Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6115

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
1318550425
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 2 OLWArt. 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLWArt. 4 Handvest van de grondrechten van de EUArt. 107 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweren artikel 12 OLW en detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 2 juni 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Roemenië voor de overlevering van een opgeëiste persoon geboren in 1996. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van ruim twee jaar, opgelegd bij arrest van 17 december 2024, na eerdere vonnissen en een samenvoegingsvonnis.

De raadsman voerde verweren aan op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW), stellende dat de opgeëiste persoon niet adequaat was geïnformeerd over de zittingen en dat zijn verdedigingsrechten waren geschonden. Ook werd bezwaar gemaakt tegen de detentieomstandigheden in Roemenië. De officier van justitie betoogde dat de weigeringsgrond niet van toepassing is en dat de detentiegarantie voldoende is.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de opgeëiste persoon niet persoonlijk aanwezig was bij het hoger beroep dat tot het arrest van 17 december 2024 leidde, hij wel degelijk op de hoogte was van de procedure en dat stilzwijgende afstand van zijn recht op aanwezigheid aannemelijk is. De detentiegarantie van de Roemeense autoriteiten, inclusief quarantaine en semi-open regime, werd als voldoende concreet en betrouwbaar beoordeeld. De rechtbank concludeerde dat geen schending van verdedigingsrechten of onmenselijke behandeling dreigt.

Daarom voldoet het EAB aan de wettelijke eisen, staan geen weigeringsgronden in de weg en wordt de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Roemenië toe ondanks verweren op grond van artikel 12 OLW en bezwaren over detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-185504-25
Datum uitspraak: 16 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 14 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 februari 2025 door de
Băileşti District Court, Roemenië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Roemenië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. Peters, als waarnemer voor mr. S. Mabrouk, beiden advocaat te Zaandam, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van 27 juni 2024 van de
Băileşti District Court, Dolj County,met kenmerk 227 en met dossiernummer 5344/183/2023
.Dit vonnis is gewijzigd en definitief geworden door een arrest van
the Court of Appeal Craiovavan 17 december 2024 met kenmerk 1581.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, drie maanden en tien dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert nog in het geheel. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Bij vonnis van 26 mei 2020 met kenmerk 1216 en dossiernummer 10260/215/2020 heeft de
Craiova District Courteen voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd aan de opgeëiste persoon. Deze straf is bij het hierboven genoemde vonnis van 27 juni 2024 en arrest van 17 december 2024 tenuitvoergelegd en maakt onderdeel uit van de genoemde resterende straf. Het vonnis van 26 mei 2020 is een samenvoegingsvonnis met twee onderliggende vonnissen, namelijk het vonnis van de
Craiova District Courtvan 8 november 2019 met kenmerk 3237 en dossiernummer 12452/215/2019 en het vonnis van de
Craiova District Courtvan 11 december 2019 met kenmerk 3621 en dossiernummer 18081/215/2019.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro. De aanvullende informatie is ingewikkeld en het is onduidelijk welke informatie op welke zitting ziet. Ook is de door de Roemeense autoriteiten gegeven toelichting tegenstrijdig. De opgeëiste persoon zou een advocaat hebben, maar hij heeft deze advocaat nooit aangesteld of instructies gegeven. De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van de volle omvang van de zittingen, omdat hij daarvan niet op de hoogte is gesteld. Hij was ook niet aanwezig bij de latere zittingen. Ook is van belang dat hij een klacht heeft ingediend bij het Europese Hof voor de rechten van de mens over het verloop van deze procedures en de rechtsbijstand. Al deze omstandigheden tezamen maken dat de overlevering moet worden geweigerd en dat er geen ruimte is voor het afzien van de toepassing van de weigeringsgrond.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW Pro niet in de weg staat aan overlevering. De opgeëiste persoon is aanwezig geweest bij de processen die hebben geleid tot de onderliggende vonnissen van 8 november 2019 met kenmerk 3237 (door de OvJ als zaak A aangemerkt) en 11 december 2019 met kenmerk 3621 (door de OvJ als zaak B aangemerkt). Het hoger beroep in zaak A van 21 februari 2020 met kenmerk 142 moet niet worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro, omdat het hoger beroep niet inhoudelijk is beoordeeld en is ingetrokken door de opgeëiste persoon. Bij het proces dat tot het samenvoegingsvonnis van 26 mei 2020 heeft geleid is de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW van toepassing. Subsidiair kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond. Ten aanzien van het proces dat heeft geleid tot het vonnis van 27 juni 2024 is de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW van toepassing en ten aanzien van het proces dat heeft geleid tot het arrest van 17 december 2024 kan worden afgezien van weigeren.
Oordeel van de rechtbank
Arrest van 17 december 2024 (met kenmerk 1581)
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] Uit het EAB volgt dat een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden, waarbij de zaak ten gronde is behandeld en waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 20 april 2026 en 19 mei 2026 volgt dat de opgeëiste persoon een gemachtigd raadsman had in eerste aanleg die hem daadwerkelijk tijdens dat proces heeft verdedigd. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon een kopie van het vonnis in eerste aanleg uitgereikt gekregen en is er namens hem binnen de gestelde termijn hoger beroep ingediend. Op de 14 mei 2024 heeft de opgeëiste persoon in eerste aanleg een schuldigverklaring afgelegd, waarbij hij een adres heeft opgegeven. De oproep voor het proces in hoger beroep is naar dit opgegeven adres gestuurd en is door zijn vader in ontvangst genomen. Ten slotte hebben de Roemeense autoriteiten bevestigend geantwoord op de door het IRC gestelde vraag of de opgeëiste persoon wist dat hij verplicht was om de autoriteiten te informeren bij een wijziging van adres, ook bij een eventueel hoger beroepsprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat de opgeëiste persoon klaarblijkelijk op de hoogte was van de verdenking en het strafproces in hoger beroep, waardoor hij ofwel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel in dat kader kennelijk onzorgvuldig is geweest door niet bereikbaar te zijn voor de Roemeense autoriteiten.
Daarom levert het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op.
Samenvoegingsvonnis van 26 mei 2020 (met kenmerk 1216)
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe. Uit de aanvullende informatie van 20 april 2026 en 14 mei 2026 volgt dat de opgeëiste persoon een door hem gemachtigd advocaat had die hem daadwerkelijk heeft verdedigd tijdens de zitting. Daarbij is de oproep voor de zitting naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd en door zijn vader in ontvangst genomen. De opgeëiste persoon heeft op 2 juni 2026 ter zitting verklaard dat hij tot 2021 (dus ook toen de oproep voor de zitting naar het adres werd gestuurd) zelf ook woonachtig is geweest op dit adres. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat de opgeëiste persoon klaarblijkelijk op de hoogte was van de verdenking en het strafproces in hoger beroep, waardoor hij ofwel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel in dat kader kennelijk onzorgvuldig is geweest door niet bereikbaar te zijn voor de Roemeense autoriteiten. Daarom levert het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op.
De tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf
De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van
the Court of Appeal Craiovavan 17 december 2024 met kenmerk 158 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen, omdat de opgeëiste persoon voor een nieuw strafbaar feit is veroordeeld. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [5] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 17 december 2024 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [6] De opgeëiste persoon is echter bij hetzelfde arrest van 17 december 2024 met kenmerk 1581 veroordeeld voor het nieuwe strafbaar feit waardoor de tenuitvoerlegging is bevolen en daarom moet dit arrest in dat kader wel aan artikel 12 OLW Pro worden getoetst. Zoals hiervoor is overwogen staat artikel 12 OLW Pro ten aanzien van dit arrest niet in de weg aan overlevering.
Vonnis van 8 november 2019 met kenmerk 3237
De opgeëiste persoon heeft tegen het vonnis van 8 november 2019 hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is echter door de opgeëiste persoon ingetrokken, waardoor de zaak niet in hoger beroep ten gronde is behandeld. De rechtbank zal daarom alleen het proces dat tot het vonnis in eerste aanleg heeft geleid toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
In de aanvullende informatie van 14 mei 2026 staat dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet aan de orde.
Vonnis van 11 december 2019 met kenmerk. 3621
In de aanvullende informatie van 14 mei 2026 staat dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet aan de orde.

