 SrArt. 47 SrArt. 55 Wet Wapens en Munitie
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak medeplegen moord, veroordeling voorbereiding moord, verboden wapenbezit en witwassen
Op 27 mei 2016 werd [slachtoffer] in Diemen voor zijn woning doodgeschoten. Verdachte werd vervolgd voor medeplegen van deze moord, medeplegen voorbereiding van moord, witwassen en verboden wapenbezit. Het bewijs bestond onder meer uit onderschepte PGP-berichten, getuigenverklaringen en financiële transacties.
De rechtbank oordeelde dat niet bewezen kon worden dat verdachte daadwerkelijk medepleger was van de moord, maar wel dat hij samen met anderen voorbereidingen had getroffen om [slachtoffer] te liquideren. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig maakte aan witwassen van een appartement en berging, en het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen en munitie.
De rechtbank wees de vorderingen van de benadeelde partijen af omdat verdachte werd vrijgesproken van medeplegen moord. Gelet op eerdere veroordelingen van verdachte en de ernst van de feiten legde de rechtbank een gevangenisstraf van 8 jaar op, met matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd gevangenneming bevolen.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van medeplegen moord, veroordeeld tot 8 jaar gevangenisstraf voor medeplegen voorbereiding moord, witwassen en verboden wapenbezit.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 71.081023.22
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,
gedetineerd in de [naam PI] .
1.Het onderzoek ter terechtzitting
In deze zaak zijn zittingen geweest op 29 november 2023 en 17 januari 2025. Daarna is het onderzoek opnieuw aangevangen op 30 januari 2026 en zijn zittingen geweest op: 2 februari 2026, 6 februari 2026, 9 februari 2026, 10 februari 2026 en 17 februari 2026. Dit vonnis is op 11 juni 2026 op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie,
mrs. Z. Trokic en J. Plooij (hierna: officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsman mr. L.J.G.B. van Kleef, en de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en hun advocaat W. van Egmond, naar voren hebben gebracht.
2.Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
medeplegen van moord op [slachtoffer] op 27 mei 2016 te Diemen;
medeplegen van voorbereiding van moord op [slachtoffer] in de periode van 31 januari 2015 tot en met 30 oktober 2015 te Diemen;
medeplegen van gewoonte(schuld)witwassen van een appartement en een berging aan de [adres] in de periode van 1 december 2016 tot en met 25 april 2018;
voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie II of III van de Wet Wapens en Munitie en 200 patronen van categorie III in de periode van 24 juni 2015 tot en met 28 juni 2015.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3.Waardering van het bewijs
3.1.
Inleiding
Op 27 mei 2016 heeft er op de Klipperweg in Diemen een dodelijk schietincident plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] om het leven is gebracht. [slachtoffer] werd voor zijn woning in zijn auto doodgeschoten. Zijn negenjarig zoontje zat op dat moment bij hem in de auto. Na de moord is de schutter bij een tweede persoon achter op een scooter gesprongen en weggevlucht. Naar aanleiding van deze moord is het strafrechtelijk onderzoek Skipers I gestart.
Bij vonnis van 17 januari 2020 is door rechtbank Amsterdam vastgesteld dat [naam schutter] de schutter was. Hij is veroordeeld voor het medeplegen van de moord tot 23 jaar gevangenisstraf. [naam schutter] is tegen dat vonnis in hoger beroep gegaan. Bij arrest van 17 mei 2023 is hij door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 jaar. Die veroordeling is inmiddels onherroepelijk.
Uit een ander strafrechtelijk onderzoek – 26Tandem – heeft de recherche zicht gekregen op ontsleutelde Ennetcom-berichten (hierna: PGP-berichten) van een gebruiker met het e-mailadres [e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] en [e-mailadres] -lijn). Nader onderzoek naar de berichten uit deze [e-mailadres] -lijn heeft ertoe geleid dat het vermoeden is ontstaan dat 93 berichten gaan over [slachtoffer] en er voorafgaand aan de liquidatie sprake was van een plan om [slachtoffer] te ontvoeren en/of af te persen. Naar aanleiding daarvan is onderhavig onderzoek Skipers II gestart, waarin verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] strafrechtelijk worden vervolgd. Verdachte en [medeverdachte 3] voor betrokkenheid bij de moord en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voor het daaraan voorafgaande plan om [slachtoffer] te ontvoeren en/of af te persen.
De verdenking tegen verdachte houdt in dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer] op 27 mei 2016 (feit 1) en het voorbereiden daarvan (feit 2).
Onderzoek naar de berichten uit de [e-mailadres] -lijn hebben ook geresulteerd in de verdenking dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van een appartement en een bijbehorende berging (feit 3) en een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad (feit 4).
3.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd dat kan worden bewezen dat verdachte in de periode van 31 januari 2015 tot en met 30 oktober 2015 voorbereidingen heeft getroffen om [slachtoffer] te laten liquideren (feit 2). Het plan van verdachte is vijf maanden later uitgevoerd, toen [slachtoffer] op 27 mei 2016 werd doodgeschoten. Dat verdachte medepleger van die liquidatie was, kan ook worden bewezen (feit 1).
Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte en [medeverdachte 1] van [medeverdachte 2] de opdracht hebben gekregen om geld, dat [slachtoffer] van [medeverdachte 2] afhandig had gemaakt, voor [medeverdachte 2] terug te halen. Die opdracht is altijd blijven staan. Aanvankelijk was de opdracht om het geld van [medeverdachte 2] terug te halen door middel van het ontvoeren en/of afpersen van [slachtoffer] . Dat plan is gewijzigd nadat verdachte en [naam 1] op 25 juni 2015 met elkaar hebben besproken dat het logischer zou zijn om [slachtoffer] te liquideren en dat op een misverstand te laten lijken. Ter uitvoering van dat plan zijn een busje, bakens en peilzenders en PGP-telefoons aangeschaft en is door [medeverdachte 2] € 250.000,- betaald. De officier van justitie gaat ervan uit dat [naam 1] de opdracht tot het liquideren van [slachtoffer] vervolgens aan de dadergroep heeft uitgezet, omdat de dadergroep via [naam 2] aan [naam 1] te linken is. Dat verdachte de personen uit de dadergroep niet kent, staat niet aan een bewezenverklaring van verdachte als medepleger van de liquidatie in de weg. Verdachte was immers ‘het brein’ achter de liquidatie. Zonder de beslissing van verdachte om [slachtoffer] te liquideren, zou [slachtoffer] niet door [naam schutter] zijn vermoord. Verdachte heeft dan ook een intellectuele bijdrage van voldoende gewicht aan de uiteindelijke liquidatie van [slachtoffer] geleverd. De officier van justitie ziet bevestiging hiervan in de verklaring van [medeverdachte 2] , inhoudende dat verdachte na de moord op [slachtoffer] tegen [medeverdachte 2] heeft gezegd “ Wie praat, die gaat” en dat verdachte aan [medeverdachte 2] heeft aangeboden een tweede persoon ( [naam tweede persoon] ) er gratis bij te doen. De officier van justitie ziet geen reden om aan de geloofwaardigheid van die verklaring te twijfelen.
Voorts kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een appartement en een bijbehorende berging (feit 3). De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat op grond van PGP-berichten tussen verdachte en [medeverdachte 1] enerzijds en tussen verdachte en [naam 3] anderzijds alsmede het veroordelend vonnis tegen verdachte van 7 december 2018, kan worden vastgesteld dat verdachte samen met [naam 3] heeft verhuld dat [naam B.V.] het appartement voor verdachte heeft gekocht met geld dat van misdrijf afkomstig is. Vervolgens heeft [naam B.V.] het appartement binnen zes maanden doorverkocht en geleverd aan een vennootschap die op naam van de moeder van verdachte stond maar waarbinnen verdachte de beslissingen nam.
Tot slot kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bezit van een vuurwapen en munitie (feit 4). De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op PGP-berichten tussen verdachte en [naam 1] tussen 24 en 28 juni 2015, waarin zij communiceren over een Tommy gun. Daarbij schrijft verdachte concreet, specifiek en gedetailleerd over een Tommy gun en bijbehorende munitie en geeft hij aan over de Tommy gun te (kunnen) beschikken. De inhoud van de PGP-berichten wordt ondersteund door foto’s die verdachte naar [naam 1] stuurde, aldus de officier van justitie.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten en heeft daartoe - samengevat - het volgende aangevoerd.
Feit 1 en 2
Verdachte heeft nooit opzet gehad op het vermoorden van [slachtoffer] . Verdachte heeft weliswaar de incasso-opdracht voor [medeverdachte 2] aangenomen, maar met het uitvoeren van die opdracht is hij vroegtijdig opgehouden. Dat is ook de reden waarom er na 15 oktober 2015 geen communicatie meer zichtbaar is over het thema [slachtoffer] . Voorts zijn er geen andere bevindingen die verdachte aan de uiteindelijke moord in mei 2016 kunnen linken. Bovendien kent verdachte de uitvoerders van de moord niet.
Verdachte heeft de PGP-berichten van de [e-mailadres] -lijn uitgebreid uitgelegd en van context voorzien, erop neerkomend dat de door verdachte verstuurde PGP-berichten veel ‘fake news’, bluf, meepraten en grootspraak bevatten. Het bericht dat op 25 juni 2015 via de [e-mailadres] -lijn naar [naam 1] wordt gestuurd en waarin wordt voorgesteld om [slachtoffer] te liquideren in plaats van te ontvoeren en/of af te persen, is bovendien niet door verdachte maar door [naam 4] (“ [bijnaam 1]”) gestuurd, die op dat moment de telefoon van verdachte gebruikte en aan [naam 1] liet weten dat hij met verdachte (“ [bijnaam verdachte] ”) is. Ook heeft verdachte met zijn analyse van de PGP-berichten laten zien dat het onderzoeksteam veelvuldig zaken uit verband heeft getrokken door te knippen en te plakken. Daar komt bij dat op grond van het dossier andere scenario’s mogelijk zijn. De verklaring van [medeverdachte 2] dat hij na de moord op [slachtoffer] met verdachte een ontmoeting heeft gehad waarin verdachte zou hebben gezegd “Wie praat die gaat” en heeft aangeboden om anderen “gratis”te doen, is onbetrouwbaar en kan daarom niet voor het bewijs worden gebruikt. [medeverdachte 2] heeft immers geen enkel verifieerbaar detail over deze ontmoeting gegeven en het dossier bevat ook geen enkel bewijs dat die ontmoeting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Met betrekking tot de onder 2 tenlastegelegde verdenking van het voorbereiden van het liquideren van [slachtoffer] kan niet worden bewezen dat verdachte en/of zijn mededaders in dat kader voorbereidingshandelingen hebben verricht. Zo bevat het dossier geen communicatie of administratie die duiden op de aankoop van een busje of huren van een busje met als doel [slachtoffer] te liquideren. Ook is er geen bewijs voor de aankoop van een ‘pipa’ en/of het door andere betrokkenen voorhanden hebben van vuurwapens met als doel [slachtoffer] te liquideren. Ook volgt uit het dossier niet dat de Tommy gun – waarover hij en [naam 1] in juni 2015 communiceren – in relatie zou staan tot een actie op [slachtoffer] . Ook kan niet worden vastgesteld dat geld uit het ‘buitje van [slachtoffer] ’ is gebruikt voor enige voorbereidingshandeling met betrekking tot het liquideren van [slachtoffer] . Verdachte en medeverdachten gebruikten weliswaar PGP-telefoons, maar die zijn niet aangeschaft met het doel om [slachtoffer] te liquideren. Ook kan niet worden vastgesteld dat er peilzenders en/of bakens onder de auto’s van [slachtoffer] zijn geplaatst. Dat verdachte dat wel heeft gezegd is een voorbeeld van het bluffen door verdachte. Hij liet bepaalde betrokkenen geloven dat ze ermee bezig waren, terwijl in werkelijkheid niks gedaan werd.
Feit 3
Niet kan worden vastgesteld dat [naam 3] het appartement heeft gekocht met geld van verdachte. Op basis van het dossier is er immers geen geldstroom van verdachte naar [naam 3] aanwijsbaar.
Feit 4
Niet kan worden vastgesteld dat verdachte de beschikkingsmacht over het vuurwapen en de munitie heeft gehad. De foto’s die verdachte naar [naam 1] heeft gestuurd, waren foto’s die hij van anderen heeft gekregen en vervolgens naar [naam 1] heeft doorgestuurd.
De door de verdediging gevoerde verweren zullen bij de inhoudelijke bespreking van de tenlastegelegde feiten uitgebreider aan de orde komen, voor zover relevant voor een bewezenverklaring (paragraaf 3.4).
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden bewezen dat verdachte als pleger of samen met anderen schuldig is aan de moord op [slachtoffer] op 27 mei 2016 (feit 1).
Wel kan worden bewezen dat verdachte (samen met anderen) het plan had om [slachtoffer] te vermoorden en dat hij daartoe voorbereidingshandelingen heeft verricht (feit 2).
De rechtbank is ook van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen samen met anderen (feit 3) en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 4).
Het Openbaar Ministerie baseert haar verdenking voor een groot deel op de inhoud van PGP-berichten. De rechtbank zal aanvangen met een paar algemene opmerkingen met betrekking tot het gebruik van PGP-berichten als bewijsmiddel (paragraaf 3.4.1. onder A).
De rechtbank zal daarna de PGP-adressen en eventuele bijnamen bespreken die de rechtbank aan de (mede)verdachte(n) toeschrijft en voor het bewijs gebruikt (paragraaf 3.4.1. onder B).
Voorts zal de rechtbank de vraag beantwoorden of zij de verklaring van de anonieme bedreigde getuige als bewijsmiddel zal gebruiken (paragraaf 3.4.1. onder C).
3.4.1.
PGP-communicatie en de anonieme bedreigde getuige
A. PGP-berichten als bewijsmiddel
De schriftelijke PGP-berichten hebben bewijstechnisch de status van ‘een ander geschrift’ als bedoeld in artikel 344 eerstePro lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Dit betekent dat de inhoud daarvan alleen als bewijs kan dienen als er ook ander bewijs is. Dat andere bewijs kan ook bestaan uit een ‘ander geschrift’ als bedoeld in artikel 344 lid 1 subPro 5 Sv. In dit dossier bestaat het bewijs niet uitsluitend uit op zichzelf staande PGP-berichten, maar is er sprake van berichtenwisselingen tussen minimaal twee gebruikers van PGP-telefoons. Voorts geldt dat de inhoud van de PGP-berichten isbeschreven in ambtsedige processen-verbaal waarin ook andere omstandigheden zijn beschreven die aan het bewijs bijdragen. Aan de eis van artikel 344 lid 1 subPro 5 Sv is dan ook voldaan.
Met het gebruik van PGP-berichten voor het bewijs moet wel behoedzaam worden omgegaan. Het betreffen onderschepte berichten die niet zijn opgesteld om te dienen als bewijs in een strafproces. Er is niet altijd sprake van gebruikers die als getuige de vermeende inhoud van de berichten hebben bevestigd. In de berichten wordt verder soms versluierde taal gebruikt en het betreffen gesprekken die plaatsvinden in een context die voor de gebruikers van de berichten bekend is, maar lang niet altijd voor een buitenstaander. Ook beschikt de rechtbank niet over het volledige berichtenverkeer. Dit alles impliceert dat een interpretatie is vereist om iets over de betekenis van de berichten te zeggen. De rechtbank is zich van dit alles bewust. Om deze redenen is voorzichtigheid geboden. Aan de andere kant is voor de bewijswaarde relevant dat personen die de versleutelde berichtendienst gebruikten zich onbespied waanden. Ook dat neemt de rechtbank in aanmerking. De enkele mogelijkheid dat PGP-berichten ook ‘desinformatie’ kunnen bevatten, maakt niet dat de bewijswaarde beperkt of nihil is.
B. PGP-adressen
Verdachte
[verdachte] heeft erkend dat hij de gebruiker is geweest van het PGP-adres [e-mailadres] .com (hierna: [e-mailadres] en [e-mailadres] -lijn). [2]
[medeverdachte 1]
[e-mailadres] ( [e-mailadres] )
Op 19 maart 2015, vraagt [verdachte] ( [e-mailadres] ) aan de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] ) " om die BSN van iedereen". De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] stuurt vervolgens terug " Mijne [nummer]" .Uit onderzoek naar het BSN [nummer] , in de politiesystemen (GBA), blijkt bij het voornoemde BSN de volgende personalia te horen: [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .
[e-mailadres] ( [e-mailadres] )
Hierna volgt een e-mailwisseling tussen [verdachte] en de gebruiker van het e-mailadres
[e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] ) d.d. 10 maart 2015. Uit deze e-mailwisseling valt op te maken dat de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] gecontroleerd is met zijn Golf op de Rijksweg 47. Er wordt gesproken over " [naam B.V.] "en de gebruiker van voornoemd e-mailadres denkt dat er een baken onder zijn " Golf" zit en zegt dat er alleen maar vragen over " [naam B.V.]" werden gesteld. Ook wordt er gesproken over een ontneming.
Vervolgens stuurt [verdachte] de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] op 19 maart 2015 te 11:48:48 uur, het volgende bericht: " Bro ff die gegevens van die boete?”.
In de e-mailbox van [verdachte] ( [e-mailadres] ) werd de volgende afbeelding aangetroffen: een kopie van een naheffingsaanslag geadresseerd aan [naam B.V.] met betrekking tot een voertuig met het kenteken [kenteken] . Dit betreft het voertuig waarin [medeverdachte 1] werd staande gehouden zoals eerder omschreven.
[e-mailadres] ( [e-mailadres] )
Na de inbeslagname van de auto volgt een e-mailwisseling tussen [verdachte] ( [e-mailadres] ) en de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] ). Tijdens deze e-mailwisseling wordt er gesproken over “ 25.000 + 2.500 de kosten voor het wit maken”. [verdachte] zegt dat het bedrag wordt overgemaakt naar BOOM (lees: Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie). [verdachte] vraagt vervolgens “op wie zijn naam die auto komt”.
De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] stuurt vervolgens onder ander het volgende bericht naar [verdachte] : "Ovj zegt tegen byfus maakt niet uit waar vandaan als het maar namens [medeverdachte 1] betaald word".
[verdachte] zegt vervolgens onder andere het volgende: " Zij betalen etc dus zij adviseren dat de auto op naam van hun bedrijf komt en er een constructie wordt verzonnen door hun dat regelen zij allemaal!".
