Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6075

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
C/13/769866
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:400 BWArt. 7:401 BWArt. 7:408 lid 1 BWArt. 6:52 BWArt. 6:74 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling managementvergoeding en lening na beëindiging managementovereenkomst

Partijen sloten op 1 april 2024 een managementovereenkomst en een geldleningsovereenkomst. 212 verrichtte werkzaamheden voor DPO, die zij later op 1 november 2024 opzegde zonder de opzegtermijn van twee maanden in acht te nemen.

212 vorderde betaling van openstaande managementvergoedingen en terugbetaling van de lening met rente. DPO stelde dat 212 tekortgeschoten was in de nakoming en onrechtmatig had gehandeld, waardoor zij de overeenkomst mocht ontbinden en betaling mocht opschorten.

De rechtbank oordeelde dat de managementovereenkomst een inspanningsverplichting betrof en dat 212 haar zorgplicht niet had geschonden. De opzegging door DPO was rechtsgeldig maar zonder inachtneming van de opzegtermijn, waardoor betaling over november en december 2024 werd afgewezen. De vorderingen van 212 voor de periode mei tot oktober 2024 en de lening met rente werden toegewezen.

De vorderingen van DPO tot schadevergoeding en opheffing van beslag werden afgewezen, behalve dat het beslag op de bankrekening nietig werd verklaard wegens procedurefout. DPO werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: DPO wordt veroordeeld tot betaling van managementvergoeding en lening met rente, vorderingen tot schadevergoeding en opheffing beslag worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/769866 / HA ZA 25-1098
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
212 HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: 212,
advocaat: mr. E.J. Loor,
tegen
DPO ONE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: DPO,
advocaat: mr. N. Overeem.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 april 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, van 27 augustus 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie van 22 oktober 2025, met producties,
- het tussenvonnis van 26 november 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 maart 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 1 april 2024 hebben partijen een overeenkomst (hierna: de managementovereenkomst) gesloten, op basis waarvan 212 werkzaamheden voor DPO heeft verricht. DPO is een onderneming die zich bezighoudt met het ontwikkelen, produceren en uitgeven van software en overige dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatietechnologie en dataprivacy. In de managementovereenkomst is – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen:

(..)
Artikel 1 De Pro opdracht
1.1.
Opdrachtnemer verplicht zich voor de duur van de overeenkomst de navolgende werkzaamheden te verrichten;
Als algemeen directeur,
1.
Verantwoordelijk voor de groei van het bedrijf, het identificeren van nieuwe zakelijke kansen, het opbouwen van sterke relaties met klanten en partners
2.
Het creëren en uitvoeren, met het technische team, van de technische roadmap
3.
Verbetering van het partnermodel
4.
Uitbreiding van het netwerk van verkooppartners
5.
Verbetering van de prijsstrategie
Artikel 2 Uitvoering Pro van de opdracht
(..)
2.4.
Opdrachtnemer is bij het uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden geheel zelfstandig. Hij verricht de overeengekomen werkzaamheden naar eigen inzicht en zonder toezicht of leiding van Opdrachtgever. Opdrachtgever kan wel aanwijzingen en instructies geven omtrent het resultaat van de opdracht.
Artikel 3 Duur Pro van de overeenkomst
3.1.
De opdracht vangt aan op 1 april 2024 en is voor onbepaalde tijd. Beëindiging is mogelijk door beide partijen met in achtneming van een opzegtermijn van twee (2) maanden.
(..)
Artikel 4 Nakoming Pro en vervanging
4.1.
Indien de Opdrachtnemer op enig moment voorziet dat hij de verplichtingen, niet tijdig of niet naar behoren kan nakomen, dan dient de Opdrachtnemer de Opdrachtgever hiervan onmiddellijk op de hoogte te stellen. In het geval dat dit voorkomt heeft opdrachtnemer geen recht op vergoedingen.
(..)
Artikel 6 Vergoeding Pro, facturering en betaling
6.1.
Opdrachtgever betaalt Opdrachtnemer € 400,- (zegge vierhonderd) per dag exclusief BTW met een maximum van € 8.000,- exclusief BTW (zegge achtduizend) per maand.
6.2.
Opdrachtnemer zal voor de verrichte werkzaamheden aan Opdrachtgever een factuur (doen) zenden. De factuur zal voldoen aan de wettelijke vereisten.
6.3.
