ECLI:NL:RBAMS:2026:611

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
13-341964-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon Bulgarije ondanks detentiegarantie en gelijkstelling

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Bulgarije voor de overlevering van een opgeëiste persoon die een resterende gevangenisstraf van ruim tien jaar moet uitzitten. De opgeëiste persoon was aanvankelijk niet aanwezig, maar verscheen later met raadsman en tolk. De rechtbank verlengde de beslistermijn en beval gevangenneming.

De raadsman voerde aan dat de tijd in Nederlandse overleveringsdetentie niet in mindering was gebracht op het strafrestant, maar de rechtbank oordeelde dat dit een tenuitvoerleggingskwestie is en niet relevant voor de overleveringsbeslissing. De rechtbank concludeerde dat de laatste onherroepelijke uitspraak in Bulgarije aan de toetsing ten grondslag ligt en dat de strafbare feiten voldoen aan de Nederlandse lijst van bijlage 1 OLW, waardoor dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden onderzocht.

De raadsman verzocht om gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6a OLW, maar kon onvoldoende aantonen dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleef. De rechtbank verwierp dit verweer. Ten aanzien van de detentieomstandigheden in Bulgarije oordeelde de rechtbank dat de verstrekte detentiegarantie voldoende is om het reële gevaar van onmenselijke behandeling weg te nemen.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering kan worden toegestaan. De uitspraak is onherroepelijk en de opgeëiste persoon zal worden overgeleverd aan Bulgarije voor de uitvoering van de resterende straf.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Bulgarije toe wegens voldoende detentiegarantie en het niet voldoen aan de gelijkstellingsvoorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-341964-25 (EAB 2)
Datum uitspraak: 28 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 16 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 december 2025 door de
Regional Prosecutor’s Office – Burgas,Bulgarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1978,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit andere hoofde gedetineerd in [de penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 8 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 8 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. A.G. de Jong, advocaat in ’s-Gravenhage. De behandeling van de zaak is aangehouden tot de zitting van 14 januari 2026 om 14:00 uur zodat de opgeëiste persoon gebruik kan maken van zijn aanwezigheidsrecht.
Zitting van 14 januari 2026
De behandeling van het EAB is hervat op de zitting van 14 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.G. de Jong, advocaat in ’s-Gravenhage en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis No. 260001/04.08.2022 van de
Regional Court - Burgasmet kenmerk No. 851/2020
,bevestigd door het arrest No. 84/26.08.2024 van 26 augustus 2024 van de
Court of Appeal - Burgasmet kenmerk No. 106/2024, en door het arrest No. 82/18.02.2025 van 18 februari 2025 van de
III Criminal Division of the Supreme Court of Cassationmet kenmerk No. 988/2024.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijftien jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog tien jaren, vijf maanden en vijfentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
De raadsman stelt zich ten aanzien van het strafrestant, zoals dat in het EAB is weergegeven, op het standpunt dat de tijd die de opgeëiste persoon eerder in overleveringsdetentie in Nederland heeft doorgebracht ten onrechte niet in mindering is gebracht op de gevangenisstraf van vijftien jaar. Ten aanzien van de opgeëiste persoon is eerder tot tweemaal toe de overlevering gevraagd ten behoeve van vervolging voor de feiten waar hij inmiddels voor veroordeeld is. De overlevering is in 2018 geweigerd en in 2021 toegestaan: in beide gevallen heeft hij voorafgaan aan de uitspraak in overleveringsdetentie gezeten, in totaal 441 dagen.
De rechtbank overweegt dat het berekenen van het strafrestant een tenuitvoerleggings-kwestie betreft. Voor de beslissing op het overleveringsverzoek is dit niet relevant. De rechtbank merkt nog op dat geen sprake is van een situatie waarbij de straf al volledig is ondergaan.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Als het proces in twee of meer opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep en eventueel een procedure in cassatie als de zaak daarin ten gronde is behandeld, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
Uit de aanvullende informatie van 22 december 2025 blijkt dat de rechtbank enkel het arrest No. 82/18.02.2025 van de
III Criminal Division of the Supreme Court of Cassationmet kenmerk No. 988/2024 hoeft te toetsen aan artikel 12 OLW Pro. Meegedeeld is immers dat deze beslissing “no longer subject to ordinary appeal” is en dat deze beslissing “finally disposes of the case on the merits within the meaning of Case C-397/22 of the Court of Justice of the European Union”.
Uit onderdeel d) van het EAB en de aanvullende informatie van 22 december 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest op de zitting in de cassatieprocedure. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet aan de orde.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Bulgarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland. De raadsman verzoekt de zaak aan te houden om het advies van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) op te vragen. De opgeëiste persoon heeft een verblijfstitel “arbeid vrij, onbepaalde geldigheidsduur”. Deze verblijfstitel is vergelijkbaar met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en daarmee voldoet de opgeëiste persoon aan de eerste voorwaarde van artikel 6a OLW. Daarnaast blijkt uit de justitiële documentatie van de opgeëiste persoon en uit de Basisregistratie Personen (BRP) dat hij voldoende tijd in Nederland ingeschreven heeft gestaan. Voor het geval de rechtbank meer stukken nodig blijkt te hebben, doet de raadsman het verzoek het onderzoek te heropenen om alsnog aan te tonen dat hij hier ten minste 5 jaar ononderbroken rechtmatig verbleven heeft.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beroep op artikel 6a OLW niet kan slagen. De opgeëiste persoon heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij vijf jaar ononderbroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Daarnaast is ook geen verklaring overgelegd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Het is op grond van artikel 6 lid 9 OLW Pro aan de opgeëiste persoon
om tijdig en voorafgaand aan het verhoor door de rechtbankaan te tonen dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Volgens vaste jurisprudentie van de rechtbank is hiervan in ieder geval sprake als de stukken tien dagen voor de zitting zijn ingediend In dit geval is daaraan niet voldaan. Dat de opgeëiste persoon tussen 2019 en 2021 ingeschreven heeft gestaan op een adres in Nederland, maakt niet dat de opgeëiste persoon voldoet aan de eis van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland. De enkele aantekening “arbeid vrij” op het uittreksel SKDB staat niet gelijk aan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Dit betekent dat niet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de tweede voorwaarde. De rechtbank verwerpt het verweer.