Uit het voornoemde proces-verbaal van het Functioneel Parket te Amsterdam blijkt onder andere het volgende:
Op 8 september 2015 werd schriftelijk aan [medeverdachte 1] meegedeeld dat de Volkswagen Golf (waarop op 13 mei 2015 in het strafrechtelijk financieel onderzoek Higgins conservatoir beslag werd gelegd) aan hem teruggegeven zou worden als hij op grond van artikel 118a Sv een zekerheid zou betalen van € 25.000,-. Op 23 september 2015 ontving het Openbaar Ministerie vervolgens op haar rekening een bedrag van € 25.000,-. Het geld werd overgeboekt van ING rekening [nummer] op naam van [naam B.V.] met rekeninghouder [naam 3] , de feitelijk eigenaar/bestuurder. Uit de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat hij de jongere broer is van [naam 5] , de feitelijk bestuurder/directeur van [naam B.V.] . [3] Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 25 januari 2024 [naam 5] veroordeeld voor het, samen met [medeverdachte 1] , witwassen van € 33.480,-, waarmee de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] in september 2014 is aangeschaft. Het Gerechtshof heeft vastgesteld dat [medeverdachte 1] de feitelijk rechthebbende van de Volkswagen Golf was. [4]
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) stuurt op 6 juli 2015 een e-mailbericht door aan [verdachte] ( [e-mailadres] ). Dit betreft een e-mailconversatie tussen [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) en een ennetcom account opgeslagen als ‘ [accountnaam] ’. In die e-mailconversatie geeft ‘ [accountnaam] ’ zijn BSN. Uit onderzoek volgt dat dit het BSN van [medeverdachte 2] betreft op grond waarvan de rechtbank concludeert dat de bijnaam van [medeverdachte 2] ‘ [accountnaam] ’is. [5]
[naam 1]
[e-mailadres] ( [e-mailadres] )
[e-mailadres](hierna: [e-mailadres] )
[e-mailadres](hierna: [e-mailadres] )
Binnen het onderzoek 26Tandem, het onderzoek naar de moordaanslag op [naam slachtoffer moordaanslag] , is vastgesteld dat het PGP-adres [e-mailadres] door [naam 1] werd gebruikt. Na onderzoek in de Ennetcomserver is gebleken dat dit PGP-adres door verschillende personen in de contactlijst van hun PGP-toestel is opgeslagen onder de namen ‘ [bijnaam 2] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’. Binnen het onderzoek 26Tandem is gebleken dat [naam 1] zichzelf ‘ [bijnaam 2] noemt en dat hij door anderen ‘ [bijnaam 2] wordt genoemd.
Door Ennetcom-gebruikers zijn de volgende PGP-adressen opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 2] ’: [e-mailadres](hierna: [e-mailadres] ) en [e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] ). Door Ennetcom-gebruikers is het PGP-adres [e-mailadres] ook onder de naam ‘ [bijnaam 2] ’ opgeslagen. De PGP-adressen [e-mailadres] en [e-mailadres] zijn ook door Ennetcom-gebruikers opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 2] ’.
Op 2 april 2015 stuurde [naam 1] met het e-mailadres [e-mailadres] naar
verdachte dat dit zijn nieuwe e-mailadres is. [naam 1] noemde zichzelf hierbij ‘ [bijnaam 2] ’.
Op 16 november 2015 stuurt [e-mailadres] naar verdachte ( [e-mailadres] ) dat hij gisteren vijf keer de verkeerde code had gedrukt. [e-mailadres] zegt tegen verdachte dat hij in Ierland zit en vraagt aan hem of hij een nieuw toestel wil brengen. Dat [e-mailadres] in Ierland zit mag [verdachte] tegen niemand zeggen. Uit het onderzoek 26Tandem is gebleken dat [naam 1] in ieder geval rond 5 november 2015 al in Dublin (Ierland) verbleef.
Op 1 oktober 2015 is door de gebruiker van het PGP-adres beginnend met [e-mailadres] een foto met daarop de zus en moeder van [naam 1] naar [e-mailadres] gestuurd. De gebruiker van [e-mailadres] is geïdentificeerd als [naam vriendin] , de vrouw/vriendin van [naam 1] .
Ook het e-mailadres [e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] ) werd door meer gebruikers opgeslagen als [bijnaam 2] , [bijnaam 2] en [bijnaam 2] .
Op 17 januarí 2015 stuurde [e-mailadres] een foto naar twee gebruikers van Ennetcom. Op de foto is een baby te zien met een roze strik en een rompertje waarop geschreven stond "l love papa". Op 17 januari 2015 is de dochter, [naam dochter] , van [naam vriendin] en [naam 1] geboren.
De adresboeken van de e-mailadressen [e-mailadres] , [e-mailadres] en [e-mailadres] vertonen grote overeenkomstigheden met betrekking tot de Ennetcomcontacten die worden opgeslagen en de namen die worden toegekend aan deze contacten. Vijf Ennetcom-gebruikers hebben alle drie de e-mailadressen opgeslagen, waarbij de [e-mailadres] werd opgeslagen onder dezelfde naam als minstens één van de genoemde e-mailadressen van [naam 1] . [6]
[naam 4]
[e-mailadres](hierna: [e-mailadres] )
de bijnaam ‘ [bijnaam 3] ’, ‘ [bijnaam 3] ’ of ‘ [bijnaam 3] ’
Op 22 september 2015 bericht [naam 1] ( [e-mailadres] ) naar [verdachte] ( [e-mailadres] ) dat hij zich zorgen maakt omdat hij al twee dagen niks van ‘ [bijnaam 3] ’ gehoord heeft. Uit onderzoek bleek dat [naam 4] op 21 september 2015 was aangehouden.
[naam 1] en [naam 4] zijn bekenden van elkaar. Uit de bezoekerslijst van de Penitentiaire Inrichting Havenstraat te Amsterdam is [naam 1] tijdens zijn detentieperiode bezocht door [naam 4] .
Tijdens een verkeerscontrole op 9 maart 2013 werd [naam 1] aangehouden. [naam 1] was op dat moment in het bezit van een mobiele telefoon. In de contactlijst van deze telefoon staat het contact ‘ [bijnaam 3] ’ en ‘ [bijnaam 3] ’ opgeslagen, met een afbeelding van het animatiefiguur [bijnaam 3] .
De bijnaam [bijnaam 3] heeft vermoedelijk betrekking op het uiterlijk van [naam 4] . [naam 4] heeft hangende oogleden en wangen. De bijnaam ‘ [bijnaam 3] ’ slaat vermoedelijk op het animatiefiguur ‘ [bijnaam 3] ’ die ook hangende oogleden en wangen heeft.
Op 25 juni 2013 werd binnen het onderzoek TGO 09Aburg een harddisk aangetroffen en in beslag genomen. Op deze harddisk werden foto’s aangetroffen van [naam 4] in combinatie met de naam ‘ [bijnaam 3] ’.
Het e-mailadres [e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] ) is door meerdere PGP-gebruikers opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 3] ’. [7]
Tussenconclusie
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte de gebruiker is van [e-mailadres] .
Voorts kan worden vastgesteld dat de hierna genoemde personen de gebruikers zijn van de volgende PGP-adressen:
[medeverdachte 1] : [e-mailadres] , [e-mailadres] en [e-mailadres]
[medeverdachte 2] : bijnaam ‘ [accountnaam] ’
[naam 1] : [e-mailadres] , [e-mailadres] en [e-mailadres]
Voor de leesbaarheid van dit vonnis zullen in het vervolg bij de weergave van PGP-gesprekken de door de rechtbank aan die PGP-adressen gekoppelde personen worden ingelezen.
C. Anonieme bedreigde getuige
De rechtbank zal de verklaring van deze getuige niet voor het bewijs gebruiken. De rechtbank laat in het midden of de verklaring van de anonieme bedreigde getuige in zijn algemeenheid als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Geconstateerd moet worden dat deze getuige vooral “van horen zeggen” verklaart, terwijl ook uit de zich in het dossier bevindende TCI-verstrekkingen is gebleken dat er veel door al dan niet direct betrokkenen over (de achtergronden van) de liquidatie is gesproken. De verklaring van de anonieme bedreigde getuige mist om deze reden voor de rechtbank voldoende overtuigingskracht.
[medeverdachte 2] heeft op 26 november 2025 als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat hij door [slachtoffer] is besodemieterd doordat [slachtoffer] er met twee miljoen euro van [medeverdachte 2] vandoor is gegaan. [medeverdachte 1] kwam toen met [verdachte] op de proppen. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben hem wijsgemaakt dat zij zouden regelen dat hij in ieder geval een groot gedeelte van zijn geld terug zou krijgen. Voor dat terughalen van zijn twee miljoen heeft hij € 250.000,- betaald, aldus [medeverdachte 2] . [8]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij van [medeverdachte 2] de opdracht heeft gekregen om zijn verloren geld van [slachtoffer] terug te halen en [slachtoffer] daarbij mee te nemen en onder druk te zetten. [9] Voor die opdracht is geld ontvangen dat bij de vader van [medeverdachte 1] lag. Verdachte wilde het geld niet onder zich houden vanwege een mogelijke inval. [10]
Op 31 januari 2015stuurt verdachte ( [e-mailadres] ) naar [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) dat “ ze” klaar staan voor “ die [slachtoffer]”. Daarop stuurt [medeverdachte 1] naar verdachte: “ [slachtoffer] is van iemand anders die moet eerst even wat verdienen [slachtoffer] gaat in de zomer denk ik”.