Opdrachtgever betaalt het gefactureerde bedrag aan Opdrachtnemer binnen 28 dagen na ontvangst van de factuur.
(..)
Artikel 7 Provisie Pro/bonus en commissie
7.1.
Indien Opdrachtnemer op de peildatum 6 (zes) maanden na tekening van deze overeenkomst een gefactureerde omzet weet te realiseren van € 150.000,-, zal Opdrachtgever Opdrachtnemer een bonus van € 15.000,- (zegge vijftienduizend) toekennen en deze na facturatie binnen 28 dagen betalen. (..)
2.2.
Ook op 1 april 2024 hebben partijen een
convertible loan agreement(hierna: de geldleningsovereenkomst) gesloten. In de geldleningsovereenkomst is – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen:
“(..)

DPO ONE wishes to borrow from the Lender and the Lender wishes to lend to DPO ONE an amount of EUR 60.000,- (thePrincipal Amount) in the form of a convertible loan (theLoan) under the terms and conditions of this convertible loan agreement (theAgreement)
(..)
1. Definitions
(..)
Interest Rate:
An interest at a rate of six per cent (6.0 %) per annum compounded annually (365-day basis). To be calculated as of the Loan Date;
(..)
4 Maturity Date
(..)
4.4
In the event that the Management Agreement between DPO-One and the lender is terminated by DPO-One, the loan and accrued interest will become immediately due and payable by DPO-One.
(..)
2.3.
In april 2024 is 212, in de persoon van haar statutair bestuurder en enig aandeelhouder de heer [naam 1] , gestart met het uitvoeren van de werkzaamheden. Gedurende de samenwerking hadden partijen veelvuldig contact. Zo vonden er eerst dagelijks, maar later in de samenwerking een aantal keer per week gesprekken (door partijen ook wel aangeduid als “
dailies”) tussen partijen plaats. Daarnaast hadden partijen op regelmatige basis contact via Whatsapp.
2.4. 212
rapporteerde via Whatsapp aan DPO over haar werkzaamheden, zo bijvoorbeeld op 11 juli 2024. Tussen partijen werden toen – voor zover hier relevant – de volgende berichten uitgewisseld:
“(..)
11-07-2024 12:28 - [naam 2] : Updateje. We worden geïntroduceerd bij T-systems Digital in NL en Duitsland. Dit is een onderdeel van Deutsche Telekom. Gdpr staat op hun prioriteiten lijst. Ik coördineer dit met mijn contact by T en volg het op met onze Telecom koning uit de Archipel
(..)
11-07-2024 12:29 - [naam 3] : Well done!
(..)”
2.5. 212
factureerde voor haar werkzaamheden in mei 2024 tot en met oktober 2024 maandelijks een bedrag van € 9.680,00 (inclusief btw) aan DPO. De statutair bestuurder van DPO, de heer [naam 3] , liet in de periode van 28 juni 2024 tot 16 oktober 2024 meermaals aan 212 weten tot betaling van de facturen over te zullen gaan.
2.6.
Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan over de betaling van de facturen en de door 212 verrichte werkzaamheden.
2.7.
Op 1 november 2024 heeft DPO per e-mail – voor zover hier relevant – het volgende aan 212 laten weten:
“ (..)
Terugkomend op ons gesprek van eerder deze week, waarin wij je toe gezegd hebben voor het weekend met een voorstel te komen voor de beëindiging van de samenwerking, sturen wij je bij deze onze herziene voorstel.
(..)
Onze huidige positie is dat wij compensatie vragen van 212 Holding voor de wanprestatie van jou als haar vertegenwoordiger.
(..)
Kortom door deze niet invulling van de opdracht door jou -we kunnen niet eens spreken van een verkeerde invulling- heeft DPO-One schade geleden en willen deze ook op 212 holding verhalen.
Bij deze weigeren de gestuurde facturen te betalen en schatten onze schade op € 30.000,- euro en zullen dat inhouden op terugbetaling van de lening.”
2.8.
Na de e-mail van 1 november 2024 heeft 212 geen werkzaamheden meer voor DPO uitgevoerd.
2.9. 212
heeft DPO op 8 november 2024 gesommeerd om over te gaan tot betaling van de openstaande facturen ter hoogte van € 48.400,00 (te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 juli 2024) en om te bevestigen dat de managementvergoedingen over de maanden november en december 2024 tijdig zullen worden voldaan.
2.10.
