Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6141

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
13-100859-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 247 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Roemenië ondanks detentiegarantie en artikel 12 OLW verweer

De rechtbank Amsterdam behandelde op 16 juni 2026 het verzoek tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Roemenië op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Roemeense autoriteiten. De opgeëiste persoon werd verdacht van meerdere strafbare feiten, waaronder aanranding en illegale handel in verdovende middelen, waarvoor gevangenisstraffen waren opgelegd.

De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), omdat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten niet adequaat zou hebben kunnen uitoefenen. De rechtbank oordeelde echter dat de opgeëiste persoon in persoon was verschenen bij de relevante procedures en dat de weigeringsgrond niet van toepassing was.

Daarnaast werd aandacht besteed aan de detentieomstandigheden in Roemenië, waarover de rechtbank eerder zorgen had geuit. De Roemeense autoriteiten hadden een detentiegarantie verstrekt waarin was verzekerd dat de opgeëiste persoon onder humane omstandigheden zou worden vastgehouden. De rechtbank achtte deze garantie voldoende om het risico op onmenselijke of vernederende behandeling uit te sluiten.

Gelet op het voldoen aan de formele eisen van het EAB, het ontbreken van weigeringsgronden en de detentiegarantie, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Roemenië toe, ondanks het verweer op artikel 12 OLW en na beoordeling van detentiegarantie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-100859-26
Datum uitspraak: 16 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 13 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 maart 2026 door de
Fourth District Court in Bucharest,Roemenië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentie-instelling] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 juni 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij Roemeense nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van
the Fourth District Courtin
Bucharest, van 23 juli 2025 met kenmerk 2178. Dit vonnis is definitief geworden op 13 maart 2026 krachtens het arrest van
the Bucharest Court of Appeal, First Criminal Divisionvan 13 maart 2026 met kenmerk 415/A.
De aanvullende informatie van 17 april 2026 en 8 mei 2026 vermeldt een vonnis van
the Bucharest Regional Court, First Criminal Divisionvan 2 november 2011 met kenmerk 864. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld, waarop een arrest is gevolgd van
the High Court of Cassation and Justice, Criminal Divisionvan 11 juni 2012 met kenmerk 2025/R.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van zeven jaar, vier maanden en voor de duur van 891 dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straffen resteren volgens het EAB respectievelijk nog zeven jaar, vier maanden en nog 891 dagen, waarop de tijd in detentie, voorarrest en huisarrest, van 25 augustus 2023 tot 11 februari 2026, in mindering zal worden gebracht. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van 13 maart 2026.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro moet worden geweigerd, omdat uit de aanvullende informatie onvoldoende blijkt dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten uit heeft kunnen oefenen. Er wordt door de Roemeense autoriteiten veel informatie gegeven, maar nergens blijkt uit welke straf uiteindelijk is opgelegd aan de opgeëiste persoon, wanneer dat precies is gebeurd, en waarvoor. Verder wijst de raadsman op onjuistheden in de data genoemd in de aanvullende informatie.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de procedures in hoger beroep getoetst moet worden.
Ten aanzien van het arrest van
the High Court of Cassation and Justice, Criminal Division, van 11 juni 2012, met kenmerk 2025/R, blijkt uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Op dit arrest is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro dus niet van toepassing.
Ten aanzien van het arrest van
the Bucharest Court of Appeal, First Criminal Division, van 13 maart 2026, met kenmerk 415/A, is de opgeëiste persoon in persoon gedagvaard tijdens zijn huisarrest. Daarbij is de opgeëiste persoon tijdens de inhoudelijke behandeling vertegenwoordigd door een gemachtigde raadsman. De omstandigheid van zowel artikel 12, sub a, OLW als artikel 12 sub Pro b, OLW doen zich voor, waardoor de weigeringsgrond ook op dit arrest niet van toepassing is. Hiermee staat artikel 12 OLW Pro niet aan de overlevering in de weg.
Het oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
Ten aanzien van het arrest vanthe High Court of Cassation and Justice, Criminal Divisionvan 11 juni 2012 met het kenmerk 2025/R
Hoewel het gaat om een beslissing van de High Court of Cassation and Justice en in zoverre dus lijkt te gaan om een beslissing in cassatie, leidt de rechtbank uit de aanvullende informatie van 17 april 2026 en 8 mei 2026 af dat de zaak in deze cassatieprocedure inhoudelijk opnieuw is beoordeeld en dat de opgeëiste persoon in deze cassatieprocedure is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar. Gelet op de inhoudelijke beoordeling van de zaak (ondanks dat het gaat om een behandeling bij het Hof van Cassatie) moet de beslissing worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro. Uit de aanvullende informatie van 19 mei 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro op dit arrest daarom niet van toepassing is.
Ten aanzien van het arrest vanthe Bucharest Court of Appeal, First Criminal Divisionvan 13 maart 2026 met kenmerk 415/AIn de aanvullende informatie van 17 april 2026 is door de Roemeense autoriteiten het volgende medegedeeld:
“The person in question was personally summoned to the trial, as evidenced by the court order dated 13 January 2026 of the Bucharest Court of Appeal, First Criminal Division, which forms an integral part of Criminal Decision No. 415/A/13 March 2026, and which ordered the following:
“The roll call made in open court was answered by the appellant [de opgeëiste persoon] , in person, subject to the preventive measure of house arrest (…)
We also note that the requested person was informed of the obligation to notify the Romanian authorities of any change of address and the consequences of failing to comply with this obligation, including the fact that in the event of absence from the trial, it could proceed in absentia.”
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid van artikel 12, sub a, OLW zich voordoet, omdat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard tijdens zijn huisarrest en hem daarbij is meegedeeld dat een beslissing kon worden genomen wanneer hij niet op het proces zou verschijnen. De weigeringsgrond is daarom niet op dit arrest van toepassing.
De herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling
De opgeëiste persoon is op 2 november 2011 door
the Bucharest Regional Court, First Criminal Divisionin de zaak met kenmerk 864 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar. Dit vonnis is onherroepelijk geworden bij beslissing van
the High Court of Cassation and Justice, Criminal Divisionmet kenmerk No 2025/R
.De opgeëiste persoon is op 12 september 2019 voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een resterende straf van 891 dagen
.Uit de aanvullende informatie van 8 mei 2026 blijkt dat de tenuitvoerlegging van de straf alsnog is bevolen, omdat de opgeëiste persoon opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd.
De opgeëiste persoon in eerste aanleg bij beslissing van 23 juli 2025 met kenmerk 2178 door
the Fourth District Courtin
Bucharestveroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar (en een aantal bijkomende straffen) voor een aanranding (feit 1) en een gevangenisstraf van zes jaar (en een aantal bijkomende straffen) voor een andere aanranding (feit 2). Door
the Fourth District Courtin
Bucharest istoen ook de voorwaardelijke invrijheidsstelling van de opgeëiste persoon herroepen en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf bevolen. Deze beslissing is bekrachtigd in hoger beroep op 13 maart 2026.
Aangezien uit de aanvullende informatie blijkt dat de tenuitvoerlegging van de straf alsnog is bevolen, omdat de opgeëiste persoon zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, begrijpt de rechtbank de aanvullende informatie zo dat deze nieuwe veroordeling de aanleiding is geweest voor de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [5] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf (of tot herroeping van een voorwaardelijke invrijheidsstelling) ook onderworpen moet worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro. De beslissing tot herroeping zelf is geen beslissing waarbij de aard of maat van de opgelegde straf is gewijzigd. Daarom hoeft alleen de veroordeling die tot de herroeping heeft geleid te worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro. In dit geval is die beslissing genomen in eerste aanleg op 23 juli 2025 en bekrachtigd in hoger beroep op 13 maart 2026. Als er zowel een beslissing in eerste aanleg als in hoger beroep is genomen, moet de laatste van die beslissingen worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro. Dat is de beslissing in hoger beroep van 13 maart 2026. Deze beslissing is hiervoor al door de rechtbank getoetst en de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is niet van toepassing.
Conclusie
Concluderend staat artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering in de weg.