De volgende dag zegt verdachte tegen [naam 1] ( [e-mailadres] ): “Die [slachtoffer] werd mij gevraagd of er een mogelijkheid is ik heb gezegd is er dus nu moet die man buitje gaan pakken en dan komt ie! Is niet voor die man die ik ken is een loopjongen van hun die die buitje moet brengen hij moet ff werken en dan afff!”
[naam 1] antwoordt: “Hhahaha afffff bro secend daan gekk !! Laat ie al vast buitje geven voor materiaal al vast dan zien we dat ie sereus is toch en kan niemand meer terug in eens. Maar kiefes ik hoor de mensen kwamen vragen voor me bij jou bro?”
Op 26 februari 2015vraagt [naam 1] ( [e-mailadres] ) aan verdachte ( [e-mailadres] ) of hij nog wat heeft gehoord van die “ [slachtoffer] shit”. verdachte antwoordt: “Ik heb die loopjongen opgefokt gezeg [slachtoffer] steelt de show met jou buit pik vond hij niet leuk!” [11]
Op 27 mei 2015zegt verdachte ( [e-mailadres] ) tegen [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) onderweg te zijn naar “ onze vriend”omdat “ onze vriend”hem heeft geroepen.
Om 14:00u zegt verdachte tegen [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 2] (“ [accountnaam]”) een [accountnaam] wordt. “Zijn hele stamboom gaat opgevraagd worden financiële gegevens 1 foute eurocent en het wordt strafrechtelijk”. [12]
Op 9 juni 2015stuurt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) naar verdachte ( [e-mailadres] ) dat hij [medeverdachte 2] ( “ [accountnaam] ”) gesproken heeft en dat “ die [slachtoffer] ” gaat.” [13]
Verdachte ( [e-mailadres] ) stuurt op 25 juni 2015naar [naam 1] ( [e-mailadres] ): “ Broer kunnen we [slachtoffer] meenemen?”.
[naam 1] antwoordt: “ Ik ga kijken broo voor die fatoe mannen toch en dan neem ik aan slapen?”
Verdachte antwoordt: “Ja broer is ingewikkeld verhaal ik ga zometeen [bijnaam 3] zien dan ga ik jou mailen ja? Wat zij precies willen enzo! lk snap die pijn van hun wel 2M in totaal maar moet even naar [bijnaam 3] toe en dan ga ik jou mailen samen met hem oke bro?”
Verdachte stuurt 40 minuten later naar [naam 1] : “ Bro ik ben met [bijnaam verdachte] die verhaal van die [slachtoffer] is dat die man wilt dat we die man meenemen en hem drukken om te betalen die man van [bijnaam verdachte] wilt 2t betalen ervoor wat denk je bro. Kan die [slachtoffer] meegenomen in de b?? Moeten ze loods regelen of gewoon pikeuw en zeggen dat die [slachtoffer] ging tegen stribbelen misverstandje gewoon en hun 150 laten betalen”.
[naam 1] antwoordt: “Ze zij gek 2 T voor mee nemen en moet zoizo pikiew voor die [naam 6] zelfde hebben we 3 T gehad toen en was nog showlove en dus we nemen hem mee stel je voor geeft die 2 mil moeten wij dat aan hun geven en 2 t nemen is toch niet logies broo? Beter die misverstandje dan afffff.”
Verdachte stuurt daarop naar [naam 1] : “Hij zegt als die man die 2 mil betaald dan pakken wij helft maar rekenen daarop man. lk denk ook beter die misverstandje dat is die zekerheidje die aap gaat niet zomaar afgeven die buit en wordt te lang en 2 t is ook niet logisch”
[naam 1] bevestigt: “Safie dan fixen we dat. Maar ze moeten wel gaan tikken dan bro niet zeggen dat was niet de afspraak of die bla”.
Verdachte antwoordt: “ [bijnaam verdachte] heeft die buitje al dus fuck hun als die man pikeuw is zeggen we 150 dus krijgen ze 50 terug splitten we die 50 van die 150 min onkosten. Dus blijft 40 over voor ons 3”. [14]
[naam 1] zegt ook in dit gesprek: “Ahhhahahhaha 100 is wel afff alle 100 op [slachtoffer] qekkk !!” [15]
Op 27 juni 2015zegt verdachte ( [e-mailadres] ) tegen [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) dat zijn “ soldaat” om 11:30 uur op de [adres] moet zijn en: “Die Porsche die we hadden nagetrokken voor [accountnaam] die is van [slachtoffer]!!!”
Daarop vraagt [medeverdachte 1] aan verdachte hoe hij weet “ dat dat [slachtoffer] ze auto is”, waarop verdachte antwoordt: “Zit peilzender onder gekkk! Wij zitten al op hem!!!!” [16]
[medeverdachte 2] (“ [accountnaam]”) vraagt op 6 juli 2015om een update aan [medeverdachte 1] , waarna [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) stuurt: “Wat ik weet is dat hij in drie auto’s rijd die gti die bewuste audi en porsche. En daar zitten alle 3 bakens onder. Het laatste wat ik weet is dat ze moment afwachten juist”. Vervolgens geeft [medeverdachte 2] zijn BSN-nummer nogmaals door. [medeverdachte 1] stuurt deze berichten door naar verdachte ( [e-mailadres] ).
Dezelfde dag stuurt verdachte naar [medeverdachte 1] : "Oke bro bedankt ik geef door! Mij is gezegd blijf standby vanaf gisteren dus ik sta dag en nacht standby dat betekent we wachten op moment om hem van straat te plukken hij woont in Diemen samen met zijn vrouw als we hem daar weg kunnen trekken is vervelend is een kut woon wijk maar als het moet dan gaat het daar gebeuren. [17]
Op 21 juli 2015vraagt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) aan verdachte ( [e-mailadres] ) om naar Lelystad te komen, waar [medeverdachte 2] (“ [accountnaam]”) is. Ze spreken af bij de McDonalds. [18]
Op 1 augustus 2015schrijft verdachte ( [e-mailadres] ) aan [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) dat “ die dikke” zegt “als we [slachtoffer] in stukken gaan snijden dan moet je erbij komen superrr gekkkk bro!”.
Een half uur later schrijft verdachte: “Oke broer doe je mee met [slachtoffer] in stukken snijden vraagt die dikke?”
[medeverdachte 1] antwoordt: “Als jij en die dikke erbij zijn ben ik er ook bij. Hahaha”.
Verdachte schrijft ook: “Hahahahahahaha die wouden in de middag een granaat gooien bro maar ze bleven rustig alle frustraties zijn voor [slachtoffer] binnenkort!” [19]
Op 22 augustus 2015zegt verdachte ( [e-mailadres] ) tegen [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ): “Oke broer we gaan er werk van maken! Maak je niet druk komt goed! [slachtoffer] hebben we 3 keer de kans gehad om af te schieten maar [accountnaam] wilt hem laten meenemen kreeg 3 keer een mail nu zeggen nu zeggen we hebben hem in het vizier laten hem direct direct slapen!”
Verdachte zegt ook: “Daarom is er geen actie nog geweest gekkk!”
[medeverdachte 1] antwoordt: “Tsja makkelijke weg. Ik weet het nu ook niet. [accountnaam] heeft flink getikt. Je weet de afspraken rustig blijven en in laden”.
Verdachte ( [e-mailadres] ) vraagt op 29 augustus 2015aan [naam 1] ( [e-mailadres] ) of er nog wat nieuws is omtrent “ [slachtoffer]”.
[naam 1] antwoordt: “Jaa bro die gasten waren laatst ff geveegd mar ze gaan er nu weer op zitten!”. [20]
Op 16 september 2015 vraagt verdachte ( [e-mailadres] ) aan [naam 1] ( [e-mailadres] ) om een “ update omtrent [slachtoffer]”.
[naam 1] antwoordt op de vraag van verdachte: “ Hij is al geplaatst alles pipas zijn er allen w8 op busje waar ze in kunnen w8en tot ie komt dan flammen [bijnaam 3] is daar mee bezig”.
Daarop antwoordt verdachte: “Okidoki bro dan zeg ik gewoon zijn er mee bezig! Top!”
Verdachte informeert ook [naam 4] ( [e-mailadres] ) dat hij dit bericht aan [naam 1] heeft gestuurd.
[naam 4] zegt daarop tegen verdachte “Hahahahahahahahaha zeg hem breng meer buit die 150 was niet genoeg”. [21]
Op 17 september 2015zegt [verdachte] ( [e-mailadres] ) tegen [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ): “Bericht voor [accountnaam] ! Staan standby alleen nieuwe busje nodig die andere is te vaak gesignaleerd!”
Daarop antwoordt [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 2] (“ [accountnaam]”) vanaf gisteren een week op zee zit.
Verdachte antwoordt: “Oke iniedergeval wij staan standby om in die bus te trekken! Heb je die foto ontvangen? Gasten wachten in een stash huis op groen licht en dan actie!”