Toen betaling uitbleef, heeft 212 op 6 januari 2025 een verzoekschrift ingediend tot faillietverklaring van DPO. De rechtbank heeft dit verzoek op 11 februari 2025 afgewezen omdat niet summierlijk is gebleken van het bestaan van (een) steunvordering(en), zoals wel is vereist op grond van artikel 6 lid 3 van Pro de Faillissementswet.
2.11.
Op 28 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter 212 verlof verleend voor het leggen van conservatoir beslag. Op 28 maart 2025 en 1 april 2025 heeft 212 vervolgens conservatoir beslag gelegd onder ABN AMRO B.V. op de bankrekening van DPO. Daarnaast heeft 212 op 4 april 2025 conservatoir beslag gelegd op de auteursrechten die rusten op het Software as Service-systeem van DPO. Hierna is 212 deze procedure gestart.

3.Het geschil

in conventie
3.1. 212
vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
DPO veroordeelt tot betaling van € 74.002,91 uit hoofde van de managementovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding;
DPO veroordeelt tot betaling van € 63.600,00 uit hoofde van de geldleningsovereenkomst, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf de dag van dagvaarding;
DPO veroordeelt in de proceskosten, daaronder begrepen de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding.
3.2. 212
legt het volgende aan de vorderingen ten grondslag.
De managementovereenkomst
Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten op basis waarvan 212 werkzaamheden verrichtte voor DPO, tegen een managementvergoeding van € 400,00 per dag met een maximum van € 8.000,00 per maand. Aangezien partijen een opzegtermijn van twee maanden zijn overeengekomen en DPO de managementovereenkomst op 1 november 2024 heeft opgezegd, is de managementovereenkomst op 1 januari 2025 beëindigd. Nu DPO tot op heden enkel de factuur van mei 2024 heeft voldaan (en de werkzaamheden in april 2024 niet in rekening zijn gebracht), is zij nog betaling aan 212 verschuldigd voor de periode van juni 2024 tot en met december 2024, wat inclusief btw en de wettelijke handelsrente tot de dag van dagvaarding neerkomt op een bedrag van € 74.002,91.
De geldleningsovereenkomst
Daarnaast hebben partijen een geldleningsovereenkomst gesloten, op grond waarvan 212 een bedrag ter hoogte van € 60.000,00 aan DPO heeft geleend. Ten aanzien van de geldlening hebben partijen afgesproken dat de lening terstond opeisbaar zou worden op het moment dat DPO de managementovereenkomst zou beëindigen, hetgeen op 1 november 2024 is gebeurd. Omdat DPO haar terugbetalingsverplichting tot vandaag de dag niet is nagekomen, dient zij naast de lening de contractuele rente van 6% per jaar over het geleende bedrag te betalen, wat tot en met 9 april 2025 in totaal neerkomt op € 63.600,00.
3.3.
DPO voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van 212, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van 212, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren
veroordeling van 212 in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. DPO voert daartoe aan dat 212 is tekortgeschoten in de nakoming van de managementovereenkomst (zie eis in reconventie). Op grond van die tekortkoming heeft DPO de managementovereenkomst op 1 november 2024 ontbonden. Daarom hoeft DPO de (resterende) facturen van 212 niet te voldoen en heeft zij een schadevergoedingsvordering. DPO beroept zich op opschorting van haar verplichting tot terugbetaling uit hoofde van de geldleningsovereenkomst totdat haar schadevergoedingsvordering is betaald (artikel 6:52 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)).
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
DPO vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat 212 ten opzichte van DPO toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de managementovereenkomst en daarnaast onrechtmatig heeft gehandeld jegens DPO;
II. 212 veroordeelt tot betaling van de door DPO geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. 212 veroordeelt tot opheffing van de door haar gelegde beslagen binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat 212 daarmee in gebreke blijft en 212 verbiedt opnieuw beslag te leggen in de ruimste zin;
IV. 212 veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na dit vonnis.
3.6.
DPO legt aan haar vorderingen ten grondslag dat 212 toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de managementovereenkomst, omdat zij niet heeft gehandeld als een goed opdrachtnemer in de zin van artikel 7:401 BW Pro. 212 heeft namelijk geen van de verplichtingen die zij met de managementovereenkomst op zich heeft genomen weten te realiseren, terwijl de managementovereenkomst (gedeeltelijk) kan worden gekwalificeerd als een resultaatsverbintenis. Daarnaast heeft 212 op geen enkele manier inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden zij heeft verricht. De werkzaamheden die wél zijn verricht, zijn ondeugdelijk uitgevoerd. DPO heeft daar tijdig over geklaagd. Bovendien heeft 212 daarnaast onrechtmatig jegens DPO gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW Pro. Als gevolg van de tekortkoming en de onrechtmatige gedraging van 212 lijdt DPO schade, die zij voorlopig begroot op € 30.000,00. Tot slot heeft DPO er belang bij dat het beslag op haar bankrekening alsook op de auteursrechten wordt opgeheven, nu dit haar belemmert in haar bedrijfsvoering en zij hierdoor ernstige schade kan lijden.
3.7. 212
voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van DPO. 212 voert daartoe aan dat DPO haar klachtplicht (artikel 6:89 BW Pro) heeft geschonden, zodat de vorderingen van DPO alleen al om die reden moet worden afgewezen. Verder heeft 212 haar verplichtingen – die inspanningsverplichtingen betroffen – in lijn met de managementovereenkomst uitgevoerd, zodat van een tekortkoming of onrechtmatig handelen aan de zijde van 212 geen sprake is. DPO kon de managementovereenkomst dus ook niet ontbinden. Daarnaast heeft DPO nooit een redelijke termijn voor herstel geboden. Nu de vorderingen van DPO in reconventie moeten worden afgewezen en het beslag strekt tot zekerheid ten aanzien van de vorderingen in conventie, heeft 212 er belang bij dat het beslag voortduurt.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en die in reconventie, worden deze vorderingen gezamenlijk behandeld.
Inspanningsverplichting versus resultaatsverplichting
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat de managementovereenkomst is te kwalificeren als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW Pro. Evenmin is in geschil dat de door 212 uit te voeren werkzaamheden in artikel 1.1. van de managementovereenkomst zijn vastgelegd (zie 2.1). Wat partijen verdeeld houdt, is of ten aanzien van die werkzaamheden een inspanningsverplichting of een resultaatsverplichting op 212 rustte. In dit kader wordt het volgende overwogen.
4.3.
Voor het antwoord op de vraag of op de opdrachtnemer een inspannings- of resultaatsverplichting rust, is de uitleg van de overeenkomst doorslaggevend. [1] Die uitleg hangt af van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf).
4.4.
Weliswaar hebben partijen een opsomming van de uit te voeren werkzaamheden in de managementovereenkomst opgenomen, maar daaruit is niet af te leiden dat 212 zich heeft verbonden tot het bereiken van een bepaald resultaat. Eerder bevat artikel 1.1. van de managementovereenkomst naar het oordeel van de rechtbank een opsomming van algemene doelstellingen. Gesteld noch gebleken is dat partijen concrete afspraken hebben gemaakt over wanneer die doelstellingen zouden zijn behaald (bijvoorbeeld door daar een termijn of een bepaald bedrijfsresultaat aan te verbinden). Dat partijen in artikel 7.1. van de managementovereenkomst een bonusregeling zijn overeengekomen, maakt nog niet dat 212 daarmee de verplichting op zich heeft genomen een omzet te realiseren van € 150.000,00, maar onderstreept juist dat sprake is van een inspanningsverplichting. Partijen hebben immers afgesproken dat, onafhankelijk van de gerealiseerde omzet, maandelijks gefactureerd zou worden voor de werkzaamheden. Daarbij is van belang dat de aard van de overeengekomen werkzaamheden er ook niet op wijzen dat van een resultaatsverbintenis sprake zou zijn, nu het resultaat van die werkzaamheden sterk afhankelijk is van factoren die geheel buiten de invloedsfeer van 212 liggen. Dat geldt eveneens voor de werkzaamheden ten aanzien van “
het creëren en uitvoeren, met het technische team, van de technische roadmap”. DPO heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat partijen een resultaatsverbintenis zijn overeengekomen.
4.5.
Het voorgaande maakt dat 212 er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de in artikel 1.1. van de managementovereenkomst neergelegde verplichting tot het verrichten van de daarin genoemde werkzaamheden een inspanningsverplichting betrof. Dat 212 de in de managementovereenkomst vervatte doelstellingen (zoals groei van het bedrijf) gedurende de beperkte duur van de managementovereenkomst (circa 6 maanden) niet heeft gerealiseerd, betekent dan ook niet dat zij daarmee is tekortgeschoten in de nakoming van de managementovereenkomst.
Wanprestatie
4.6.
