Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5930

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
13-284893-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en gelijktijdige strafovername op grond van artikel 6a OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 mei 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen een verdachte geboren in 1980 in Polen. Het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke vrijheidsstraf van acht maanden opgelegd door het District Court in Szubin.

De rechtbank constateerde dat de verdachte op de hoogte was van de procedure en dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro, die ziet op het ontbreken van persoonlijke verschijning bij het buitenlandse proces, niet werd toegepast vanwege de aanwezigheid van de verdachte bij een zitting en correcte adrescommunicatie. Vervolgens werd onderzocht of de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing was, die ziet op langdurig verblijf en duurzame banden met Nederland.

Uit de stukken bleek dat de verdachte ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleef en dat hij zijn verblijfsrecht niet zou verliezen door de straf. De rechtbank concludeerde dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kon worden overgenomen, mede vanwege de economische en sociale banden van de verdachte met Nederland. Op basis van het arrest van het Hof van Justitie van de EU werd bevestigd dat toestemming van de uitvaardigende lidstaat was verkregen.

De rechtbank besloot daarom de overlevering te weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland te bevelen, inclusief de gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering aan Polen en beveelt gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-284893-25
Datum uitspraak: 4 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 26 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 juni 2022 door
the Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij, advocaat te Hoofddorp en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Szubinvan 18 september 2019 met kenmerk II K 416/18.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. De opgeëiste persoon is bij één van de zittingen in de procedure aanwezig geweest en heeft een oproep voor de procedure ontvangen op het door hem opgegeven adres. De opgeëiste persoon heeft een adres-instructie ontvangen waarin hij is gewezen op de gevolgen van het niet doorgeven van adreswijzigingen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure. Uit de aanvullende informatie van 13 april 2026 blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon op 9 januari 2019 aanwezig is geweest bij één van de zittingen. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek het adres
[correspondentieadres]opgegeven als correspondentieadres en een adres-instructie ondertekend op 11 juni 2018. Daarbij is de opgeëiste persoon gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de consequenties van het niet nakomen van die verplichting. De oproepingen voor de zittingen zijn volgens de aanvullende informatie naar voormeld adres verstuurd. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot brieven die op zijn correspondentieadres bezorgd werden, terwijl zorgvuldigheid van hem verwacht mocht worden aangezien hij er redelijkerwijs rekening mee moest houden dat er een procedure zou volgen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro.

4.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon in de periode van 25 maart 2019 tot en met 25 maart 2024 in Nederland aanzienlijk meer inkomsten heeft genoten uit werk dan de bijstandsnorm. Dit blijkt onder meer uit de verklaringen geregistreerd inkomen, belastingaanslagen, het UWV-arbeidsverleden en jaaropgaves die door de opgeëiste persoon zijn overgelegd. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet alleen dat hij in deze periode reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht, maar ook dat hij in deze periode ononderbroken in Nederland heeft verbleven. De opgeëiste persoon is weliswaar pas sinds 16 december 2021 op een Nederlands adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), maar uit jaaropgaves blijkt dat de opgeëiste persoon in de periode daarvoor woonachtig was op verschillende andere adressen in Nederland. Daar komt bij dat de opgeëiste persoon, gelet op de hoeveelheid aan gewerkte uren per jaar die blijkt uit het overgelegde UWV-overzicht, daadwerkelijk in Nederland moet hebben verbleven in bovengenoemde periode. Daarmee stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon in ieder geval vanaf 25 maart 2024 duurzaam verblijfsrecht had in Nederland. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat hij het duurzaam verblijfsrecht vervolgens is kwijtgeraakt.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. In de brief van de IND van 13 mei 2026 staat dat de heer [opgeëiste persoon] zijn verblijfsrecht niet verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 4 weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgten.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale, culturele, sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Op 4 september 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) arrest gewezen in de zaak
C.J. [5] In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Het betreft de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 30 september 2025 [6] heeft overwogen volgt uit het arrest van het HvJ EU - kort samengevat - dat toestemming van de beslissingsstaat is vereist voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen. Die toestemming wordt uitgedrukt door toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd.
In deze zaak zijn op 18 mei 2026 het certificaat en het veroordelende vonnis van
the District Court in Szubinvan 18 september 2019 met kenmerk II K 416/18 ontvangen. Dit betekent dat de uitvaardigende lidstaat als beslissingsstaat toestemming heeft gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 6a, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division,Polen
..
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van
[opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. de Bie en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (