Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6237

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
13-023943-26 en 09-239834-25 (tul)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 300 SrArt. 304 SrArt. 350 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling van ambtenaren in functie en vernieling in kliniek

Op 23 januari 2026 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van twee ambtenaren in functie, te weten een arts in opleiding en een verpleegkundige werkzaam in een kliniek waar verdachte op grond van een crisismaatregel was opgenomen. Tevens heeft verdachte vernieling gepleegd aan een muur en een matras die eigendom waren van de Nationale Politie.

De rechtbank oordeelde dat de arts en verpleegkundige als ambtenaren in de zin van het Wetboek van Strafrecht moeten worden aangemerkt vanwege hun taak in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Verdachte was verminderd toerekeningsvatbaar vanwege een manisch-psychotische ontregeling, maar niet volledig ontoerekeningsvatbaar, waardoor hij strafbaar werd gehouden.

De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 106 dagen, gelijk aan het voorarrest, rekening houdend met de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en zijn psychische toestand. Daarnaast werd een schadevergoeding van €19,50 aan materiële schade en €200 aan immateriële schade toegekend aan de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen om het zorgtraject niet te verstoren.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 106 dagen gevangenisstraf en gedeeltelijke schadevergoeding voor mishandeling van ambtenaren in functie en vernieling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/023943-26 en 09/239834-25 (tul)
Datum uitspraak: 15 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1999,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. Chr. Nij Bijbank, en van wat verdachte en raadsvrouw, mr. D.M. Moes, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [persoon 1] .

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - kort samengevat - tenlastegelegd dat hij zich telkens op 23 januari 2026 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
1.
mishandeling van [persoon 2] , zijnde een ambtenaar in functie;
2.
mishandeling van [persoon 1] , zijnde een ambtenaar in functie;
3.
vernieling van een muur en/of een matras.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Ien geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen (bewijs)verweren gevoerd ten aanzien van de ten laste gelegde feiten.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ten aanzien van feit 1 en 2
Op basis van de bewijsmiddelen opgenomen in bijlage II kan worden bewezen dat verdachte op 23 januari 2026 [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) en [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) heeft mishandeld. Gelet op het standpunt van de verdediging behoeft dit oordeel geen andere motivering. Wat betreft het tenlastegelegde strafverzwarende bestanddeel ‘een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ van artikel 304 lid 1 sub Pro 3º Wetboek van Strafrecht (Sr) overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of [persoon 2] en [persoon 1] kunnen worden aangemerkt als ambtenaren in de zin van de artikelen 180 en 304 Sr. In de rechtspraak wordt uitgegaan van een ruime opvatting voor het strafrechtelijke begrip van ambtenaar. Volgens de Hoge Raad wordt onder ‘ambtenaar’ ook begrepen ‘degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd' (HR 17 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:32). [1]
De verplichte en gedwongen zorg van een persoon die op grond van een rechterlijke beslissing in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) is opgenomen in een zorginstelling is een overheidstaak. De artsen en verpleegkundigen die deze taak uitvoeren, zijn op het moment dat zij zich met deze specifieke zorgtaak bezighouden, aan te merken als ambtenaren in de zin van de artikelen 180 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht van belang dat de inhoud en de reikwijdte van de taken van die verpleegkundigen in het kader van de Wvggz van overheidswege zijn bepaald. Hun werkzaamheden zijn onder meer gebaseerd op het maatschappelijk belang om ernstig nadeel voor de betrokkene (de verdachte) zelf te voorkomen en om te voorkomen dat door het gedrag van de opgenomen patiënten de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar komt. Hun werkzaamheden worden verder uitgevoerd onder toezicht en controle van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ). Weliswaar is dit extern toezicht, die omstandigheid laat onverlet dat de IGJ over vergaande bevoegdheden beschikt betreffende het bestuur van en toezicht op een zorginstelling. De omstandigheid dat de arbeidsrelatie tussen deze artsen of verpleegkundigen en hun werkgever geen publiekrechtelijk, maar een privaatrechtelijk karakter heeft, doet, in lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad, niet ter zake. De privaatrechtelijk georganiseerde wijze van het leveren van verplichte en gedwongen zorg is het gevolg van democratisch genomen besluiten over de uitoefening van overheidstaken. Aan de functie van een arts of verpleegkundige die haar of zijn functie uitoefent in het kader van de Wvggz kan een openbaar karakter dan ook niet worden ontzegd. [2]
Uit het strafdossier blijkt dat verdachte vanaf 14 januari 2026 op grond van een crisismaatregel in de Wvggz verbleef in de instelling Mentrum ( [adres] ), vanwege een manisch-psychotische ontregeling. Hij verbleef daar op de extra beveiligde kamer en kreeg dwangmedicatie. [persoon 2] is hier werkzaam als arts in opleiding en [persoon 1] is hier werkzaam als verpleegkundige. Op 23 januari 2026 bezochten zij verdachte in de extra beveiligde kamer om te beoordelen of hij nog langer afgezonderd zou moeten zitten. In eerste instantie verliep dit gesprek rustig, maar plotseling sloeg de sfeer om en werd verdachte agressief hetgeen heeft geleid tot de bewezenverklaarde mishandelingen. Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat deze mishandelingen zijn begaan tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
4.3.2.
Ten aanzien van feit 3
Op basis van de bewijsmiddelen in bijlage II en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, kan worden bewezen dat hij op 23 januari 2026 in Amsterdam een muur en een matras heeft vernield. Gelet op het standpunt van de verdediging behoeft dit oordeel geen nadere motivering.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
1.
op 23 januari 2026 te Amsterdam, [persoon 2] heeft mishandeld, door die [persoon 2] (arts in opleiding) te stoten/slaan en/of schoppen tegen zijn been en/of rug, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar, zijnde een zorgaanbieder als bedoeld in de Wvggz, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
2.
op 23 januari 2026 te Amsterdam, [persoon 1] heeft mishandeld, door die [persoon 1] (verpleegkundige), een stoot tegen zijn gezicht te geven en zijn T-shirt kapot te trekken, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar, zijnde een zorgaanbieder als bedoeld in de Wvggz, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
3.
op 23 januari 2026 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk, een muur en een matras, die toebehoorden aan de Nationale Politie, heeft vernield en/of beschadigd.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