Vervolgens dient de vraag zich aan of 212 zich voldoende heeft ingespannen. Zoals door DPO terecht is gesteld, is in dit kader ook van belang of 212 bij het uitvoeren van de werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen (artikel 7:401 BW Pro). Beoordeeld moet worden of 212 heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in gelijke omstandigheden kan worden verwacht. Wat in een concreet geval van de opdrachtnemer kan worden verwacht, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de inhoud van de opdracht, de positie van de opdrachtnemer en de aard en de ernst van de betrokken belangen. [2]
4.7.
Ter onderbouwing van haar stelling dat 212 voormelde zorgplicht heeft geschonden, voert DPO allereerst aan dat 212 vrijwel geen werkzaamheden heeft verricht. Dit heeft zij opgemaakt uit de mailbox van [naam 1] , waarin volgens DPO slechts enkele e-mails werden aangetroffen. Deze stelling van DPO wordt echter weerlegd in de stukken. Uit de uitdraai van de agenda van [naam 1] blijkt dat hij wekelijks meerdere afspraken had. Verder blijkt uit de overgelegde e-mails die door [naam 1] (zowel vanuit zijn DPO-account als een ander e-mailadres) zijn gezonden en uit de overgelegde Whatsapp-berichten dat 212 wel degelijk invulling heeft gegeven aan de opgedragen werkzaamheden.
4.8.
De verdere klachten van DPO zien op de kwaliteit en het resultaat van de werkzaamheden. Zij voert daartoe aan dat vanwege het uitgebreide cv van [naam 1] met vaardigheden op het gebied van ‘strategische groei en
international sales and business development’dat 212 voorafgaand aan het sluiten van de managementovereenkomst aan DPO heeft gepresenteerd en de hoge managementvergoeding die 212 voor haar diensten ontving, er hoge eisen mochten worden gesteld aan de kwaliteit van de werkzaamheden die 212 uitvoerde. Aan die eisen heeft 212 niet voldaan, nu 212 het product niet doorgrondde en beheerste, geen
leadsbinnenhaalde en bij het benaderen van sportfederaties enkel standaardmails naar algemene mailadressen heeft gestuurd. Daarmee heeft 212 niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht genomen, wat een tekortkoming in de nakoming van de managementovereenkomst oplevert, aldus DPO.
212 betwist dat van enige tekortkoming sprake is, nu zij heeft gedaan wat er op grond van de managementovereenkomst van haar kon worden verwacht. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft 212 een lijst in het geding gebracht met partijen die zij in het kader van haar opdracht heeft benaderd om de dienstverlening van DPO onder de aandacht te brengen. 212 heeft e-mails aan enkele partijen van die lijst bij de stukken gevoegd. Daarbij heeft 212 nog toegelicht dat een aantal van die contacten hebben geleid tot persoonlijke meetings en tot concrete aanvragen en samenwerkingen, maar dat de interesse in de software van DPO uiteindelijk bleek tegen te vallen. Ten aanzien van de managementvergoeding heeft 212 naar voren gebracht dat de vergoeding van € 400,00 per dag gelet op haar werkervaring en achtergrond juist een gematigd tarief was. Over de e-mails aan de sportbonden heeft 212 tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de sportbonden niet tot haar netwerk behoorden, nu zij zich voornamelijk focust op internationaal opererende adviespartijen. Bij gebrek aan een contactpersoon, heeft zij de e-mails daarom aan de algemene mailadressen van de sportbonden gestuurd.
4.9.
Tegenover de gemotiveerde betwisting van 212 heeft DPO haar stelling naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat DPO gedurende de opdracht – ondanks de
dailies– nooit te kennen heeft gegeven dat de kwaliteit of het door 212 behaalde resultaat onvoldoende zou zijn. Integendeel, uit de Whatsappcorrespondentie die 212 in het geding heeft gebracht blijkt dat 212 juist positieve feedback kreeg op haar werkzaamheden. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat 212 onvoldoende professioneel heeft gehandeld dan wel anderszins haar zorgplicht in de zin van artikel 7:401 BW Pro heeft geschonden. Voor zover DPO betoogt dat 212 door het niet specificeren van haar facturen is tekortgeschoten in de nakoming van artikel 6.2 van de managementovereenkomst, deelt de rechtbank het standpunt van 212 dat de overgelegde facturen voldoen aan de wettelijke vereisten. Aangezien geen sprake is van een tekortkoming van 212, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van de vraag of DPO tijdig heeft geklaagd.
