ECLI:NL:RBAMS:2026:613

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
13-307217-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 UitvoeringswetArt. 5 UitvoeringswetArt. 6 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering verdachte aan Verenigd Koninkrijk met terugkeergarantie en toetsing detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 januari 2026 de vordering tot overlevering van een verdachte aan het Verenigd Koninkrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel. De verdachte, met de Nederlandse nationaliteit, werd verdacht van bedreiging en mishandeling van een ambtenaar. De rechtbank stelde vast dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat de dubbele strafbaarheidseis is vervuld.

De verdachte deed een beroep op de terugkeergarantie, waarbij is gewaarborgd dat hij een eventuele onvoorwaardelijke gevangenisstraf in Nederland kan uitzitten. De rechtbank achtte de door het Verenigd Koninkrijk gegeven garanties en aanvullende verklaringen voldoende. Daarnaast werd de situatie omtrent de detentieomstandigheden beoordeeld. Hoewel eerdere uitspraken wezen op risico's in bepaalde Britse gevangenissen, concludeerde de rechtbank dat de specifieke detentieplaatsen van de verdachte geen reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling opleveren.

De raadsman van de verdachte verzocht om aanhouding van de zaak voor nadere garanties, maar de rechtbank wees dit af. Gezien de verstrekte informatie en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Alchaster) van 29 juli 2024, is de tweestappentoets niet van toepassing op overlevering aan het Verenigd Koninkrijk. De rechtbank besloot de overlevering toe te staan en wees het beroep van de raadsman af. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan het Verenigd Koninkrijk toe met voldoende terugkeergarantie en zonder beletsel wegens detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-307217-25
Datum uitspraak: 28 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 3 Uitvoeringswet Pro Handels- en Samenwerkingsovereenkomst
EU – VK Justitie en Veiligheid (Uitvoeringswet) juncto artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.
Deze vordering dateert van 19 november 2025 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB) als bedoeld in artikel 598 van Pro de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (HSO).
Dit AB is uitgevaardigd op 1 augustus 2025 door
Greater Manchester Magistrates’ Court(Verenigd Koninkrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 1980,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 januari 2026, in aanwezigheid van de officier van justitie mr. A.L. Wagenaar. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat in Amsterdam.
Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet Pro jo. artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het AB

In het AB wordt melding gemaakt van een
warrant of arrest at first instancevan 23 mei 2023, uitgevaardigd door
Greater Manchester Magistrates Court.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van het Verenigde Koninkrijk ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het AB.

4.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

Het Verenigd Koninkrijk heeft de kennisgeving als bedoeld in artikel 599, vierde lid, van de HSO niet gedaan. [1] Toetsing van de dubbele strafbaarheid conform artikel 599, tweede lid, HSO kan dus niet achterwege blijven.
Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 599, eerste en tweede lid, HSO zijn opgenomen.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
poging zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
5. De garantie als bedoeld in artikel 5 Uitvoeringswet Pro jo. artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en doet een beroep op de terugkeergarantie. Gelet op artikel 5 Uitvoeringswet Pro jo. artikel 6 OLW Pro kan zijn overlevering daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 Verdrag Pro inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) zal kunnen worden omgezet.
Bij brief van 6 januari 2026 is door de
UK Central Authorityin Londen de volgende garantie gegeven:
"[…] In accordance with the procedure under Article 604(b) of Title VII (Surrender) of the UK-EU Trade and Cooperation Agreement between the European Union and the United Kingdom you have requested that [de opgeëiste persoon] (DoB: [geboortedag] 1980) be returned to the Netherlands to serve any custodial sentence which is imposed by a UK court in relation to the conduct for which his surrender to the UK from the Netherlands has been sought.
The UK undertakes that should [de opgeëiste persoon] receive a custodial sentence in the UK, he will, in accordance with section 153C of the Extradition Act 2003, be returned to the Netherlands as soon as is reasonably practicable after the sentencing process in the UK has been completed, unless concrete grounds relating to his rights of defense or to the proper administration of justice make his presence in the UK essential pending a definitive decision on any procedural step coming within the scope of the criminal proceedings relating to the offence underlying the Trade and Cooperation Agreement. Such procedural steps may include:(a) The exhaustion of any available avenues of appeal;(b) Consideration of confiscation; and(c) The procedure for setting any period of imprisonment which will fall to be served in default of payment of any financial penalty.​​​​​​​Please note that the return of [de opgeëiste persoon] to the Netherlands will be facilitated under the Additional Protocol to the 1983 Council of Europe Convention on the Transfer of Sentenced Persons. Full details of any sentence imposed on [de opgeëiste persoon] will be provided when he is returned to the Netherlands."
Bij brief van 13 januari 2026 heeft de
HM Prison and Probation Servicede volgende aanvulling gegeven op de hierboven staande garantie:
“[…] I refer to a request made by the UK authorities for Mr [de opgeëiste persoon] to be extradited to the UK under the Trade and Cooperation Agreement. I understand that you have sought assurance that in the event Mr [de opgeëiste persoon] is sentenced to a term of imprisonment following his surrender, that he will be allowed to serve the sentence in the Netherlands. In addition, you have asked for confirmation that the sentence can be converted pursuant to Article 11 of the Council of Europe Convention on the Transfer of Sentenced Persons 1983 (the Convention).
With regards to the conversion of the sentence, please be advised that my team acts as the Central Authority for England and Wales for the transfer of sentenced persons and it would fall to us to submit a transfer application to the Dutch authorities under the Convention, should Mr [de opgeëiste persoon] receive a term of imprisonment. I can therefore confirm that any custodial sentence transferred to the Netherlands, may be converted pursuant to Article 11 of the Convention.”
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is de bovengenoemde garantie en de aanvulling daarop voldoende.
Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e, VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.
Aan deze voorwaarde is voldaan.

