Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6162

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
C/13/772424 / HA ZA 25-1285
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:233 BWArt. 6:236 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande facturen en proceskosten bij overeenkomst juridische dienstverlening

Partijen sloten op 18 juni 2024 een overeenkomst voor juridische dienstverlening waarbij de algemene voorwaarden van eiser van toepassing waren, inclusief een betalingsbeding met een termijn van 14 dagen en een contractuele renteclausule.

Gedaagde ontstond al snel in betalingsachterstand en ondanks meerdere herinneringen en afspraken, waaronder een betalingsregeling in januari 2025, bleef een aanzienlijk bedrag onbetaald. Eiser staakte in maart 2025 haar werkzaamheden en beëindigde de overeenkomst. Gedaagde betwistte later de facturen en stelde vernietiging van het betalingsbeding via reflexwerking van consumentenbescherming in, alsmede excessieve declaratie.

De rechtbank oordeelde dat gedaagde niet gelijkgesteld kan worden aan een consument vanwege haar omvang en professionele positie. Het betalingsbeding is niet onredelijk bezwarend en de contractuele klachtplicht is niet tijdig nageleefd. De vordering tot betaling van de hoofdsom, rente en incassokosten wordt daarom volledig toegewezen. Gedaagde wordt tevens veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen, contractuele rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/772424 / HA ZA 25-1285
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser] N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. [gemachtigde 1] ,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: voorheen mr. [gemachtigde 2] (onttrokken).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 juli 2025, met producties,
- de eis in incident van 27 augustus 2025, met producties,
- het antwoord in incident van 10 september 2025, met producties,
- het vonnis in incident van 8 oktober 2025,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 21 januari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het B2 formulier waarbij mr. [gemachtigde 2] zich heeft onttrokken als advocaat van [gedaagde] ,
- de akte overlegging producties 17 t/m 27 aan de zijde van [eiser] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 mei 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is een [plaatselijke] advocatenkantoor.
2.2.
[gedaagde] is een onderneming in de verhuur en verkoop van opslagunits.
2.3.
Op 18 juni 2024 hebben partijen een overeenkomst van opdracht gesloten voor het verrichten van juridische (advies)werkzaamheden (hierna: de overeenkomst). Daarbij zijn de algemene voorwaarden van [eiser] van toepassing verklaard. In artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden staat, voor zover relevant:
“Betaling van de facturen van [eiser] dient te geschieden binnen 14 dagen na factuurdatum. Na afloop van die fatale termijn wordt cliënt geacht de juistheid van de factuur te hebben aanvaard, tenzij cliënt voordien schriftelijk bezwaar heeft gemaakt, en kan cliënt een rente in rekening worden gebracht van 1% per maand. (..) Alle (buiten)gerechtelijke kosten van [eiser] die verband houden met de invordering van haar vorderingen komen voor rekening van cliënt, zulks met een minimum van 15% van de openstaande facturen.”
2.4.
[eiser] heeft [gedaagde] in de periode daarna bijgestaan in verschillende geschillen.
2.5.
Al kort na het aangaan van de overeenkomst is er een betalingsachterstand ontstaan bij [gedaagde] . Op 13 september 2024 heeft [eiser] , na het sturen van betalingsherinneringen en waarschuwingen, aan [gedaagde] kenbaar gemaakt dat zij genoodzaakt is om haar werkzaamheden neer te leggen, omdat er op dat moment nog facturen van juli en augustus 2024 openstonden.
2.6.
In de daaropvolgende periode hebben [eiser] en [gedaagde] meerdere malen contact gehad over de openstaande facturen. Op 2 januari 2025 heeft [eiser] [gedaagde] gemaild dat zij haar werkzaamheden zal opschorten.
2.7.
Op 7 januari 2025 hebben [eiser] en [gedaagde] op het kantoor van [eiser] gesproken over de facturen. Daarbij zijn er afspraken gemaakt. Na dit gesprek heeft [eiser] - op dezelfde dag - de volgende e-mail gestuurd naar [gedaagde] :
“(…) We stelden vast dat er nog vertrouwen is om samen door te werken, er waardering is voor ons werk en jij bevestigt ons te betalen. Daarbij wordt eind maart 2025 het laatste deel voldaan. Onze kosten zijn door jou voor akkoord gegeven (zie bijlage).
Tegen die achtergrond heb ik nu akkoord gekregen van de partners van [eiser] om actief te blijven, en bevestig ik hierbij de volgende betalingsvoorwaarden:
  • aanbetaling voor toekomstig werk van € 20.000 asap – maaruiterlijk3 weken voor de geplande zittingsdatum – om opgeschorte werkzaamheden te kunnen hervatten (daarna starten we weer).
  • 50% openstaande hoofdsom ad € 85.374,55 uiterlijk op 28 februari 2025.
  • 50% overige deel openstaande hoofdsom ad € 85.374,55 uiterlijk op 31 maart 2025.