De managementvergoeding
4.10.
Nu niet is komen vast te staan dat 212 is tekortgeschoten in de nakoming van de managementovereenkomst, was er voor DPO geen grond om de managementovereenkomst te ontbinden (nog daargelaten of de brief van 1 november 2024 als een ontbindingsverklaring kan worden aangemerkt). Met 212 is de rechtbank van oordeel dat de brief van 1 november 2024 kwalificeert als een opzegging van de managementovereenkomst, waartoe DPO als opdrachtgever op grond van de wet (artikel 7:408 lid 1 BW Pro), maar ook op grond van artikel 3.1. van de managementovereenkomst bevoegd was. DPO heeft daarbij niet de overeengekomen opzegtermijn van twee maanden in acht genomen. 212 stelt zich op het standpunt dat de managementovereenkomst tussen partijen daarom pas met ingang van 1 januari 2025 is beëindigd en DPO tot die tijd haar verplichtingen had moeten nakomen, te weten: het betalen van de managementvergoeding. Tussen partijen staat niet ter discussie dat 212 vanaf 1 november 2024 geen werkzaamheden meer voor DPO heeft uitgevoerd. Ook is niet gebleken dat 212 na 1 november 2024 nog facturen aan DPO heeft gestuurd. Desalniettemin heeft 212 de managementvergoeding over de periode van 1 november 2024 tot 1 januari 2025 niet gevorderd in het kader van schadevergoeding, maar op grond van nakoming. Dit terwijl de managementovereenkomst – weliswaar zonder inachtneming van de opzegtermijn – al per 1 november 2024 was geëindigd. Dit leidt tot de conclusie dat de vordering van 212, voor zover die ziet op betaling van de managementvergoeding voor de periode na 1 november 2024, moet worden afgewezen. Ten aanzien van de managementvergoeding voor de periode van mei 2024 t/m oktober 2024 overweegt de rechtbank als volgt.
4.11.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij zijn overeengekomen dat 212 voor haar werkzaamheden een managementvergoeding zou ontvangen van € 400,00 per dag, met een maximum van € 8.000,00 per maand. Waar partijen het echter over oneens zijn, is het aantal uur dat 212 aan haar werkzaamheden voor DPO moest besteden om recht te hebben op de dagvergoeding van € 400,00. Daarnaast betwist DPO dat 212 in de maanden mei 2024 t/m oktober 2024 steeds recht zou hebben op de maximale managementvergoeding, nu 212 niet al die maanden twintig dagen voor DPO zou hebben gewerkt.
4.12.
Ook de vraag wat partijen zijn overeengekomen ten aanzien van de verschuldigdheid van de managementvergoeding, moet worden beoordeeld aan de hand van de Haviltex-maatstaf.
4.13.
DPO stelt zich op het standpunt dat artikel 6.1. van de managementovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat er ten minste vier tot vijf uur aan werk voor DPO moest zijn besteed om recht te hebben op de dagvergoeding van € 400,00. Dat volgt niet direct uit de tekst van de managementovereenkomst, nu daarin niet expliciet is vastgelegd dat 212 een bepaald aantal uur per dag aan de werkzaamheden voor DPO moest besteden. Partijen hebben in de managementovereenkomst juist het volgende opgenomen: “
Opdrachtnemer is bij het uitvoeren van de werkzaamheden geheel zelfstandig. Hij verricht de overeengekomen werkzaamheden naar eigen inzicht en zonder toezicht of leiding van de opdrachtgever”. Dit impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat partijen de uitvoering van de werkzaamheden niet hebben willen laten afhangen van een precies aantal arbeidsuren, maar daarin juist een grote mate van vrijheid voor de opdrachtnemer hebben beoogd. Daar komt nog bij dat uit de Whatsapp-correspondentie tussen partijen blijkt dat DPO de facturen van 212 nooit heeft betwist. Sterker nog, zij heeft steeds aangegeven de facturen te betalen. Het voorgaande maakt dat DPO haar stelling dat artikel 6.1. van de managementovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat 212 enkel recht zou hebben op een dagvergoeding van € 400,00 als 212 die dag vier tot vijf uur aan de werkzaamheden voor DPO had besteed, onvoldoende heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft 212 voldoende aangetoond dat zij op dagelijkse basis werkzaamheden voor DPO heeft verricht. Daarmee heeft 212, nu DPO de managementvergoeding van mei 2024 reeds heeft voldaan en de werkzaamheden in april 2024 niet in rekening zijn gebracht, nog recht op betaling van de volledige managementvergoeding (inclusief btw) voor de maanden juni 2024 t/m oktober 2024. Dit komt neer op een bedrag van € 48.400,00 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) vanaf 28 dagen na de factuurdatum van de verschillende facturen.