Bij dit bericht is een foto van een machinepistool gevoegd, met de toevoeging: “ Standby! Ook voor [accountnaam] dit bericht!”: [22]
Op 21 september 2015is [naam 4] aangehouden. Hij zit tot 1 december 2015 vast. [verdachte] en [naam 1] ( [e-mailadres] ) maken zich zorgen, omdat zij niets van [naam 4] vernemen.
Verdachte ( [e-mailadres] ) schrijft [naam 1] op 23 september 2015dat [naam 4] hem had verteld “ dat er een bus was geregeld die was toen die nacht weer weggesleept omdat er waarschijnlijk een gps in zat”. [23]
Op 15 oktober 2015vraagt [naam 1] ( [e-mailadres] ) aan verdachte ( [e-mailadres] ) te regelen dat er € 15.000 (“ 15 kop”) wordt gestort naar een advocatenkantoor. Hij zal het contant terugbetalen, en verdachte moet het geld maar afhalen “ van me buitje van [slachtoffer]”. [24]
Op 18 oktober 20215zegt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) tegen verdachte ( [e-mailadres] ) dat [medeverdachte 2] (“ [bijnaam 4]”) vroeg of hij verdachte nog even kon spreken en dat [medeverdachte 1] denkt dat het over “ [slachtoffer]” gaat. [25]
Tijdens een doorzoeking in de woning van de vader van [medeverdachte 1] op het [adres] is op 8 maart 2016 ongeveer € 460.000,- contant geld in beslag genomen. [26]
Overwegingen rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich als (mede)pleger schuldig heeft gemaakt aan de liquidatie van [slachtoffer] op 27 mei 2016. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Vrijspraak (mede)plegen moord (feit 1)
Op grond van bovenvermelde bevindingen kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 2] zich opgelicht voelde door [slachtoffer] en dat [medeverdachte 2] aan verdachte en [medeverdachte 1] de opdracht heeft gegeven om bij [slachtoffer] zijn geld terug te halen. De opdracht van [medeverdachte 2] hield in dat [slachtoffer] moest worden ontvoerd (“ in een busje trekken”en “ meenemen”) en moest worden afgeperst ( “drukken”) teneinde [slachtoffer] te dwingen om het geld van [medeverdachte 2] terug te geven. [medeverdachte 2] heeft daarvoor € 250.000,- aan verdachte en [medeverdachte 1] betaald. Het dossier bevat verscheidene PGP-berichten waarin door verdachte, [medeverdachte 1] en [naam 1] over de uitvoering van dit plan is gesproken. Die berichten zijn naar elkaar gestuurd in de periode van 31 januari 2015 tot en met 18 oktober 2015. Vervolgens hebben verdachte en [naam 1] op 25 juni 2015 het plan gewijzigd, omdat zij het een beter idee vonden om [slachtoffer] te liquideren (“ slapen”, “ pikiew”).
Het PGP-bericht dat [medeverdachte 1] op 18 oktober 2015 aan verdachte heeft gestuurd waarin hij om een update over [slachtoffer] vraagt, is het laatste bericht over [slachtoffer] dat in het dossier zit. Pas ruim een half jaar later – op 27 mei 2016 – wordt [slachtoffer] voor zijn woning doodgeschoten. Het dossier bevat geen berichten die in de tussentijd zijn gestuurd. Het dossier bevat ook geen andere bewijsmiddelen waarmee dit gat in de tijd kan worden gedicht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat op grond waarvan een verband kan worden gelegd tussen het plan van verdachte en [naam 1] om [slachtoffer] te liquideren en de daadwerkelijke liquidatie van [slachtoffer] ruim een half jaar later.
De officier van justitie heeft erop gewezen dat de dadergroep van de liquidatie via [naam 2] kan worden gelinkt aan [naam 1] , en daarmee aan verdachte. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat [naam 1] en [naam 2] in 2014 met elkaar op de foto staan en het dossier TCI-informatie bevat die inhoudt dat [naam 2] voor [naam 1] werkt, dat [naam 2] al meer liquidaties voor [naam 1] heeft uitgevoerd en dat [naam 2] de opdracht voor de moord op [slachtoffer] heeft uitgezet bij [medeverdachte 3] waarna [medeverdachte 3] de schutters heeft geregeld. De incasso-opdracht om het geld van [medeverdachte 2] terug te halen is bovendien niet ingetrokken en het is op grond van het dossier niet aannemelijk dat het plan om [slachtoffer] te liquideren – zoals besproken op 25 juni 2015 – is gewijzigd, aldus de officier van justitie.
De rechtbank is van oordeel dat dit, ook in onderling verband en samenhang bezien, onvoldoende is om verdachte aan de uiteindelijke dadergroep te linken. TCI-informatie is geen informatie die voor het bewijs kan worden gebruikt. Dat [naam 2] en [naam 1] samen op een foto hebben gestaan is onvoldoende redengevend voor het leggen van de link tussen [naam 1] en verdachte en de dadergroep van de liquidatie van [slachtoffer] .
Ook de op de zitting door [medeverdachte 2] afgelegde getuigenverklaring, inhoudende dat verdachte na de moord op [slachtoffer] tegen [medeverdachte 2] zou hebben gezegd “ Wie praat, die gaat” en dat ze ook andere oplichters “ gratis” zouden doen als [medeverdachte 2] daarvoor groen licht zou geven, maakt dat oordeel niet anders. Deze verklaring is te weinig concreet en onderbouwd om redengevend voor het bewijs te kunnen zijn. Zo weet [medeverdachte 2] niet meer wanneer dat gesprek met verdachte heeft plaatsgevonden. Hij weet alleen nog dat het na de dood van [slachtoffer] is geweest. Ook weet hij niet hoe dat gesprek tot stand is gekomen, waar het heeft plaatsgevonden en wie daar nog meer bij waren. De getuigenverklaring van [medeverdachte 2] is op dit onderdeel naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voldoende betrouwbaar om als bewijs te kunnen dienen.
Alles afwegende, is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte van het onder feit 1 tenlastegelegde (mede)plegen van de moord op [slachtoffer] moet worden vrijgesproken.
De rechtbank is van oordeel dat wel kan worden bewezen dat verdachte in de periode van 31 januari 2015 tot en met 18 oktober 2015 het plan had om [slachtoffer] te liquideren en dat hij bezig was met het treffen van voorbereidingen om dat plan uit te voeren. In eerste instantie was het plan om het geld van [medeverdachte 2] terug te krijgen door [slachtoffer] te ontvoeren (“ in een busje trekken” en “ meenemen”) en/of af te persen (“ drukken”). Dat plan is op 25 juni 2015 gewijzigd naar het plan om [slachtoffer] te liquideren. Verdachte en [naam 1] vonden het namelijk niet logisch dat, als [slachtoffer] de twee miljoen euro aan hen zou hebben afgegeven, zij die twee miljoen euro vervolgens aan [medeverdachte 2] zouden geven en zij daar dan maar € 200.000,- voor terug zouden krijgen. Het zou veel beter zijn om tegen [medeverdachte 2] te zeggen dat [slachtoffer] tegenstribbelde en ze hem toen gedood hebben (“ pikeuw”). Dan zouden ze van de
€ 200.000,- die [medeverdachte 2] heeft betaald € 50.000,- aan [medeverdachte 2] teruggeven en de rest van het geld zelf houden. Het geld dat [medeverdachte 2] voor de incasso-opdracht heeft betaald is namelijk wel een zekerheid, terwijl het onzeker is of het zou lukken dat [slachtoffer] die twee miljoen euro zou afgeven. Het is volgens verdachte en [naam 1] daarom beter om het te laten lijken op een “ misverstandje”. [naam 1] benadrukt dat [medeverdachte 2] dan wel moet gaan betalen (“ tikken”) zodat hij niet achteraf moeilijk gaat doen omdat het liquideren van [slachtoffer] niet de afspraak was. Uit de verklaring van verdachte volgt dat [medeverdachte 2] betaald heeft en dat het betaalde geld bij de vader van [medeverdachte 1] lag.
Het verweer van verdachte dat met ‘ [bijnaam verdachte] ’ verdachte werd bedoeld en dat uit het feit dat in de derde persoon over [bijnaam verdachte] werd gesproken blijkt dat niet hij maar [naam 4] op 25 juni 2015 zijn telefoon gebruikte toen met [naam 1] werd besproken dat het beter zou zijn om [slachtoffer] te liquideren en verdachte hier dus niet van op de hoogte was, schuift de rechtbank als onaannemelijk terzijde. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de beschikbare berichten op 25 juni 2025 volgt dat door de [e-mailadres] -lijn en [naam 1] al gesproken wordt over [slachtoffer] voordat verdachte in die zelfde berichtenreeks zegt naar [naam 4] ( [bijnaam 3] ) te gaan. Op het bericht van [naam 1] waarin hij aangeeft dat hij aanneemt dat het om slapen (liquideren) gaat, antwoordt verdachte bevestigend ( “ja broer”) en dat het ingewikkeld is. Hij schrijft verder dat hij zo naar [naam 4] gaat en hem dan samen met [naam 4] zal berichten. Vervolgens wordt er 40 minuten later een bericht gestuurd waarin de gegeven opdracht wordt uitgelegd en wordt geopperd om [slachtoffer] te vermoorden ( “pikeuw”) in plaats van de opdracht uit te voeren. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte naar [naam 4] is gegaan en [naam 4] en verdachte vervolgens samen het bericht aan [naam 1] hebben gestuurd waarin enerzijds de gegeven opdracht aan verdachte wordt uitgelegd en anderzijds wordt geopperd [slachtoffer] te liquideren.