  • vergoeding rente op 31 maart 2025 over vertraging voldoening (marktconform b2b). (…)”
2.8.
[gedaagde] heeft vervolgens enkele deelbetalingen gedaan, maar heeft niet alle facturen betaald. Het gaat in deze zaak om de volgende onbetaalde facturen:
Factuurnummer
Openstaande bedragen
[nummer 1]
€ 93.553,55
[nummer 2]
€ 44.666,45
[nummer 3]
€ 8.499,15
[nummer 4]
€ 4.029,94
[nummer 5]
€ 5.248,41
[nummer 6]
€ 30.164,30
Totaal
€ 186.161,80
2.9.
In de periode dat [eiser] [gedaagde] bijstond heeft [gedaagde] niet geklaagd over de facturen en ook niet over de inhoud of kwaliteit van de werkzaamheden van [eiser] .
2.10.
In maart 2025 heeft [eiser] haar werkzaamheden gestaakt en de overeenkomst met [gedaagde] beëindigd. Bij brief van 3 april 2025 heeft de nieuwe advocaat van [gedaagde] namens [gedaagde] bezwaren geuit tegen de facturen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot:
I. betaling van € 197.939,41 (inclusief wettelijke rente tot de datum van de dagvaarding, vermeerderd met de contractuele rente van 1% per maand over dit bedrag,
II. vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 27.924,27,
III. betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en verwijst daarbij naar de contractuele verplichting in artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden om binnen veertien dagen na factuurdatum te betalen. Zij vordert alsnog nakoming en maakt op grond van artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden, naast de openstaande hoofdsom, aanspraak op de contractuele rente en de buitengerechtelijke incassokosten.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en beroept zich op vernietiging van artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden via reflexwerking van artikel 6:236 sub g BW Pro. Daarnaast betwist [gedaagde] de hoogte van de facturen. [eiser] heeft namelijk excessief, dan wel onverklaarbaar gedeclareerd. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Geen vernietiging algemene voorwaarden
4.1.
[gedaagde] beroept zich op vernietiging van artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden door middel van reflexwerking van artikel 6:236 aanhef Pro en sub g BW via artikel 6:233 aanhef Pro en sub a BW. Dat verweer slaagt niet. De rechtbank licht dat als volgt toe.
4.2.
Een beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij (artikel 6:233, aanhef en onder a, BW). Hierbij wordt rekening gehouden met de hoedanigheid van partijen, hun maatschappelijke positie, hun onderlinge verhouding en hun deskundigheid.
4.3.
Voor overeenkomsten met een consument bevat de wet een lijst van bedingen die geacht worden onredelijk bezwarend te zijn (de ‘zwarte lijst’ van artikel 6:236 BW Pro) en een lijst van bedingen die vermoed worden onredelijk bezwarend te zijn (de ‘grijze lijst’ van artikel 6:237 BW Pro). Hoewel de zwarte en de grijze lijst betrekking hebben op overeenkomsten met consumenten, kan ook indien de wederpartij geen consument is, van belang zijn dat een beding in algemene voorwaarden voorkomt op een van deze lijsten, bij de beoordeling of dit beding onredelijk bezwarend is voor die wederpartij.
4.4.
In de parlementaire geschiedenis is in dit verband opgemerkt dat indien een kleine rechtspersoon die zich materieel niet van een consument onderscheidt, met een beding op de zwarte of de grijze lijst wordt geconfronteerd, reflexwerking via de open norm van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW voor de hand ligt. Hoewel daarbij toen is gedacht aan rechtspersonen die geen beroep of bedrijf uitoefenen, is reflexwerking ook in andere gevallen mogelijk, bijvoorbeeld indien de wederpartij een overeenkomst weliswaar in de uitoefening van haar beroep of bedrijf heeft gesloten, maar deze overeenkomst geen betrekking heeft op de eigenlijke beroeps- of bedrijfsactiviteiten. Er kunnen zich dus gevallen voordoen waarin de wederpartij weliswaar geen consument is, maar haar positie grote gelijkenis vertoont met die van een consument. In die gevallen kan de omstandigheid dat het beding voorkomt op de zwarte of de grijze lijst worden betrokken bij de beoordeling of het beding voor die wederpartij onredelijk bezwarend is. [1]
4.5.
[gedaagde] stelt dat zij gelijkgesteld moet worden aan een consument, omdat zij maar een kleine ondernemer is. Daarover heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat er momenteel geen omzet wordt gedraaid door alle lopende procedures. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat de onderhavige overeenkomst tussen haar en [eiser] niet tot haar dagelijkse routine hoort. Daarbij is [eiser] een partij die ten opzichte van haar juridisch de overhand heeft.
4.6.
