Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6159

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
13.052011.26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 181 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wederspannigheid met letsel en oplegging ISD-maatregel

Op 19 februari 2026 heeft verdachte zich met geweld verzet tegen een politieambtenaar die hem uit een publiek toegankelijke plaats verwijderde, waarbij hij meerdere malen tegen het scheenbeen van de agent trapte, wat leidde tot lichamelijk letsel in de vorm van pijn en een blauwe plek.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan wederspannigheid met letsel. De verdediging voerde aan dat het incident plaatsvond nadat verdachte al uit het station was verwijderd en dat het geweld uit reflex was, maar de rechtbank verwierp dit op basis van verklaringen van verbalisanten.

Gezien het strafblad van verdachte, zijn problematische leefomstandigheden, middelengebruik en eerdere ISD-maatregelen, legde de rechtbank een ISD-maatregel van twee jaar op zonder aftrek van voorarrest. De rechtbank wees tevens de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade van €400,- toe, vermeerderd met wettelijke rente, en legde een schadevergoedingsmaatregel op.

Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen. De rechtbank motiveerde de straf en maatregel uitvoerig aan de hand van de ernst van het feit, recidivegevaar en de noodzaak tot bescherming van de maatschappij.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor wederspannigheid met letsel en opgelegd een ISD-maatregel van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.052011.26
Datum uitspraak: 10 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans gedetineerd te: [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 mei 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Gerritsen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.A.C. van den Brink, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 19 februari 2026 te Amsterdam, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [slachtoffer] (hoofdagent bij de Eenheid Amsterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten met verwijdering van verdachte vanaf een publiek toegankelijke plaats belast, door een of meermalen tegen het (scheen)been, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te trappen, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten pijn aan het (scheen)been en/of een blauwe plek op het (scheen)been van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde feit. Uit het dossier is namelijk niet gebleken dat hij zich heeft verzet tegen de verwijdering uit het station. Het incident vond namelijk plaats nadat verdachte al uit het station was verwijderd. Er is dus geen sprake van wederspannigheid. Daarnaast heeft verdachte geen opzet gehad op het gebruik van geweld. De verbalisant tikte verdachte tijdens de verwijdering tegen het been waar verdachte al langere tijd last van heeft. Verdachte trok uit reflex zijn been omhoog en zou daarbij iemand geraakt kunnen hebben.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, op basis van de in
bijlage Igenoemde bewijsmiddelen, van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid met letsel ten gevolge. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de verbalisanten hem het station uit moesten tillen en dat verdachte bij de uitgang op de grond meerdere trappende bewegingen maakte waarvan er in ieder geval één verbalisant [slachtoffer] heeft geraakt. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bevindingen. Verdachte heeft zich dan ook, terwijl de verbalisanten bezig waren met hem uit het station te verwijderen en inmiddels in de buurt van de uitgang waren, verzet door meerdere trappende bewegingen te maken. De rechtbank acht het gezien de bevindingen van de verbalisanten ongeloofwaardig dat verdachte zijn been enkel uit reflex bewoog. Een reflex is een eenmalige reactie en hier gaat het op meerdere trappende bewegingen met beide benen die de verbalisant hebben geraakt.

5.De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
op 19 februari 2026 te Amsterdam, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [slachtoffer] (hoofdagent bij de Eenheid Amsterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten met verwijdering van verdachte vanaf een publiek toegankelijke plaats belast, door meermalen tegen het scheenbeen van die [slachtoffer] te trappen, terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten pijn aan het scheenbeen en een blauwe plek op het scheenbeen van die [slachtoffer] , ten gevolge heeft gehad.