6.Artikel 11 OLW Pro: Bulgaarse detentieomstandigheden

De rechtbank heeft op grond van het Public statement van het
European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(CPT) van 26 maart 2015 geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). [5] Bij uitspraak van 11 februari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het CPT-rapport van 4 mei 2018, naar aanleiding van bezoeken tussen 25 september 2017 en 6 oktober 2017, niet tot een ander oordeel leidt. [6] Dit geldt eveneens ten aanzien van het CPT-rapport van 18 oktober 2022. [7]
In aanvullende informatie bij brief van 16 december 2025 van de
Minister of Justicevan Bulgarije is de volgende detentiegarantie ten behoeve van de opgeëiste persoon opgenomen:
[…] “With regard to the European arrest warrant Ns 671/2025 from 0 1.10.2025 and
European arrest Warrant NOHD 851/2020 from 01.12.2020, both issued by the Bulgarian judicial authorities against the Bulgarian national[de opgeëiste persoon], born on [geboortedag] .1978, and with reference to your request for information on prison condition, dated 05.12.2025, please find below the relevant (on both EAW cases) information and assurances.
[…]
The prison in Stara Zagora is an establishment for deprivation of liberty where persons sentenced to imprisonment with a final sentence from the regions of Stara Zagora and Haskovo are accommodated, in accordance with Article 58 of the Execution of Penalties and Detention in Custody Act, and persons detained under the Criminal Procedure Code with a measure or restraint of “detention in custody” imposed in accordance with Article 247, paragraph 1 of the Execution of Penalties and Detention in Custody Act
[…]
I would like to inform you that the following activities were carried out between June 2015 and March 2016: major renovation of the prison building in Stara Zagora, all sleeping quarters were completely renovated in accordance with the requirements of article 3 of the ECHR and article 43 paragraph 4 of the Execution of Penalties and Detention in Custody Act – at least 4 sq m of living space with all necessary furniture, excluding the area of the sanitary facilities.
Each sleeping quarter has a separate bathroom with a toilet and running water with 24-hour access, PVC windows that can be opened at any time of the day or night at the discretion of the prisoners in order to provide natural light, airing and natural ventilation. The promises are equipped with standard beds, lockers, hangers, a table and chairs. Artificial illumination is provided by two 2x36 W fluorescent lights. The heating is provided by local heating and cast iron radiators located in the rooms. Each corridor has a room equipped with washbasins and mirrors, a bathroom equipped with showers and a laundry drying room, which are accessible from 6:00 a.m. to 8:00 p.m. every day”
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verstrekte detentiegarantie ontoereikend is om het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. De raadsman verzoekt de rechtbank de zaak aan te houden en nadere vragen te stellen over de Bulgaarse detentieomstandigheden. De raadsman voert aan dat er geen concrete individuele vierkante meters persoonlijke leefruimte worden gegarandeerd voor de opgeëiste persoon en het onduidelijk is of het sanitair is meegenomen in het aantal berekende vierkante meters. Tot slot wordt niet benoemd op welke specifieke afdeling de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in de detentie-instelling.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de geboden detentiegarantie het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon wegneemt. Gegarandeerd wordt dat de opgeëiste persoon in de detentie-instelling in Stara Zagora 4 m2 persoonlijke leefruimte exclusief sanitair tot zijn beschikking krijgt. Artikel 11 OLW Pro staat daarom niet langer aan de overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [8] De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Bulgaarse autoriteiten, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Bulgaarse penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door deze garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon geplaatst zal worden in de gevangenis in Stara-Zagora, waarna in de brief is aangegeven welke garanties daar voor hem gelden. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat uit de aanvullende informatie blijkt dat voor de opgeëiste persoon aldaar onder meer 4 m2 aan persoonlijke leefruimte exclusief sanitair wordt gegarandeerd. Verder overweegt de rechtbank dat informatie over de plaatsing van de opgeëiste persoon op een specifieke afdeling niet noodzakelijk is. De rechtbank ziet daarom geen redenen om nadere vragen te stellen en verwerpt het verweer.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]de
Regional Prosecutor’s Office – Burgas,Bulgarije, de feiten voor zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Vgl. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Zie HvJ EU 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198, punten 88-90 en o.a. Rechtbank Amsterdam 28 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1269.
6.Rechtbank Amsterdam, 11 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1097.
7.Rechtbank Amsterdam, 27 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6217.
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.