[eiser] betwist dat [gedaagde] gelijk kan worden gesteld met een consument. [eiser] voert aan dat [gedaagde] een professionele vastgoedonderneming is, die bedrijfsunits ontwikkelt en verhuurt en in dat kader tientallen contracten heeft afgesloten. [eiser] wijst er op dat [gedaagde] een miljoenenomzet realiseerde. [eiser] heeft [gedaagde] bijgestaan in een breed scala aan procedures. In deze procedures heeft [gedaagde] gebruik gemaakt van juridisch specialisten.
4.7.
Uit de door [eiser] overgelegde stukken blijkt dat zij [gedaagde] in een periode van acht maanden heeft bijgestaan in acht procedures, waaronder het hoofdgeschil over de aanneming van 49 bedrijfsunits. [gedaagde] heeft niet betwist dat er sprake is geweest van een miljoenenomzet. Een onderneming van die omvang met een dergelijke omzet kwalificeert niet als een kleine rechtspersoon die materieel niet van een consument verschilt. Verder is van belang dat, hoewel een overeenkomst met een advocatenkantoor in beginsel niet tot de kernactiviteiten van [gedaagde] behoort, [gedaagde] inmiddels wel een
repeat playeris als het gaat om juridische bijstand. De rechtbank is het dan ook eens met [eiser] dat [gedaagde] de overeenkomst met [eiser] is aangegaan in het kader van haar reguliere bedrijfsactiviteiten.
Voor het overige zijn geen omstandigheden naar voren gebracht die maken dat het beding in dit geval onredelijk bezwarend is. Dit betekent dat het door [gedaagde] gedane beroep op vernietiging niet slaagt en dat artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden gewoon van toepassing is op de overeenkomst.
Contractueel klachtbeding
4.8.
Uit artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden blijkt dat partijen hebben afgesproken dat facturen van [eiser] binnen 14 dagen na factuurdatum voldaan moeten worden. Na afloop van die 14 dagen wordt [gedaagde] geacht de juistheid van de factuur te hebben aanvaard, tenzij zij bezwaar heeft gemaakt (zie 2.3).
4.9.
De wettelijke klachtplicht (artikel 6:89 BW Pro) is niet van toepassing op onjuistheden in een factuur. [2] Partijen kunnen echter wel contractueel een klachtbeding overeenkomen ten aanzien van de hoogte van de facturen. Artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden is zo’n beding. Vast staat dat alle facturen zijn voorzien van een uitgebreide urenspecificatie, waarin per advocaat diverse soorten werkzaamheden zijn omschreven. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om de juistheid van de facturen tijdig te controleren en haar eventuele bezwaren kenbaar te maken onder nauwkeurige opgave van de aard en de grond daarvan. [gedaagde] heeft dat niet gedaan. Vast staat dat [gedaagde] in de periode dat [eiser] haar bijstond nooit heeft geklaagd over de facturen van [eiser] (zie 2.9). Integendeel, zij heeft door de betalingsafspraak van 7 januari 2025 juist de verschuldigdheid van de tot dan toe verzonden facturen erkend en afspraken gemaakt over de toekomstige samenwerking (zie 2.7).
Ten aanzien van de facturen met eindnummer [eindnummer 3] en [eindnummer 4] heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling betwist dat zij die heeft ontvangen. [eiser] heeft dit gemotiveerd weersproken. Zij heeft aangegeven dat tijdens het gesprek op 7 januari 2025 alle openstaande facturen, dus ook factuur [nummer 3] (d.d. 2 januari 2025) en factuur [nummer 4] (d.d. 7 januari 2025), één voor één met [gedaagde] zijn besproken. Daarnaast heeft [eiser] na dit gesprek een e-mail aan [gedaagde] gestuurd met als bijlage het debiteurenoverzicht. [gedaagde] heeft daarop niet meer gereageerd. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de enkele kale betwisting van de ontvangst van deze facturen.
Nu [gedaagde] niet tijdig heeft geklaagd over de facturen, betekent dit dat zij de juistheid van de facturen heeft aanvaard. De vordering van [eiser] zal volledig worden toegewezen.
4.10.
De rechtbank komt dan ook niet toe aan de beoordeling van de (in de conclusie van antwoord vermelde) bezwaren tegen de facturen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat haar, mede in het licht van de toelichting van [eiser] ter zitting, niet is gebleken van excessief declareren.
4.11.
[eiser] vordert buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). In het onderhavige geval zijn partijen echter een vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. De vordering zal dan ook worden getoetst aan het rapport Voor-werk II, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De rechtbank stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De door [eiser] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 27.924,27 (zijnde 15% van de openstaande facturen) zal worden toegewezen, nu [gedaagde] de verschuldigdheid daarvan op grond van de tussen hen gesloten overeenkomst niet betwist en geen termen aanwezig zijn om (ambtshalve) tot matiging van de gevorderde vergoeding over te gaan.
4.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.271,40
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 197.939,41, vermeerderd met de contractuele rente van 1% per maand over dit bedrag vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 27.924,27 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 11.271,40 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M. James-Pater, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad, 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1197.
2.Hoge Raad 11 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1565