Vervolgens heeft verdachte gesproken over de wijze waarop de liquidatie zou moeten worden uitgevoerd en dat ze bezig zijn met het voorbereiden daarvan. Die communicatie vindt plaats via PGP-telefoons. Zo is in de periode van 24 tot en met 28 juni 2015 besproken dat er al een peilzender en drie bakens onder de auto’s van [slachtoffer] zitten. Ook is door verdachte en [naam 1] op 16 september 2015 gesproken over wapens (“ Pipa”) in de context van [slachtoffer] . Verdachte vroeg immers aan [naam 1] om een update over [slachtoffer] (“ [slachtoffer]”), waarop [naam 1] antwoordde: “ Hij is al geplaatst alles pipas zijn er al”. Er moest alleen nog door [naam 4] (“ [bijnaam 3] ”) een busje worden geregeld waarin de schutters kunnen wachten tot [slachtoffer] komt “ en dan flammen”. Op 23 september 2015 schrijft verdachte aan [naam 1] dat er door [naam 4] een bus was geregeld, maar die bus dezelfde nacht weer was weggesleept.
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij aan [medeverdachte 1] € 250.000,- contant heeft betaald. Verdachte heeft verklaard dat deze betaling zag op de incasso-opdracht op [slachtoffer] . Het geld was dan ook bestemd voor de uitvoering van het door verdachte voorgenomen strafbaar feit. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat het plan van verdachte zag op de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer] , is de rechtbank van oordeel dat ook dit geld bestemd was tot het begaan van dit misdrijf en dat verdachte het geldbedrag daartoe voorhanden heeft gehad.
Het verweer dat alles wat verdachte in PGP-berichten heeft gezegd grootspraak was en dat hij deed alsof en meepraatte, wordt tegen de achtergrond van het voorgaande als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Dat verdachte een reden had om tegenover [naam 1] en/of [medeverdachte 1] te overdrijven en te bluffen blijkt niet uit het dossier. Dat berichten ook ‘updates’ bevatten die volgens de verdediging ‘fake news’ zijn omdat uit het dossier niet zou blijken dat die handelingen hebben plaatsgevonden, maakt dat oordeel niet anders. Dat de zojuist genoemde voorbereidingshandelingen wel hebben plaatsgevonden blijkt immers uit de zojuist besproken bewijsmiddelen.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte
samen met anderen ter voorbereiding van het plan om [slachtoffer] te liquideren vuurwapens, een geldbedrag, PGP-telefoons, peilzenders en bakens en een busje heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad.
3.4.2.2. Bewezenverklaring feit 3: witwassen
De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van het appartement aan de [adres] en de berging aan de [adres] .
De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.
[naam B.V.] is op 5 juni 2014 opgericht. [naam 3] is enig bestuurder. [27]
[naam 3] is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor het medeplegen van (gewoonte)witwassen. Het gerechtshof heeft daartoe vastgesteld dat verdachte gebruik maakte van [naam B.V.] om samen met zijn broer [naam 5] geld voor onder andere verdachte buiten het zicht van de autoriteiten te houden, waardoor de werkelijke rechthebbenden – onder andere verdachte – werden verhuld. Van dat geld is onder andere door [naam B.V.] het appartement aan de [adres] en bijbehorende berging gekocht en daarmee is verhuld dat verdachte de feitelijke rechthebbende van het appartement was. [28]
Uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer + [nummer] in gebruik was bij verdachte en het telefoonnummer + [nummer] in gebruik was bij [naam 3] . [29]
Op 11 februari 2016 sturen verdachte en [naam 3] elkaar de volgende iMessages:
verdachte: [naam 3] , wat is het max wat gedaan kan worden voor dit jaar?
[naam 3] : Morgen [verdachte] , nu ik het een en ander heb uitgezocht inzake een woning kan ik he het volgende berichten. We kunnen een huis aankopen en deze zal dan aangekocht worden door ons bedrijf deze zou jij dan weer kunnen huren met huursubsidie. Als dit je wat lijkt laat het me weten.
verdachte: Ja dag lijkt mij wel wat, meer uitleg aub!
[naam 3] : Wij gaan de woning van maximaal 250000 euro aankopen en middels een verhuurcontract verhuren aan jouw dit doen wij natuurlijk onder de huurtoeslagnorm waardoor de huur voor jouw draagbaar is en waardoor je recht hebt op huurtoeslag als je meer info wilt hebben inzake dit meld me maar.
verdachte: Oke [naam 3] ! Maar kunnen jullie een woning kopen tot maximaal 250k of
kan meer ook?
[naam 3] : Nee, maximum is echt maar 250k (…)
verdachte: [naam 3] ! Die servicekosten nekken je!
[naam 3] : Ik zei je zoek een andere stad omgeving Amsterdam. Amstelveen sorry (…) Hoeveel slaapkamer.
Op 23 september 2016 heeft [naam B.V.] , gevolmachtigd door [naam 3] , een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een appartementsrecht [adres] voor een bedrag van € 245.000,-. De levering heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2016. [31]
Op 22 december 2016 sturen verdachte en [naam 3] elkaar onder meer de volgende iMessages:
verdachte: Wanneer wil je langs notaris gaan etc?
[naam 3] : Volgend jaar maart ofzo? Maart 2017?
verdachte: Is dat nog voor die 6 maanden grens [naam 3] ?
(…)
[naam 3] : 50-50% aandelen of alleen op mama naam die aandelen?
verdachte: Leg mij even uit wat het verschil is [naam 3] met 50/50 en alleen haar naam?
[naam 3] : 50-50% is dat ik de helft van de aandelen op naam krijg. En volledig is alleen haar naam. Alleen de kans bestaat dat notaris gaat vragen waarom verkoop je woning zonder dat geld krijgt
verdachte: En wat is verstandig [naam 3] ?
[naam 3] : Z ij 50% is onopvallender. Ik zal hypotheek akte laten opstellen maar niet
Op 10 maart 2017 is [naam B.V.] . opgericht met als enig aandeelhouder en bestuurder [naam moeder verdachte] , de moeder van verdachte (hierna: moeder). Op 30 maart 2017 heeft [naam B.V.] het appartementsrecht [adres] geleverd aan [naam B.V.] . voor een bedrag van € 251.000,-. De koopsom is schuldig gebleven aan de verkoper. Er is een geldlening verstrekt voor tien jaar, tenzij deze wordt verlengd, tegen een rente van 3%. [33] Volgens de notaris, die betrokken was bij de akte van levering, wilden partijen niet dat een hypotheekakte werd opgemaakt omdat de verkoper en de koper elkaar kenden. Op handgeschreven aantekeningen met datum 28 maart 2017 ter zake van de overdracht van [naam B.V.] naar [naam B.V.] ., afkomstig van de notaris, is vermeld: “Eenvoudige geldlening. Geld komt vanuit privé van de vriend van [naam 3] , dhr. [verdachte] . Er komt op een privé-geldlening tussen de heer [verdachte] en [naam B.V.] .” [34]
Op 29 september 2017 zit verdachte gedetineerd en krijgt hij bezoek van onder andere zijn moeder. Tijdens dat gesprek zegt verdachte:
“Hij heeft de woning aan mij verkocht. () Ik moest hem nog de betaling doen. () Ik zei, het is goed, ze mogen het in beslag nemen. () Wanneer de zaak in de Rechtbank komt, in zijn boeken staat vermeld, ik moet nog geld van hem ontvangen. Het ding is van mij. (..) Anders deden ze ook mij van money laundering beschuldigen.” [35]
Moeder heeft verklaard dat zij [naam B.V.] . niet kent en daar nog nooit over heeft gehoord. Op de vraag welk beroep ze uitoefent, antwoordde zij: “Alleen thuis huishouden”. [36]
Op 25 april 2018 heeft [naam B.V.] . een recht van hypotheek verleend aan [naam B.V.] tot een totaalbedrag van € 301.200,-. Dit bedrag bestaat uit de koopsom van € 251.000,- te vermeerderen met rente, boetes en kosten begroot op
€ 502.000,-. Het onderpand is de woning aan de [adres] . [37]
Volgens de BRP waren er geen personen ingeschreven op dit adres en stond verdachte ingeschreven op het (ouderlijk) adres [adres] . [38]
Verdachte heeft ter terechtzitting van 2 februari 2026 verklaard dat hij degene is die in het appartement aan de [adres] woont. [39]
Verdachte heeft in de jaren 2012 tot en met 2014 geen legale looninkomsten gehad. [40]
Wel is verdachte op 7 december 2018 door rechtbank Amsterdam veroordeeld voor onder andere invoer van cocaïne en deelname aan een criminele organisatie met drugshandel als oogmerk. [41]
Overweging rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat verdachte de feitelijke rechthebbende is van het appartement aan de [adres] en de bijbehorende berging. Dat heeft hij immers tegen zijn moeder gezegd toen hij in detentie werd afgeluisterd ( “Het ding is van mij”). Uit de PGP-berichten blijkt dat [naam 3] een appartement zou kopen waar verdachte in zou gaan wonen en dat verdachte met [naam 3] een constructie heeft bedacht waarbij op onopvallende wijze de woning zes maanden later zou kunnen worden doorverkocht naar een bedrijf dat op naam staat van de moeder van verdachte zonder dat daarvoor geld zou worden betaald. Overeenkomstig deze constructie is het appartement met berging op 23 september 2016 door [naam B.V.] gekocht voor € 245.000,- en op 30 maart 2017 weer verkocht aan de net opgerichte [naam B.V.] ., waarvan de moeder van verdachte enig aandeelhouder en bestuurder is. De moeder van verdachte heeft echter verklaard dat zij nog nooit van [naam B.V.] . heeft gehoord. Uit de Akte van Levering blijkt dat de koopsom niet aan [naam B.V.] is betaald. Met deze constructie is voor de buitenwereld niet zichtbaar dat het appartement aan verdachte te linken is.