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen ISD-maatregel opgelegd dient te worden aan verdachte. Het is niet gebleken dat de maatregel zinvol en doelmatig is ofwel zal bijdragen aan de vermindering/beëindiging van recidive. Verdachte heeft immers al meerdere malen de ISD-maatregel opgelegd gekregen. Uit jurisprudentie blijkt dat in een dergelijk geval geen ISD-maatregel opgelegd dient te worden.
Indien de rechtbank besluit toch een ISD-maatregel op te leggen dient de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht af te worden getrokken van de duur van de maatregel. Tevens verzoekt de verdediging dat de rechtbank bepaalt dat zes maanden na aanvang van de ISD-maatregel een tussentijdse beoordeling van de voortgang van de maatregel plaatsvindt.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid waarbij een verbalisant letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft hiermee geen respect getoond voor de publieke taak die de politieambtenaar verricht en hem belemmerd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Het strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 4 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden veelvuldig is veroordeeld voor wederspannigheid en andere gewelds- en vermogensmisdrijven.
Reclasseringsadvies
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Verslavingsreclassering GGZ Inforsa van 22 mei 2026, opgemaakt door [persoon] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
Er is bij verdachte sprake van instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. Hij is dakloos, heeft geen dagbesteding, heeft schulden en er is sprake van middelenproblematiek. Hij is in 2019 gediagnosticeerd met schizofrenie maar heeft geen ziektebesef en is niet medicatietrouw gebleken. Daarbij is sprake van een delictpatroon in vermogens- en geweldsdelicten. Verdachte heeft driemaal eerder een ISD-maatregel opgelegd gekregen en heeft veelvuldig in hulpverleningstrajecten gelopen, welke telkens niet van de grond kwamen of vroegtijdig beëindigd zijn. Verdachte heeft geen motivatie te stoppen met het gebruik van middelen, hetgeen psychotische ontregeling kan uitlokken dan wel verergeren. De reclassering ziet geen mogelijkheden voor een vrijwillig- of drangkader, gelet op de houding en responsiviteit van verdachte. Zij adviseren dan ook een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen aan verdachte. Binnen die maatregel dient dan ingezet te worden op verslavings- en psychiatrische behandeling.
Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting van 27 mei 2026 voornoemd reclasseringswerker [persoon] als deskundige gehoord. Zij heeft het rapport bevestigd. Daarbij heeft zij benoemd dat de ISD-maatregel ditmaal voornamelijk gericht zal zijn op het psychische welzijn van verdachte en
harm reductionmet betrekking tot het middelengebruik. Verdachte is niet gemotiveerd te stoppen met het gebruik van middelen dus dat doel is gedeeltelijk losgelaten.
Motivering van de maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is allereerst bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Verder volgt uit het strafblad dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 19 februari 2026 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Verdachte is in het verleden al diverse keren behandeld in vrijwillige kaders en heeft ook verschillende drangkaders opgelegd gekregen. Deze behandelingen hebben steeds niet het gewenste effect gehad, omdat verdachte zich op enig moment aan het toezicht onttrekt en doorgaat met het plegen van strafbare feiten.
Daarnaast eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Bij verdachte is met name van belang dat hij keer op keer (gewelddadige) feiten pleegt in het openbaar, vaak in verband met zijn middelengebruik. Daarbij valt hij veelvuldig ambtenaren en burgers lastig, veroorzaakt hij veel overlast en belast hij hiermee de strafrechtketen. Hierom is het ter beperking van recidive van verdachte, ter beheersing van zijn problematiek, en voornamelijk ter optimale bescherming van de maatschappij, van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Anders dan de raadsman heeft betoogd is de bescherming van de maatschappij tegen recidive van verdachte gedurende de looptijd van de maatregel voldoende om de maatregel als doelmatig te kunnen beschouwen.
De rechtbank ziet gelet op de problematiek van verdachte geen aanleiding anders te bepalen dan de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering te brengen op de duur van de maatregel. Verder brengt het voorgaande met zich mee dat de rechtbank geen aanleiding ziet om met deze stand van zaken nu te bepalen dat er na één jaar een tussentijdse toets dient plaats te vinden. Daar komt bij dat de verdediging zelf de mogelijkheden heeft om desgewenst te verzoeken om de voortduring van de ISD-maatregel te laten toetsen.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 400,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
9.1.
Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij te matigen gelet op hetgeen soortgelijke zaken wordt opgelegd. De vordering is toewijsbaar tot een bedrag van € 100,- en het overige dient niet-ontvankelijk verklaard te worden.
De verdediging heeft – indien de rechtbank tot bewezenverklaring komt – verzocht de vordering te matigen aangezien de hoogte van het bedrag buitenproportioneel is.
9.2.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.​
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde verzet, namelijk een blauwe plek.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, zijnde 19 februari 2026. In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10.De voorlopige hechtenis

De raadsman heeft verzocht tot opheffing van de voorlopige hechtenis aangezien de ernstige bezwaren ontbreken, dan wel is er sprake van een situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.
Gelet op de in rubriek 4.3. genoemde bewezenverklaring van het feit en de in rubriek 8.3. gemotiveerde oplegging van een ISD-maatregel wijst de rechtbank dit verzoek af.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n en 181 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
wederspannigheid terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.
Legt op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
twee jaar.
Vordering van [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 400,- (vierhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 19 februari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 400,- (vierhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 4 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Timmermans, voorzitter,
mrs. L.F. Bögemann en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juni 2026.
[…]