4.14.
DPO heeft verder nog aangevoerd dat artikel 4.1. van de managementovereenkomst in de weg staat aan enige betaling aan 212. Volgens DPO volgt daaruit namelijk dat de opdrachtnemer geen recht heeft op enige vergoeding, als hij voorziet dat hij zijn verplichtingen niet tijdig of niet behoorlijk kon nakomen, maar daar geen melding van maakt bij de opdrachtgever. Daargelaten of sprake is van een situatie waarin 212 haar verplichtingen niet naar behoren kon nakomen (zie 4.6 t/m 4.9), kan artikel 4.1. naar het oordeel van de rechtbank ook niet op de door DPO voorgestane wijze worden begrepen. Zoals door 212 terecht is aangevoerd, ligt het niet voor de hand dat partijen met artikel 4.1. hebben beoogd iedere vermeende tekortkoming direct in de risicosfeer van 212 te brengen. Eerder lijkt dit artikel te zijn bedoeld voor een situatie waarin 212 haar verplichtingen niet tijdig of niet behoorlijk zou kunnen nakomen, bijvoorbeeld vanwege ziekte of andere verhindering. Niet is gebleken dat een dergelijke situatie zich heeft voorgedaan, zodat het beroep van DPO op artikel 4.1. niet opgaat.
Onrechtmatige daad
4.15.
Verder stelt DPO zich op het standpunt dat 212 onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door moedwillig haar werkwijze te verhullen, door haar gewerkte uren niet in het Zoho CRM-systeem te registreren, aanwijzingen daartoe van DPO niet op te volgen, uren te declareren die niet lijken te stroken met de werkelijkheid en door zonder steunvordering een faillissementsverzoek in te dienen. Met 212 is de rechtbank van oordeel dat van onrechtmatig handelen aan de zijde van 212 geen sprake is. In dit kader wordt het volgende overwogen.
4.16.
De in artikel 6:74 BW Pro geregelde aansprakelijkheid wegens een toerekenbare tekortkoming door een schuldenaar van een op hem rustende contractuele verbintenis is een bijzondere regeling die in beginsel voorgaat op de in artikel 6:162 BW Pro geregelde aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad. Een handeling die wanprestatie oplevert kan slechts tevens als een onrechtmatige daad worden beschouwd wanneer onafhankelijk van de toerekenbare tekortkoming sprake is van een onrechtmatige daad, terwijl die onrechtmatige daad wel verband houdt met de contractuele verhouding.
4.17.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat 212, ondanks dat DPO daar wel om heeft verzocht, geen uren in het Zoho CRM-systeem heeft geregistreerd. DPO heeft echter op geen enkele wijze toegelicht dat dit handelen, ook los van de contractuele verhouding, in strijd zou zijn met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Zoals hiervoor onder 4.13 overwogen, is niet komen vast te staan dat 212 haar werkzaamheden onjuist heeft gefactureerd, zodat ook dat geen onrechtmatige daad kan opleveren. Ten aanzien van het faillissementsverzoek heeft 212 toegelicht dat zij op het moment van indiening van het verzoek in de veronderstelling verkeerde dat sprake was van een steunvordering, maar pas tijdens de faillissementszitting bleek dat die vordering niet meer bestond omdat DPO met de betreffende schuldeiser een vaststellingsovereenkomst had gesloten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft DPO hier nog tegenin gebracht dat 212 de partij met de gepretendeerde steunvordering kende en het bestaan van de vordering had moeten verifiëren. DPO heeft echter niet onderbouwd dat er op het moment van het faillissementsverzoek al geen steunvordering meer bestond of dat 212 daarvan op de hoogte was. Daarmee is niet komen vast te staan dat de faillissementsaanvraag was gebaseerd op onjuiste feiten en is ook om die reden van een onrechtmatige gedraging aan de zijde van 212 geen sprake.