De rechtbank overweegt voorts dat verdachte niet over legale inkomsten beschikt die de aankoop van het appartement met bijbehorende berging kan verklaren. Daar komt bij dat verdachte in 2018 onherroepelijk is veroordeeld voor de invoer van cocaïne en deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met de invoer van harddrugs. De rechtbank neemt ook mee in haar overweging dat verdachte – blijkens de bewezenverklaring van de onder 2 tenlastegelegde voorbereiding van het liquideren van [slachtoffer] en hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen – geld verdiende met het aannemen van incasso-opdrachten in het criminele circuit.
Er is dan ook sprake van een gerechtvaardigd vermoeden dat verdachte heeft willen verhullen dat hij de feitelijke rechthebbende is van het appartement en de bijbehorende berging omdat hij het via [naam B.V.] heeft gekocht met geld dat van misdrijf afkomstig is. Dat het dossier geen geldstroom bevat tussen verdachte en [naam 3] , maakt dat oordeel tegen de achtergrond van het bovenstaande niet anders. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman op dit punt.
Verdachte heeft over de herkomst van het geld geen verklaring afgelegd.
De rechtbank concludeert dat het niet anders kan dan dat de koopsom van het appartement en berging heeft betaald met geld dat van misdrijf afkomstig is. Daarmee zijn het appartement en de berging middellijk van misdrijf afkomstig. Door te bewerkstelligen dat verdachte administratief niet aan het appartement kan worden gekoppeld, heeft verdachte verhuld dat hij de feitelijke rechthebbende van het appartement en de berging is.
Uit het gesprek dat verdachte met zijn moeder in de P.I. heeft gevoerd, maakt de rechtbank op dat de moeder van verdachte hiervan op de hoogte was. Verdachte heeft dan ook samen met [naam 3] en zijn moeder verhuld dat verdachte de rechthebbende van het appartement en de bijbehorende berging is.
Niet kan worden bewezen dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt, nu het om slechts één appartement met berging gaat. Verdachte zal dan ook voor dit strafvermeerderende onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
3.4.2.3. Bewezenverklaring feit 4: bezit vuurwapen en munitie
De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.
De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Tussen 24 juni 2015 tot en met 28 juni 2015 hebben verdachte ( [e-mailadres] ) en [naam 1] ( [e-mailadres] ) een gesprek met elkaar over een wapen, een “Tommygun”.
[naam 1] vraagt op 24 juni 20215 aan verdachte: “ Hoe veel kogels”, waarop verdachte antwoordt: “ Broer hahaha dat heb ik niet geteld! lk ga die magazijnen vullen en dan foto maken en sturen naar jou! Wat vind je ervan?”
[naam 1] antwoordt : “Broer laat me hem aub van je over nemen gekkk dat is een top werk speelgoed!!!!”
Verdachte stuurt daarop naar [naam 1] : “ Haha broer is geen probleem ! Ik heb hem voor 2200 dus jij krijgt hem ook gewoon voor 2200 zeg maar waar en wanneer die wordt opgehaald?”
[naam 1] antwoordt: “Hahaha oke dan topper ik laat je meteen weten denk maandag lag ik ophaalen bij de broo!!”
De volgende dag vraagt [naam 1] : “ Hoe groot is het eigenlijk bro of is gewoon hand pipa lijkt het. En gaan 9 min in toch”.
Verdachte antwoordt: “Broer ik ga later meetlint halen en dan even precies meten en munitie zit erbij alleen weet niet hoeveel mm ik stuur jou later al die info bro”.
Daarop vraagt [naam 1] : “Hoe heten et zij je ook al weer tommygun toch?”
Verdachte antwoordt daarop: “Ja broer klopt zo heeft die verkoper mij was gemaakt!”
Een paar uur later stuurt verdachte naar [naam 1] : “ Broer is .22”. Daarbij stuurt verdachte vier foto’s.
[naam 1] vraagt: “ En hoe veel kogels bro? Zijn wel kleine kogels man heb je wel genoeg?”
Daarop antwoordt verdachte: “ Broer 2 volle doosjes 100 kogels volgens mij! .22 heb je al die foto’s goed gezien bro?” In die ronde gaan er 100 hij ziet er wel gekkk uit elke keer als ik er naar kijk”.
Op 28 juni 2015 stuurt verdachte naar [naam 1] dat hij het wapen toch terug gaat sturen: “Broer ik stuur die wapen terug er ontbreekt een onderdeel die ze niet hebben dan weet je dat ok!” [42]
De verbalisant die de foto’s heeft bekeken heeft daarover het volgende opgemerkt:
Op foto 1 en 2 staat het wapen afgebeeld, welke door verdachte en [naam 1] wordt aangeduid als "Tommygun". Op foto 3 is het magazijn van de "Tommygun" weergegeven. Op foto 4 zijn twee doosjes met munitie te zien. Het ene doosje is van het merk CCI en bevat volgens het opschrift .22LR patronen. Het andere doosje op de foto is van het merk RWS en bevat eveneens .22LR. Foto 5 bevat het typenummer van het wapen: MGV 176. Op foto 6 is het wapennummer 354g en het kaliber .22LR weergeven.
Uit open bronnen blijkt dat een vuurwapen van het model MGV 176 volautomatisch kan schieten (vuursnelheid 1200 schoten per minuut). Het betreft hier een vuurwapen van de Categorie II (vuurwapens, geschikt om automatisch te vuren) dan wel Categorie III sub 1 (vuurwapens in de vorm van semi-automatische vuurwapens voor zover zij niet vallen onder categorie I sub 2, 3 of 6). [43]
Overweging rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad. Uit de tussen verdachte en [naam 1] gevoerde gesprekken volgt dat verdachte een wapen heeft gekocht die hij op zijn beurt voor dezelfde prijs aan [naam 1] wil doorverkopen. In het kader van die verkoop hebben verdachte en [naam 1] het erover dat verdachte niet weet hoeveel kogels de ‘ Tommygun’ heeft omdat hij ze niet heeft geteld. Hij zegt tegen [naam 1] dat hij het magazijn gaat vullen en dat hij daarna een foto zal maken en naar [naam 1] zal sturen. Die foto wordt vervolgens enige uren later aan [naam 1] gestuurd. Als [naam 1] vraagt hoe groot het wapen is, antwoordt verdachte dat hij een meetlint gaat halen om het op te meten. Verder geeft verdachte aan [naam 1] aan dat in het ronde magazijn 100 kogels gaan. [naam 1] wil het wapen laten ophalen, maar voordat dit plaatsvindt geeft verdachte aan dat er een onderdeel ontbreekt wat niet voorhanden is en hij daarom het wapen heeft teruggestuurd.
Dit gesprek is dusdanig concreet en voorzien van foto’s in reactie op vragen van [naam 1] , dat de rechtbank hieruit concludeert dat verdachte zich bewust is van de aanwezigheid van het wapen en beschikkingsmacht had over het wapen. De verklaring van verdachte dat hij het wapen niet in zijn bezit had, maakt dit oordeel niet anders. De beschikking over het wapen hoeft immers niet onmiddellijk te zijn. Ook als het wapen zich op een geheel andere plaats dan verdachte had bevonden, volgt uit voorgaande berichten dat verdachte als hij dat wilde over het wapen kon beschikken. Verdachte kon het wapen immers (laten) opmeten of (laten) versturen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee beschikkingsmacht over het wapen heeft gehad. Het verweer van de verdediging wordt ook op dit punt verworpen.
Het wapen is niet door de politie aangetroffen. Enkel aan de hand van de foto’s kan niet worden vastgesteld dat het om een volautomatisch vuurwapen gaat. Dat kan alleen tijdens een schietproef. Er kan dan ook niet worden vastgesteld onder welke categorie van de Wet Wapens en Munitie het wapen valt. Gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad is dit echter geen beletsel voor een bewezenverklaring van vuurwapenbezit, omdat daarvoor slechts van belang is dat de bestemming van het vuurwapen kan worden vastgesteld (ECLI:NL:HR:2023:936). Aan die voorwaarde is voldaan, nu het model geschikt is om (semi)automatisch mee te schieten.
De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte in totaal 100 patronen voorhanden heeft gehad. Op de doosjes patronen die verdachte naar [naam 1] heeft gestuurd staat ‘50’ en verdachte heeft tegen [naam 1] gezegd dat het gaat om “ 2 volle doosjes 100 kogels”.