6.1.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van de bewezen geachte feiten. Verdachte heeft een psychische stoornis en hij was manisch-psychotisch ontregeld waardoor hij uit het niets agressief is geworden. Hij verbleef reeds sinds 14 januari 2026 in de isoleeromgeving van de kliniek waar hij met een crisismaatregel was opgenomen.
6.2.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende informatie is om te concluderen dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was. Het feit dat verdachte een psychische stoornis heeft, wordt meegenomen in de strafeis door - naast het verzoek om aan hem een zorgmachtiging te verlenen - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te vorderen die gelijk is aan het voorarrest.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende informatie bevat om kunnen te concluderen dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van de bewezen geachte feiten. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
Strafeis van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 113 dagen, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd.
7.2.
Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en toepassing te geven aan artikel 9a Sr. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
7.3.1.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig maakt aan twee mishandelingen van een ambtenaar in functie en een vernieling. De mishandelingen heeft hij gepleegd tegen een psychiater in opleiding en een verpleegkundige die werkzaam waren in de kliniek waar verdachte op dat moment was opgenomen op grond van een crisismaatregel. De rechtbank is van oordeel dat deze feiten ernstig zijn, aangezien verdachte geweld heeft gebruikt tegen personen die hem juist de benodigde zorg boden.
7.3.2.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 17 maart 2026, waaruit blijkt dat hij meermalen is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het NIFP-consult van 27 januari 2026, opgemaakt door M. Hendriks, psychiater. Hieruit blijkt - zakelijk weergegeven - dat verdachte met een crisismaatregel was opgenomen vanwege manisch-psychotische ontregeling. Hij verbleef daar op de extra beveiligde kamer en kreeg dwangmedicatie. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel kan worden vastgesteld dat verdachte psychisch ontregeld was ten tijde van de bewezen geachte feiten en dat de feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend.
7.3.3.
Straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen straf rekening gehouden met de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en dat de feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte in de zaak met rekestnummer 26/2469, welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, met ingang van 1 mei 2026 een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz) is verleend. De rechtbank vindt het van belang dat de voorlopige hechtenis van verdachte aansluit op zijn verblijf in een kliniek in het kader van de zorgmachtiging. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van verdachte om die reden met ingang van 8 mei 2026 geschorst nu verdachte op die datum kon worden opgenomen in de kliniek van Arkin. De rechtbank acht het niet passend om verdachte een straf op te leggen die de periode dat hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht te boven gaat. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 106 dagen met aftrek van het voorarrest opleggen.

8.Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [persoon 1]

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 19,50 aan vergoeding van materiële schade en € 540,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en daarom zal de gevorderde materiële schade van € 19,50 (zegge negentien euro en vijftig cent) worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (23 januari 2026).
8.2.
Immateriële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit is door de verdediging niet betwist.
De hoogte van de immateriële vordering is ter terechtzitting betwist tot een bedrag van € 200,-. Op grond van de aard en ernst van de normschending en het letsel van de benadeelde partij en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 200,- (zegge tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (23 januari 2026).
De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.
8.3.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [persoon 1] wordt als extra waarborg voor betaling aan hem de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

9.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 7 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 09/239834-25, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 12 september 2025 van de politierechter in 's-Gravenhage, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot één week niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf is daarom in beginsel op zijn plaats. Het is echter zowel in het belang van de verdachte als van de maatschappij dat het traject van de verleende zorgmachtiging niet wordt doorkruist. Dit maakt dat het ten uitvoer leggen van de voorwaardelijke straf op dit moment niet passend is. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 en 2
telkens mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
ten aanzien van feit 3
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen/beschadigen, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
106 (honderdzes) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Vordering tot schadevergoeding
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[persoon 1]toe tot een bedrag van € 19,50 (zegge negentien euro en vijftig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 200,- (zegge tweehonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 januari 2026) tot aan de dag van voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van
[persoon 1]aan de Staat € 219,50 (zegge tweehonderdnegentien euro en vijftig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Tul
Wijt de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 09/239834-24 af.
Voorlopige hechtenis
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,
mrs. R. van de Water en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 mei 2026.
[...]
[...]

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 19 december 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2608.
2.Ibid. Noot 1.