6.Artikel 604, aanhef en onder c, HSO: detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat voor gedetineerden in de penitentiaire inrichtingen
HMP Bedford,
HMP Winchesteren
HMP Wandswortheen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). In dat kader heeft de officier van justitie nagevraagd waar de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden na zijn overlevering.
Bij brief van 12 januari 2026 heeft de
HM Prison and Probation Servicede volgende informatie gegeven:
“[…] You have asked where [de opgeëiste persoon] will most likely be placed after his surrender to the UK. We understand he is likely to travel to London Heathrow Airport; assuming this happens, it is most likely that he will be held at HMP Wormwood Scrubs in the first instance. It is usual practice to make efforts to accommodate prisoners close to the location of their trial. [de opgeëiste persoon][de rechtbank begrijpt: [de opgeëiste persoon] ]
trial is scheduled to take place at Manchester Magistrates court, and it is therefore most likely that he would be held at HMP Forest Bank during this time.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de raadsman de zaak aan te houden om nadere garanties te verkrijgen dat de opgeëiste persoon niet geplaatst zal worden in detentie-instellingen waarvoor een algemeen gevaar geldt. De enkele mededeling waar hij waarschijnlijk (“likely”) wordt geplaatst, is niet voldoende. De recente jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) maakt dit niet anders. De raadsman heeft niet kunnen nagaan hoe de genoemde gevangenissen beoordeeld worden op de website van het
HM Inspectorate of Prisons: blijkbaar geldt voor de gevangenissen van Bedford, Winchester en Wandsworth dat deze niet door de beugel kunnen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gegeven detentiegarantie volstaat en daarom niet aan de overlevering in de weg staat. Gegarandeerd wordt dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd in
HMP Wormwooden
HMP Forest Bank. Er geldt geen tweestappentoets ten aanzien van overlevering aan het Verenigd Koninkrijk. Gekeken moet worden naar de specifieke omstandigheden van de situatie van de opgeëiste persoon. Er is geen sprake van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit blijkt dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er sprake is van een reëel risico op schending van de grondrechten zoals neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) in de genoemde gevangenissen. Ze worden in ieder geval niet genoemd in de lijst van gevangenissen op de website van
HM Inspectorate of Prisonswaarvoor een zogenaamd
urgent notificationgeldt. Dat is wel het geval voor Bedford, Winchester en Wandsworth.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk sluit de rechtbank aan bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 29 juli 2024 (Alchaster). [2] Uit dit arrest volgt dat de tweestappentoets, die geldt ten aanzien van de procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, niet geldt ten aanzien van overlevering aan het Verenigd Koninkrijk. [3] De uitvoerende rechterlijke autoriteit hoeft dientengevolge niet na te gaan waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd op basis van de eerder vastgestelde algemene gevaren.
Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk behoort de rechtbank bij haar beoordeling alle relevante gegevens te beoordelen om in te schatten in welke situatie de gezochte persoon zich zal bevinden als hij wordt overgeleverd aan het Verenigd Koninkrijk, wat inhoudt dat rekening gehouden moet worden met de regels en praktijken die in dat land algemeen gangbaar zijn, en daarnaast ook – als de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijds erkenning niet worden toegepast – met de specifieke kenmerken van de situatie van die persoon. [4]
De rechtbank dient om die reden in dit geval – en in toekomstige zaken waarin door het Verenigd Koninkrijk om overlevering wordt verzocht – steeds te vernemen waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd om het bovenstaande te kunnen beoordelen.
In de onderhavige zaak is deze informatie (evenals in voorgaande gevallen) opgevraagd. Uit de aanvullende informatie van 15 december 2025 en 12 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering eerst zal worden geplaatst in
HMP Wormwoodwaarna hij overgeplaatst zal worden naar
HMP Forest Bank.
De raadsman heeft geen gegevens verstrekt die duiden op slechte detentieomstandigheden in deze instellingen, noch omstandigheden of gegevens aangevoerd met betrekking tot de situatie van de opgeëiste persoon waar de rechtbank rekening mee zou moeten houden. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens. Gelet op de situatie van de opgeëiste persoon in geval van overlevering bestaat er voor hem dan ook geen reëel gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest. De rechtbank oordeelt dat de detentieomstandigheden daarom niet in de weg staan aan de overlevering van de opgeëiste persoon. De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek van de raadsman af.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 HSO Pro en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 45, 285, 300, 302 en 304 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 3 en 5 Uitvoeringswet en artikel 606 HSO Pro.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
Greater Manchester Magistrates’ Court(Verenigd Koninkrijk).
Aldus gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 28 januari 2026.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet juncto artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie rechtbank Amsterdam, 2 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6353
2.Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster).
3.Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster), punt 82.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster), punt 82.