4.Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
2.
in de periode van 31 januari 2015 tot en met 30 oktober 2015 in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk en met voorbedachten rade één of meer personen van het leven beroven,
opzettelijk voorwerpen en informatiedragers en vervoermiddelen, te weten
- automatische vuurwapens en
- contante geldbedrag om de voorbereiding en uitvoering van voornoemd misdrijf mee te financieren en
- telefoons voorzien van versleutelingssoftware waarmee ten behoeve van voornoemd misdrijf afgeschermd gecommuniceerd kan worden en
- peilzenders en/of bakens bestemd voor de observatie en locatiebepaling van het potentiële slachtoffer en
- een busje bestemd voor de observatie van het potentiële slachtoffer,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;
3.
in de periode van 1 december 2016 tot en met 25 april 2018 in Nederland,
tezamen met anderen zich schuldig gemaakt aan witwassen,
immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders van voorwerpen, te weten:
c) de woning op de zevende verdieping, gelegen te [adres] , kadastraal bekend gemeente Amstelveen, sectie 0, complexaanduiding 4236, appartementsindex 90,
en
d) de berging op de begane grond gelegen te [adres] , kadastraal bekend gemeente Amstelveen, sectie 0, complexaanduiding 4236, appartementsindex 120,
verhuld wie de rechthebbende op voormelde woning en berging was,
terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat deze voorwerpen – middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;
4.
in de periode van 24 juni 2015 tot en met 28 juni 2015 in Nederland,
een wapen van categorie II, onder 2 of categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistool(mitrailleur), van het merk en type Tommygun, type MGV176, kaliber .22, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren,
en
100 stuks patronen, type .22 LR van het merk CCI en RWS, zijnde munitie als
bedoeld in categorie III van de Wet Wapens en Munitie voorhanden heeft gehad.
5.De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6.De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7.Motivering van de straf
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 tot en met 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar met bevel van de gevangenneming.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de op te leggen straf rekening te houden met artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht (Sr) en met een overschrijding van de redelijke termijn. Ook heeft de raadsman verzocht er rekening mee te houden dat verdachte als gevolg van onderhavig onderzoek is geplaatst op een Afdeling voor Intensief Toezicht (AIT).
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie en zal daarom een andere straf opleggen. Over de hoogte van de straf overweegt de rechtbank in het bijzonder als volgt.
Verdachte heeft samen met anderen voorbereidingen getroffen om iemand van het leven te beroven. Moord is een van de zwaarste misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht dat ongekend leed veroorzaakt voor nabestaanden en daarnaast beroering in de samenleving teweegbrengt. Het is schokkend dat verdachte zich met dergelijk nietsontziend en bruut vuurwapengeweld bezighoudt, waarbij een mensenleven kennelijk geen of weinig waarde heeft. De rechtbank vindt dat tegen dit soort misdrijven hard moet worden opgetreden. Dit geldt ook voor de voorbereiding daarvan.
Daarnaast heeft verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en versterkt bovendien in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid, temeer aangezien vuurwapens worden gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten, zoals moord.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen van een appartement en bijbehorende berging. Witwassen op deze schaal vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank voor zover het gaat over het voorhanden hebben van het wapen met munitie en witwassen gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een pistool is vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor het bezit van 100 patronen is het oriëntatiepunt een geldboete tussen de € 420,- en € 1.200,-.
Uit de toelichting op de oriëntatiepunten voor fraudezaken blijkt dat witwassen daaronder eveneens wordt geschaard. Bij een benadelingsbedrag tussen € 250.000,- en € 500.000,- is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 12 tot 18 maanden.
Blijkens het strafblad van verdachte van 12 januari 2026 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Artikel 63 SrPro is van toepassing, omdat verdachte op 7 december 2018– zijnde ná de pleegdatum van de feiten waarvoor verdachte in onderhavige zaak wordt veroordeeld – is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaar en 5 maanden. Ook is het bepaalde in artikel 63 SrPro van toepassing vanwege de veroordeling van verdachte op 5 oktober 2016 tot een gevangenisstraf van 28 maanden. Met die veroordelingen in 2016 en 2018 moet rekening worden gehouden bij het bepalen van de straf in onderhavige zaak. De rechtbank zal moeten bepalen welke straf de rechtbank aan verdachte zou hebben opgelegd als verdachte in 2016 ook voor onderhavige feiten en de feiten van de veroordeling uit 2018 zou zijn veroordeeld.
Voor de feiten die nu bewezen verklaard worden is de hoogste strafbedreiging die voor moord, namelijk levenslang of 30 jaar gevangenisstraf.
Dat betekent dat de rechtbank in onderhavige zaak bij oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf nog ruimte heeft voor een straf van ten hoogste 14 jaar en 3 maanden.
De rechtbank houdt in strafvermeerderende zin rekening met het volgende. Verdachte heeft een strafblad waarop veroordelingen staan voor meer geweldsmisdrijven. Uit het gehele dossier komt naar voren dat verdachte al langere tijd in de criminaliteit zit. In onderhavige zaak heeft hij op professionele wijze een liquidatie voorbereid. Het gemak waarmee door verdachte over leven en dood wordt beslist, is weerzinwekkend.
Verdachte heeft hier echter geen enkele verantwoordelijkheid voor genomen: alles heeft hij weggezet als ‘grootspraak’ en alle veroordelingen zijn hem ‘overkomen’. Deze proceshouding weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee.
De rechtbank overweegt voorts dat het plegen van strafbare feiten alleen is gestopt doordat verdachte op een gegeven moment is aangehouden. De rechtbank heeft de verwachting dat verdachte weer zal beginnen met het plegen van strafbare feiten zodra hij op vrije voeten komt. Hij heeft namelijk zijn werk gemaakt van bedreigen, moorden en afrekenen. Het is verdachte zijn verdienmodel om mensen aan elkaar te koppelen om uitvoering hieraan te kunnen geven, waarbij het achterliggend motief geld of wraak is.
Nu verdachte niet in verband kan worden gebracht met de daadwerkelijke liquidatie van [slachtoffer] maar alleen voor het treffen van voorbereidingen om hem te liquideren, zal een derde in mindering gebracht worden op de straf die voor dit feit zal worden bepaald.
De rechtbank ziet verder geen omstandigheden die in strafverminderende zin moeten worden meegewogen.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar in beginsel passend en geboden is.
De rechtbank houdt er evenwel rekening mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) ruimschoots is overschreden, omdat niet binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis is gewezen. De aanvangsdatum van de redelijke termijn is daarbij bepaald op 20 februari 2019, de dag waarop verdachte voor de eerste keer is gehoord als verdachte. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim vijf jaar is overschreden. Dit levert een schendig van artikel 6 EVRMPro op, waarbij gelet op de duur van de overschrijding niet kan worden volstaan met de enkele constatering van die schending. Overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zal de rechtbank naar bevind van zaken handelen nu de overschrijding van de redelijke termijn meer dan twaalf maanden bedraagt. De strafvermindering bij een overschrijding tot 12 maanden is ongeacht de hoogte van de straf maximaal zes maanden. De rechtbank acht het dubbele van die strafvermindering, zijnde een strafvermindering van 12 maanden in dit specifieke geval passend.
Concluderend, zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstrafvoor de duur van acht jaaropleggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 PenitentiairePro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 SvPro, aan de orde is.
De rechtbank zal tevens de gevangenneming van verdachte bevelen. Het voorbereiden van medeplegen van moord, witwassen en het voorhanden hebben van een vuurwapen zijn feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. De ernstige bezwaren dat verdachte deze feiten heeft gepleegd, volgen uit dit veroordelend vonnis. Daarnaast overweegt de rechtbank dat voor zover het ziet op het voorbereiden van medeplegen van moord sprake is van een veroordeling voor een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld. Dit is een strafbaar feit dat rechtsorde ernstig schokt en voor toenemende maatschappelijke verontwaardiging zorgt. De rechtbank acht het aannemelijk dat het een publiekelijk onbehagen zal teweegbrengen als verdachte – nadat hij zijn straf waarvoor hij op dit moment van zijn vrijheid is beroofd heeft uitgezeten – op vrije voeten zal komen. Voorts geldt voor alle feiten dat de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich in de toekomst weer schuldig zal maken aan het plegen van strafbare feiten waarop een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld. Verdachte zit immers in de business die zich bezighoudt met bedreigen, moorden en afrekenen. Dit volgt uit zijn eigen verklaringen en zijn strafblad en is dus kennelijk verdachte zijn verdienmodel.
De rechtbank zal dan ook de vordering van de officier van justitie tot het bevelen van de gevangenneming toewijzen.
8.De benadeelde partijen
[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] – de twee zonen van de vermoorde [slachtoffer] – hebben zich als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd en een vordering tot immateriële schadevergoeding ingediend, ter hoogte van respectievelijk € 10.000,- en € 7.000,-.
Omdat verdachte van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van de moord op [slachtoffer] wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.
De benadeelde partijen en de verdachte zullen ieder hun eigen kosten dragen.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 46, 47, 57, 63, 289 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.
10.Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 2 bewezen geachte:
medeplegen van voorbereidingshandelingen tot medeplegen moord;
ten aanzien van het onder 3 bewezen geachte:
medeplegen van witwassen;
ten aanzien van het onder 4 bewezen geachte:
opzettelijk handelen in strijd met artikel 26 eerstePro lid van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II of III
en
opzettelijk handelen in strijd met artikel 26 lidPro eerste lid van de Wet Wapens en Munitie.