5.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd.

6.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de detentiegarantie onvoldoende concreet is en het is onvoldoende duidelijk is of aan de minimumstandaarden is voldaan. Er is geen garantie afgegeven dat de opgeëiste persoon naar een specifieke detentie-instelling gaat na de quarantaineperiode.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie het algemene gevaar heeft weggenomen voor de opgeëiste persoon. De detentieomstandigheden vormen daarom geen beletsel voor de overlevering.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen. [7]
Bij brief van 23 april 2026 is namens
the Penitentiary Police Commissionerdoor de
General Director of the National Administration of Penitentiaries, de volgende garantie gegeven:
“(…) concerning the detention conditions to be benefited by[opgeëiste persoon](born on [geboortedag]1996) (…)
In the situation where the private person deprived of liberty is handed over to the Romanian Authorities at Henri Coandă Airport of Bucharest, he will initially be placed in Bucharest – Rahova Penitentiary, for the purpose of carrying out the quarantine period for a period of 21 days, in a room providing him with a minimum space of 3 square meters.
(…)
Considering the amount of the punishment, most likely, he will execute the custodial sentence initially in the semi-open regime. Also, having in view his domicile, most likely for the beginning, he will execute the sentence in the Craiova-Pelendava Penitentiary.
(…) the National Administration of Penitentiaries guarantees throughout the execution period of the punishment, including the related bed and furniture, without including the space destined for the sanitary group, this person will benefit from a minimum individual space, as follows:
- 3 sqm during the quarantine and observation period;
(…)
- 3 square meters in case of execution of the punishment in semi-open regime.”
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [8] De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Roemeense autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. De rechtbank merkt hierbij op dat de toetsing van de detentieomstandigheden zich beperkt tot de penitentiaire inrichting waar, volgens de informatie waarover zij beschikt, deze persoon volgens een concreet voornemen zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. [9] De termen
“most likely” en “
initially”die gehanteerd worden in de aanvullende informatie van 23 april 2026 geven aan dat het gaat om een concreet voornemen.
Gelet op het voorgaande vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor het toestaan van de overlevering. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 107 en 177 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Băileşti District Court(Roemenië) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (
5.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
6.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
7.Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en rechtbank Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463.
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.
9.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 87.