5.Strafbaarheid

5..1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het onder feit 3 in het EAB genoemde strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Roemenië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het onder feit 3 in het EAB genoemde strafbare feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de onder feit 1 en 2 genoemde feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;
aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren vergezeld en gevolgd door dwang en bedreiging.

6.Artikel 11 OLW Pro: Roemeense detentieomstandigheden

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11 OLW Pro.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie van 22 april 2026 het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, waaronder met name de overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). [6]
De Roemeense autoriteiten hebben op 22 april 2026 ten behoeve van de opgeëiste persoon een detentiegarantie verstrekt, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“If the person deprived of his liberty is handed over to the Romanian authorities at Henri Coanda Airport in Bucharest,he will be initially sent to Bucharest- Rahova Prisonin order to pass through a quarantine period of 21 days in a room with a minimum space of 3 square meters. (…)
(…)
Given the length of his sentence, he will most likely serve the custodial sentence he received in aclosed detention regime. At the same time, given his place of residence, he will most probably serve his sentence in theBucharest – Rahova Prison. (…)
(…)
[de opgeëiste persoon] will be ensured a minimum individual space of 3 square meters, for the whole period of the sentence, except for distribution under the open regime, the period during which he will be ensured of 4 square meters, including the bed and the related furniture,but excluding the space for the sanitary facilities, (…)”
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [7] De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Roemeense autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor het toestaan van de overlevering.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 247 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van [de opgeëiste persoon] aan
the Fourth District Court in Bucharest,Roemenië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (
5.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
6.Zie bijvoorbeeld rechtbank Amsterdam, 11 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2513, rechtsoverweging 5.
7.HvJ EU, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.