De geldleningsovereenkomst
4.18.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is niet komen vast te staan dat DPO een vordering heeft op 212. Dat betekent dat DPO haar verplichtingen op grond van de geldleningsovereenkomst niet mocht opschorten. Tussen partijen is niet in geschil dat de lening van 212 aan DPO ter hoogte van € 60.000,00 op grond van artikel 4.4. van de geldleningsovereenkomst op 1 november 2024 opeisbaar is geworden. DPO heeft niet betwist dat het door 212 gevorderde bedrag het correcte bedrag is en dat zij daarover een contractuele rente van 6% per jaar verschuldigd is. De rechtbank zal de vordering van 212 tot betaling van het bedrag van € 63.600,00, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf de dag van dagvaarding (11 april 2025) dan ook toewijzen.
De beslagen
4.19.
DPO vordert in reconventie dat 212 op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld de beslagen op te heffen en dat 212 wordt verboden verdere beslagen te leggen. 212 heeft onder meer conservatoir beslag gelegd onder ABN AMRO B.V. op de bankrekening van DPO. Dit beslag moet nietig worden geacht, nu gesteld noch gebleken is dat de dagvaarding aan ABN AMRO B.V. is betekend binnen de termijn van acht dagen, hetgeen ingevolge 721 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op straffe van nietigheid is voorgeschreven.
4.20. 212
heeft ook conservatoir beslag gelegd onder DPO, namelijk op de auteursrechten op het Software as Service-systeem DPO-One. Naar het oordeel van de rechtbank heeft 212, gelet op de vorderingen die zij op DPO heeft, een in rechte te respecteren belang bij het handhaven van dit beslag. De verklaring van DPO tijdens de mondelinge behandeling dat er vanwege de huidige kaspositie geen mogelijkheid is om 212 te betalen, onderstreept dit belang. De vordering van DPO tot opheffing van het beslag zal dus worden afgewezen.
Conclusie
4.21.
De conclusie van het voorgaande is dat niet is gebleken dat 212 is tekortgeschoten in de nakoming van de managementovereenkomst of dat zij onrechtmatig jegens DPO heeft gehandeld. DPO moet de volledige managementvergoeding over de maanden juni 2024 tot en met oktober 2024 aan 212 betalen en de geldlening (vermeerderd met de contractuele rente) aan 212 terugbetalen. Dit maakt dat de vorderingen in conventie grotendeels zullen worden toegewezen en de vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen.
Beslagkosten
4.22. 212
vordert DPO te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is op grond van het bepaalde in artikel 706 Rv Pro jo. 721 Rv enkel toewijsbaar voor de kosten van het beslag op de auteursrechten op het Software as Service-systeem DPO-One, namelijk € 307,48 aan explootkosten en € 714,00 aan griffierecht, in totaal € 1.021,48. Voor het overige zal de vordering tot betaling van de beslagkosten worden afgewezen.
4.23.
De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten in conventie
4.24.
DPO is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in conventie betalen. De proceskosten van 212 worden tot dit vonnis begroot op € 119,40 aan kosten van de dagvaarding, € 6.147,00 aan griffierecht en € 4.102,00 aan salaris advocaat (2 punten, tarief V) en € 189,00 aan nakosten, in totaal € 10.557,40.
4.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten in reconventie
4.26.
DPO is in het ongelijk gesteld en moet daarom ook de proceskosten in reconventie betalen. De proceskosten van 212 worden tot dit vonnis begroot op € 653,00 (2 punten, tarief II, factor 0,5) en € 107,00 aan nakosten, in totaal € 760,00.
4.27. 212
heeft nagelaten een uitvoerbaarverklaring bij voorraad te vorderen voor de proceskosten in reconventie. De rechtbank kan dit niet ambtshalve uitspreken. Dat is de reden dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de proceskostenveroordeling in reconventie achterwege blijft.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt DPO om aan 212 te betalen een bedrag van € 48.400,00 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 28 dagen na de factuurdatum van de verschillende facturen;
5.2.
veroordeelt DPO om aan 212 te betalen een bedrag van € 63.600,00, te vermeerderen met de contractuele rente van 6% per jaar vanaf de dag van dagvaarding (11 april 2025) tot de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt DPO in de beslagkosten van € 1.021,48, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag van volledige betaling;
5.4.
veroordeelt DPO in de proceskosten van € 10.557,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als DPO niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag van volledige betaling;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.7.
wijst de vorderingen van DPO af;
5.8.
veroordeelt DPO in de proceskosten van € 760,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M. James-Pater, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6521 (r.o. 3.3.2).
2.Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14 1991, p. 323